Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6676

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-07-2002
Datum publicatie
21-08-2002
Zaaknummer
AWB 02/49618 BEPTDN H, 02/49619 BEPTDN H
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AC-procedure / procesuren / tolk.

Een Nepalese vreemdeling heeft een verblijfsvergunning asiel aangevraagd. Deze aanvraag is door de staatssecretaris van Justitie afgewezen in de AC-procedure.

In onderhavig geding speelt de vraag of verweerder de klok gedurende 10 uur stil heeft mogen zetten in verband met het wachten op een tolk, wat tot gevolg heeft gehad dat de AC-procedure in totaal 57 uur en 29 minuten in beslag heeft genomen.

Verweerder heeft aangevoerd dat de klok is stilgezet op verzoek van de rechtshulpverlener van de vreemdeling. Hoewel een tolk Nepali aanwezig was, te weten de tolk die bij het nader gehoor was opgetreden, heeft de rechtshulpverlener van de vreemdeling aangegeven dat zij van een andere tolk gebruik wenste te maken teneinde bij de nabespreking de vertaling van het nader gehoor te controleren.

De voorzieningenrechter heeft overwogen dat in beginsel alle uren die sedert de aanmelding van de vreemdeling tot de uitreiking van de beschikking verstrijken, als procesuren zijn aan te merken. Een uitzondering daarop kan zich voordoen in het geval van het incidenteel ontbreken van een tolk. De klok mag dan ingevolge de jurisprudentie gedurende een korte periode van enkele uren worden stilgezet.

In onderhavige procedure is van het incidenteel ontbreken van een tolk strikt genomen geen sprake. Voorts heeft verweerder onvoldoende invulling gegeven aan zijn plicht om de 48 procesuren actief te bewaken, nu niet is gebleken dat verweerder zich op enig moment na het stilzetten van de klok op de hoogte heeft gesteld van de stand van zaken. Dit klemt te meer daar de klok gedurende relatief lange tijd heeft stil gestaan. De overschrijding van de termijn komt daarom voor rekening van verweerder. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86, geldigheid: 2002-07-19
Vreemdelingenwet 2000 29, geldigheid: 2002-07-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

nevenvestigingsplaats Haarlem

voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

artikel 8:81 en 8:86 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 02 / 49618 BEPTDN H (voorlopige voorziening)

AWB 02 / 49619 BEPTDN H (beroepszaak)

IND nr.: 0206.23.4002

inzake: A, geboren op [...] 1978, van Nepalese nationaliteit, verzoeker,

gemachtigde: voorheen mr. M.J.A. Leijen, advocaat te Alkmaar,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Ramsaroep en mr. D.S. van Asperen, beiden werkzaam bij de

onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Bij besluit van 27 juni 2002 is de door verzoeker op 24 juni 2002 ingediende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel afgewezen. Tegen deze beschikking heeft verzoeker op 27 juni 2002 beroep ingesteld.

1.2 Bij verzoekschrift van 27 juni 2002 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht zijn uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

1.3 De rechtbank heeft op 8 juli 2002 een faxbericht van die datum ontvangen van mr. Leijen voornoemd, waarin mr. Leijen bericht dat hij zich terugtrekt als gemachtigde van verzoeker. Het onderzoek ter zitting is aangevangen op 9 juli 2002 en voorts geschorst aangezien verzoeker niet is verschenen. Op 11 juli 2002 heeft de griffier van deze rechtbank per fax een oproeping voor de zitting van 16 juli 2002, gericht aan de heer S. Ghale, verzonden aan het Aanmeldcentrum Schiphol. Verzoeker diende zich aldaar op 12 juli 2002 te melden in verband met zijn wekelijkse meldplicht. Verzoeker heeft zich niet gemeld. Op de zitting van 16 juli 2002, waar verzoeker wederom niet is verschenen, is het onderzoek voortgezet. Verweerder heeft bij monde van zijn gemachtigde zijn standpunt nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.

2.2 Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In dit geding dient te worden beoordeeld of de afwijzing van de aanvraag in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.4 De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel is afgewezen in het kader van de zogenoemde aanmeldcentrumprocedure (verder te noemen ac-procedure). Een aanvraag kan in dat kader worden afgewezen, indien dit zonder schending van eisen van zorgvuldigheid binnen 48 proces-uren kan geschieden.

2.5 Ter ondersteuning van zijn asielverzoek heeft verzoeker, samengevat en voor zover van belang, naar voren gebracht dat hij bij terugkeer naar Nepal vreest te worden gedood door de Maoïsten vanwege zijn activiteiten voor de Nepali Congress Party.

2.6 Verweerder heeft de bestreden beschikking onder meer doen steunen op de overweging dat verzoeker's motieven om zijn land van herkomst te verlaten onvoldoende zijn om te concluderen tot vluchtelingenschap.

2.7 Vooreerst zal de voorzieningenrechter ambtshalve beoordelen of de aanvraag binnen de 48 proces-uren is afgewezen.

2.8 Uit de processtukken en hetgeen verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht blijkt het volgende met betrekking tot het verloop van onderhavige procedure. Verzoeker heeft zich op 23 juni 2002 om 10.20 uur aangemeld. Verweerder heeft op 26 juni 2002 om 13.45 uur de klok stil gezet, op verzoek van de rechtshulpverlener, in verband met het wachten op een tolk. Hoewel een Nepali tolk beschikbaar was, te weten de tolk die bij het nader gehoor als tolk was opgetreden, heeft de rechtshulpverlener van verzoeker aangegeven dat zij van een andere tolk gebruik wenste te maken teneinde bij de nabespreking de vertaling van het nader gehoor te controleren. Verweerder heeft ter zitting - onweersproken - aangegeven dat de klok weer is gaan lopen op het moment dat het gehoor werd nabesproken op 27 juni 2002 om 9.45 uur. Vervolgens is de beschikking op 27 juni 2002 om 11.49 uur uitgereikt aan verzoeker.

