Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6673

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-06-2002
Datum publicatie
20-08-2002
Zaaknummer
AWB 02/45385 VRONTN J, 02/45809 VRONTN J
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / Somalië / vertrekmogelijkheid

Onrechtmatigheid van de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6 Vw 2000 nu iedere mogelijkheid voor Somalische vreemdelingen om uit Nederland te vertrekken ontbreekt.

Verwijzing naar de uitspraak van 22 april 2002, AWB 02/25890, en die van 17 mei 2002, AWB 02/35845, van de rechtbank Haarlem. Geconstateerd is dat iedere mogelijkheid voor Somalische vreemdelingen (zij dit door eigen toedoen dan wel door tussenkomst van de Nederlandse autoriteiten) om uit Nederland te vertrekken ontbreekt. Gelet op deze constatering kan de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw 2000, bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd worden geacht. De enkele stelling van verweerder dat op dit moment de uitzetting nog niet aan de orde is, nu nog niet op de rechtsmiddelen tegen de afwijzende asielaanvraag is beslist, doet hier niet aan af. Op het moment van het nemen van de beslissing op de asielaanvraag in de AC-procedure is het onderzoek naar de asielmotieven afgerond en dient verweerder zich te beraden op de vraag of er voor een vreemdeling mogelijkheden zijn om Nederland te verlaten. Het verkrijgen op aanvraag van reisdocumenten door een vreemdeling van Somalische nationaliteit, waarmee hij naar Somalië kan terugkeren of waarmee zijn toelating tot een derde land is gewaarborgd, moet thans feitelijk onmogelijk worden geacht. De IOM ondersteunt geen aanvragen meer voor een laissez-passer of een paspoort bij de Somalische vertegenwoordiging bij de Verenigde Naties in Genève.

Derhalve ontbreekt het zicht op verwijdering van de vreemdeling en is de voortduring van de maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw 2000, bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet langer gerechtvaardigd vanaf het moment van het uitreiken van de beschikking.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 6, geldigheid: 2002-06-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

nevenvestigingsplaats Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

ex artikel 94 en 106 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 02 / 45385 VRONTN J

AWB 02 / 45809 VRONTN J

inzake: A, geboren [...] 1979, van Somalische nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, hierna te noemen: de vreemdeling,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

Zitting: 20 juni 2002.

De vreemdeling is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. B. Snoeij, advocaat te Amsterdam.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. S. Gobardhan.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Op 11 juni 2002 is de vreemdeling ex artikel 3 Vw op de luchthaven Schiphol de verdere toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van de vreemdeling is op diezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw toegepast.

1.2 Op 11 juni 2002 heeft de vreemdeling een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Bij besluit van 14 juni 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. De ten aanzien van de vreemdeling toegepaste vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6 Vw is in het besluit gehandhaafd.

1.3 Bij kennisgeving ex artikel 94, eerste lid, Vw, van 13 juni 2002, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op diezelfde datum, heeft verweerder de rechtbank in kennis gesteld van de vrijheidsontnemende maatregel.

1.4 Bij beroepschrift van 15 juni 2002, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op diezelfde datum, heeft de vreemdeling dit beroep aangevuld met een verzoek om schadevergoeding.

2. Overwegingen

2.1 De ambtenaar belast met grensbewaking is op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw bevoegd een vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd, een ruimte of plaats als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel aan te wijzen, waar hij zich dient op te houden.

2.2 Verweerder voert het beleid dat onder meer tot (voortzetting van) de maatregel ex artikel 6 Vw wordt besloten indien de asielaanvraag binnen de AC-procedure is afgewezen.

2.3 Ingevolge artikel 94, vijfde lid, Vw verklaart de rechtbank het beroep gegrond indien zij bij het beroep van oordeel is dat de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vreemdelingenwet dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. De rechtbank beveelt dan de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging.

2.4 De vreemdeling heeft zich op het standpunt gesteld dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat bij de uitreiking van de beschikking tot aanwijzing van het Aanmeldcentrum Schiphol als een ruimte of plaats ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, Vw de inhoud en strekking van deze beschikking haar in het Engels zijn medegedeeld en derhalve niet in een voor haar begrijpelijke taal, aangezien zij het Engels onvoldoende beheerst. Voorts heeft de vreemdeling, onder verwijzing naar eerdere rechtspraak van deze rechtbank en nevenvestigingsplaats, aangevoerd dat zij afkomstig is uit Somalië, dat er door verweerder geen claim is gelegd op de aanvoerende luchtvaartmaatschappij en dat zij ongedocumenteerd is, waardoor er geen zicht op uitzetting bestaat.

2.5 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat op dit moment de uitzetting van de vreemdeling nog niet aan de orde is, nu nog niet op de rechtsmiddelen tegen de afwijzende asielaanvraag is beslist. Voorts vinden er thans weliswaar geen gedwongen uitzettingen naar Somalië plaats, maar de vreemdeling heeft de verplichting zelfstandig terug te keren, met de mogelijkheid tot ondersteuning door de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM).

De rechtbank overweegt als volgt.

2.6 Verweerder heeft de vreemdeling op grond van artikel 3, derde lid, Vw de toegang tot Nederland geweigerd. Tegen deze toegangsweigering zijn geen rechtsmiddelen ingesteld. Gesteld noch gebleken is dat de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw in het onderhavige geval onrechtmatig is opgelegd.

