Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6663

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-06-2002
Datum publicatie
20-08-2002
Zaaknummer
AWB 02/34181
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verlenging reisvisum / beschikkingsbegrip.

Verzoekster, met de Turkse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor verlenging van haar reisvisum. De aanvraag is afgewezen. Verzoekster is medegedeeld dat zij Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Indien een verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan teneinde uitzetting te voorkomen voordat is beslist op het bezwaar of het administratief beroep gericht tegen de beschikking tot afwijzing van de aanvraag of intrekking van de verblijfsvergunning, beslist de voorzieningenrechter zoveel mogelijk tevens over dat bezwaar of administratief beroep. Gelet op het bepaalde in artikel 72, tweede lid, Vw 2000 dient onder de zinsnede ‘van de verblijfsvergunning’ in voornoemde bepaling mede ‘van het visum’ te worden begrepen en kan artikel 78 Vw 2000 ook worden toegepast in visumzaken. Bezwaar ongegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 72, geldigheid: 2002-06-28
Vreemdelingenwet 2000 78, geldigheid: 2002-06-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/365

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Voorzieningenrechter

Registratienummer: AWB 02/34181

Datum uitspraak: 28 juni 2002

Uitspraak

ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1975,

van Turkse nationaliteit,

verzoekster,

gemachtigde mr. J.W. de Bruin,

tegen

DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN,

(Visadienst),

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. A. Elkhannaji,

ambtenaar in dienst van de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Het procesverloop

Op 2 mei 2002 heeft verzoekster een aanvraag gedaan om verlenging van de geldigheidsduur van haar visum.

Bij besluit van 2 mei 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Daarbij is verzoekster medegedeeld dat zij Nederland onmiddellijk dient te verlaten.

Verzoekster heeft daartegen bij bezwaarschrift van 3 mei 2002 bezwaar gemaakt.

Bij verzoekschrift van 3 mei 2002 heeft verzoekster verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.

Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 21 juni 2002. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De feiten

1. Bij de beoordeling moet van het volgende worden uitgegaan. Verzoekster is Nederland op 26 maart 2002 ingereisd om haar zieke tante te bezoeken. Zij was in het bezit van een reisvisum, geldig voor de duur van 90 dagen. Op dezelfde dag dat de verlenging van de geldigheidsduur van het visum werd geweigerd is dat visum geannuleerd.

De standpunten van partijen

2. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de verlenging ten onrechte is geweigerd, omdat sprake is van zeer bijzondere humanitaire omstandigheden. Verzoekster ondersteunt het gezin van haar zieke tante, wiens medische problemen ten koste gaan van haar twee minderjarige kinderen. Omdat haar echtgenoot vanwege werkzaamheden in Duitsland slechts in het weekeinde thuis is en ondersteuning door de thuiszorg beperkt is tot twee keer vier uur per week, is verzoeksters hulp gewenst. Bovendien heeft verzoeksters aanwezigheid een gunstige uitwerking op de twee kinderen.

Ter zitting heeft verzoekster daarnaast gesteld dat het enkele feit dat zij een verzoek om verlenging van de geldigheidsduur van haar visum heeft gedaan niet (van rechtswege) haar rechtmatige verblijf op grond van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst (SUO) heeft doen eindigen.

Het bezwaar heeft dan ook een redelijke kans van slagen, aldus verzoekster.

3. Verweerder heeft betoogd dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft, omdat verlenging van de geldigheidsduur van een visum slechts aan de orde is indien sprake is van een onvoorziene wijziging van omstandigheden sedert de binnenkomst. Daarvan is niet gebleken.

De beoordeling

4. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

5. Ingevolge het bepaalde in artikel 72, tweede lid, van de Vw 2000, wordt een beschikking omtrent de afgifte van een visum voor wat betreft de toepassing van rechtsmiddelen gelijkgesteld met een beschikking 'regulier' als bedoeld in de Vw 2000.

6. Verweerder heeft verzoekster medegedeeld dat zij Nederland onmiddellijk uit eigen beweging dient te verlaten, bij gebreke waarvan zij kan worden uitgezet. Verzoekster heeft derhalve een spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.