2.9 Voorgaande betekent dat de procedure in totaal 57.29 uur in beslag heeft genomen, waarbij verweerder gedurende 10 uur de klok heeft stil gezet in verband met het wachten op een tolk.

2.10 Het toetsingskader in onderhavige zaak wordt bepaald door artikel 1.1, aanhef en onder f, van het Vreemdelingenbesluit waaruit voortvloeit dat, buiten de uren van 22.00 tot 8.00 uur, in beginsel alle uren die sedert de aanmelding van de vreemdeling tot de uitreiking van de beschikking verstrijken, als proces-uren zijn aan te merken. Gelet op de rechtsgevolgen die de wet verbindt aan afdoening van asielzaken binnen 48 proces-uren, moet hieraan omwille van de rechtszekerheid strak de hand worden gehouden. Dat in feite geen onderzoek plaatsvindt of extra tijd wordt besteed aan bepaalde delen van het onderzoek is op zichzelf geen grond voor het oordeel dat de daarmee gemoeide tijd niet voor het onderzoek beschikbaar was.

2.11 In uitzondering op bovengenoemde regel zijn de uren die ten gevolge van door verweerder aan te voeren en aannemelijk te maken feiten en/of omstandigheden redelijkerwijs niet konden worden benut voor het onderzoek naar de aanvraag, niet als proces-uren aan te merken. Een dergelijke omstandigheid, waarbij de tijd niet kan worden benut voor onderzoek, kan zich voordoen bij het incidenteel ontbreken van een tolk, mits dat niet is toe te rekenen aan verweerder. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (van 29 juni 2001, nr. 200102564/1) vloeit voort dat de aanvraag van een asielzoeker nog binnen de ac-procedure kan worden afgehandeld als verweerder in het geval dat geen tolk aanwezig was, binnen enkele uren een tolk ter beschikking heeft gesteld.

2.12 In onderhavige procedure dient tegen de achtergrond van het geschetste toetsingskader derhalve te worden bezien of sprake is van het incidenteel ontbreken van een tolk, gedurende een kort tijdsbestek, terwijl dit niet aan verweerder is toe te rekenen.

2.13 De voorzieningenrechter is van oordeel dat dat niet het geval is. Nu in de onderhavige procedure een Nepali tolk beschikbaar was, is strikt genomen geen sprake van het incidenteel ontbreken van een tolk. Verweerder heeft ter zitting tevergeefs betoogd dat het, gezien het verzoek van de rechtshulpverlener, op de weg lag van de Stichting Rechtsbijstand Asiel om een andere tolk te vinden. Dit ontslaat verweerder immers niet van de plicht om de 48 proces-uren op actieve wijze te bewaken. Verweerder heeft onvoldoende invulling gegeven aan deze plicht nu niet is gebleken dat verweerder zich op enig moment na het stilzetten van de klok op de hoogte heeft gesteld van de stand van zaken, of is nagegaan of en op welke wijze het onderzoek weer op gang kon worden gebracht. Dit klemt te meer daar de klok gedurende relatief lange tijd, en derhalve niet gedurende slechts enkele uren, heeft stil gestaan. Verweerder had bijvoorbeeld tijdens deze wachttijd, indien hij vasthield aan afdoening in de ac-procedure, de rechtshulpverlener een termijn kunnen stellen om haar werkzaamheden af te ronden.

2.14 In het licht van het vorenstaande dient de overschrijding van de termijn voor rekening van verweerder te komen.

2.15 Uit het voorgaande volgt dat de aanvraag ten onrechte in de ac-procedure is afgewezen. Het beroep tegen de afwijzende beschikking op de asielaanvraag van verzoeker zal dan ook gegrond worden verklaard. Gegeven deze beslissing bestaat geen aanleiding meer voor toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening.

2.16 Het voorgaande brengt met zich mee dat de door mr. Leijen in zijn fax van 8 juli 2002 opgeworpen grief, inhoudende dat tijdens het stilzetten van de klok het onderzoek feitelijk is voortgezet, geen bespreking meer behoeft.

2.17 De voorzieningenrechter ziet aanleiding om, ingevolge artikel 8:72, derde lid, Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat de rechtsgevolgen van de beschikking in stand zullen blijven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan verdere behandeling van de aanvraag van verzoeker in een onderzoekscentrum er niet toe leiden dat een ander besluit genomen zal worden dan dat waartoe de vernietigde beschikking strekt. De staatssecretaris heeft immers op goede gronden in zijn beschikking gemotiveerd uiteengezet dat de door verzoeker aangedragen motieven om zijn land van herkomst te verlaten op zichzelf onvoldoende zijn om te concluderen tot vluchtelingenschap. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat verzoeker geen zienswijze en evenmin inhoudelijke grieven in zijn beroepschrift heeft aangevoerd tegen respectievelijk het voornemen en de bestreden beschikking.

2.18 In dit geval is aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het beroepschrift). Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 27 juni 2002;

3.2 bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

3.3 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.C. Hofman, voorzieningenrechter en uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2002, in tegenwoordigheid van mr. S.E. Sijsma als griffier.

Afschrift verzonden op: 19 juli 2002

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voorzover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Het hoger beroep moet worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voorzover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.