2.7 Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat bij de uitreiking van de beschikking ex artikel 6 Vw op 11 juni 2002 in het Aanmeldcentrum Schiphol de inhoud en strekking van deze beschikking in de Engelse taal zijn medegedeeld. Nu bij de overplaatsing van de vreemdeling op 16 juni 2002 naar het Grenshospitium de inhoud en strekking van de maatregel ex artikel 6 Vw opnieuw aan haar zijn medegedeeld, maar nu in de Somalische taal, kan niet worden geoordeeld dat de vreemdeling in haar belangen is geschaad en op die grond de maatregel van bewaring niet rechtmatig is.

2.8 Tussen partijen is niet in geschil dat de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding. Voorts is uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat verweerder ten behoeve van de vreemdeling geen claim op de aanvoerende luchtvaartmaatschappij heeft gelegd.

2.9 In de uitspraken van 22 april 2002, met kenmerk AWB 02/25890 VRONTN J en van 17 mei 2002, met kenmerk AWB 02/35845 VRONTN J, heeft deze rechtbank en nevenvestigingsplaats geconstateerd dat iedere mogelijkheid voor Somalische vreemdelingen (zij dit door eigen toedoen dan wel door tussenkomst van de Nederlandse autoriteiten) om uit Nederland te vertrekken ontbreekt. Gelet op deze constatering heeft de rechtbank overwogen dat de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd kan worden geacht.

De rechtbank ziet thans geen reden voor een andersluidend oordeel nu verweerder ter zitting geen omstandigheden of aanwijzingen heeft gegeven waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat de bovengeschetste situatie binnen afzienbare tijd zal veranderen.

2.10 De enkele stelling van verweerder dat op dit moment de uitzetting nog niet aan de orde is, nu nog niet op de rechtsmiddelen tegen de afwijzende asielaanvraag is beslist, doet hier niet aan af. Op het moment van het nemen van de beslissing op de asielaanvraag in de AC-procedure is het onderzoek naar de asielmotieven afgerond en dient verweerder zich te beraden op de vraag of er voor een vreemdeling mogelijkheden zijn om Nederland te verlaten. Uit de onder 2.9 genoemde uitspraak van deze rechtbank en nevenvestigingsplaats van 22 april 2002 blijkt dat het verkrijgen op aanvraag van reisdocumenten door een vreemdeling van Somalische nationaliteit, waarmee hij naar Somalië kan terugkeren of waarmee zijn toelating tot een derde land is gewaarborgd, thans feitelijk onmogelijk moet worden geacht en dat de IOM geen aanvragen meer ondersteunt voor een laissez-passer of een paspoort bij de Somalische vertegenwoordiging bij de Verenigde Naties in Genève.

2.11 Gelet op het vorenstaande ontbreekt het zicht op verwijdering van de vreemdeling en is de voortduring van de maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet langer gerechtvaardigd vanaf het moment van het uitreiken van de beschikking van 14 juni 2002 tot afwijzing van de asielaanvraag. Het beroep is derhalve gegrond. De maatregel zal met ingang van heden worden opgeheven.

2.12 Aangezien reeds een kennisgeving tegen de vrijheidsontnemende maatregel aanhangig was toen het beroep werd ingediend, zal dat wegens gebrek aan procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.

Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding overweegt de rechtbank als volgt.

2.13 Nu de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 14 juni 2002 onrechtmatig is geweest komt de vreemdeling in aanmerking voor toekenning van schadevergoeding. Voor het verblijf van de vreemdeling in het Aanmeldcentrum Schiphol wordt een schadevergoeding van € 70,-- per dag toegekend. Voor het verblijf van de vreemdeling in het Grenshospitium wordt een schadevergoeding van € 45,-- per dag toegekend. Derhalve wordt de schadevergoeding van de vreemdeling begroot op € 500,-- (2 dagen in het Aanmeldcentrum Schiphol en 8 dagen in het Grenshospitium). De rechtbank zijn geen omstandigheden gebleken die tot matiging van de schadevergoeding zouden moeten leiden.

2.14 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op € 322,-- (1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling te geschieden aan de griffier.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep met kenmerk AWB 02/45385 VRONTN J gegrond en beveelt de opheffing van de maatregel ex artikel 6 Vw met ingang van 24 juni 2002;

3.2 verklaart het beroep met kenmerk AWB 02/45809 VRONTN J niet-ontvankelijk;

3.3 kent aan de vreemdeling ten laste van de Staat een schadevergoeding toe van € 500,-- (ZEGGE vijfhonderd euro), uit te betalen door de griffier van deze rechtbank, nevenvestigingsplaats Haarlem;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 322,-- onder aanwijzing van de Staat de Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenvestigingsplaats Haarlem, dient te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Miedema, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2002, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Kluit als griffier.

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in de uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 500,-- (ZEGGE vijfhonderd euro).

Aldus gedaan op 24 juni 2002, door mr. J.F. Miedema, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken.

Afschrift verzonden op: 24 juni 2002

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC

's-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van deze uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.

Tegen de beslissing inzake de schadevergoeding staat geen rechtsmiddel open.