7. Gebleken is dat tegen de annulering van het visum geen afzonderlijk rechtsmiddel is aangewend. Uit het bezwaarschrift is daarnaast niet af te leiden dat daarmee mede is beoogd op te komen tegen die annulering. Derhalve is slechts in geschil of verzoeksters bezwaar tegen de weigering van verlenging van de geldigheidsduur van haar reisvisum een redelijke kans van slagen heeft. De toetsing in rechte is dan ook daartoe beperkt.

8. Het betoog van verzoekster, dat het besluit tot weigering van verlenging niet met zich brengt dat haar rechtmatige verblijf op grond van de SUO is geëindigd, ziet op de rechtmatigheid van de annulering van haar visum en niet op de rechtmatigheid van de weigering van verlenging van de geldigheidsuur daarvan. Gelet op hetgeen onder punt 7 is overwogen gaat de rechter daaraan derhalve voorbij.

9. Blijkens paragraaf A2/7.6.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 voert verweerder, voor zover in onderhavige zaak aan de orde, het beleid dat de geldigheidsduur van reisvisa slechts wordt verlengd indien:

"2 De vreemdeling kan aantonen dat hij er om bijzondere redenen belang bij heeft langer in het Schengen-gebied te verblijven dan de duur waarvoor het oorspronkelijke visum geldig was. Zulke bijzondere omstandigheden kunnen bijvoorbeeld gelegen zijn in onvoorziene wijziging in de omstandigheden sinds de binnenkomst. Een aanvraag tot visumverlenging moet voldoende gemotiveerd zijn en in het bijzonder gebaseerd zijn op overmacht, humanitaire, ernstige beroepsmatige of persoonlijke redenen. Het gevolg van een verlenging mag in ieder geval niet zijn dat het visum voor een oneigenlijk doel wordt gebruikt;

3 De duur van de visumverlenging en de duur waarvoor het oorspronkelijke visum verblijf toestond, mogen samen niet meer dan drie maanden bedragen. Binnen Schengen is een verdergaande verlenging van het eenvormige visum niet mogelijk;"

Voorts is daar het volgende bepaald. "In geval van een nationale verlenging van de geldigheidsduur van het visum, waarbij de geldigheid van het visum wordt gelimiteerd tot de Benelux, kan de geldigheidsduur van een visum, indien zeer bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, worden verlengd tot ten hoogste zes maanden te rekenen vanaf het moment van binnenkomst. Deze zeer bijzondere omstandigheden moeten in ieder geval gebaseerd zijn op overmacht of op strikt humanitaire redenen."

10. De rechter constateert dat de bijzondere omstandigheden die verzoekster aan haar aanvraag ten grondslag heeft gelegd, alsmede die waarop zij zich in bezwaar heeft beroepen, niet zijn gelegen in haar persoon, maar betrekking hebben op de situatie in het gezin van haar tante.

Verzoekster heeft gelet daarop niet aangetoond dat zij er om bijzondere redenen belang bij heeft langer in het Schengen-gebied te verblijven dan de duur waarvoor het oorspronkelijke visum geldig was. De rechter is van oordeel dat haar bezwaar reeds hierom geen kans van slagen heeft. Het verzoek zal derhalve worden afgewezen.

11. Indien een verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan teneinde uitzetting te voorkomen voordat is beslist op het bezwaar of het administratief beroep, dat is gericht tegen de beschikking tot afwijzing van de aanvraag of intrekking van de verblijfsvergunning, beslist de voorzieningenrechter zoveel mogelijk tevens over dat bezwaar of administratief beroep. (Artikel 78 Vw 2000.)

12. Gelet op het bepaalde in artikel 72, tweede lid, van de Vw 2000, dient onder de zinsnede "van de verblijfsvergunning" in voornoemde bepaling mede "van het visum" te worden begrepen.

13. Na het onderzoek ter zitting is de rechter tot het oordeel gekomen dat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat het bezwaar van verzoekster ongegrond is. Derhalve bestaat aanleiding om tevens over het bezwaar te beslissen.

14. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht of veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek af;

verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.M. van Hoof en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2002 in tegenwoordigheid van mr. L.M. van den Berg als griffier.

de griffier de voorzieningenrechter

Afschrift verzonden: 28 juni 2002