Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6569

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
16-08-2002
Zaaknummer
AWB 02/53916
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2002:AE9037
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / politiecel / belangenafweging.

Ten tijde van de toetsing van de bewaring was eiser elf dagen in een politiecel ondergebracht. Verweerder heeft aangegeven dat overschrijding van de tiendagentermijn in het licht van de jurisprudentie van de ABRS, 19 juni 2002, nr. 200202752/1 niet tot opheffing van de bewaring hoeft te leiden. De rechtbank is van oordeel dat een, mede in het licht van een sinds 1994 bestendige lijn in de jurisprudentie, (niet onderbouwde) verwijzing naar (bovengenoemde) jurisprudentie van de ABRS niet kan leiden tot voortzetting van de bewaring. Bij de beantwoording van de vraag of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de bewaring in een huis van bewaring "redelijkerwijs mogelijk" is, dienen de beschikbare capaciteit in de desbetreffende inrichtingen alsmede de prioriteitstelling bij de verdeling van de beschikbare plaatsen betrokken te worden bezien in het licht van de mogelijkheid tot uitzetting. In de vereiste afweging tussen capaciteit en prioriteit zal verweerder een afweging dienen te maken tussen de belangen van de vreemdeling en die van de staatssecretaris van Justitie, waarbij in ieder geval het uiterst sobere regime in een politiecel en de op handen zijnde uitzetting worden betrokken. De rechtbank verstaat deze, aan de Nota van Toelichting ontleende, woorden aldus dat de uitzetting op zeer korte termijn zal kunnen worden gerealiseerd. Nu eiser eerst op 13 augustus 2002 zal worden uitgezet, kan niet worden gesteld dat de uitzetting op handen is. De rechtbank wijst in dit verband tevens op hoofdstuk A5/5.3.6.1 Vc 2000. De rechtbank heeft de vereiste belangenafweging niet aangetroffen. De maatregel dient derhalve te worden opgeheven. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000 5.4, geldigheid: 2002-07-24
Vreemdelingenwet 2000 59, geldigheid: 2002-07-24
Vreemdelingenwet 2000 94, geldigheid: 2002-07-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/S370

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: Awb 02/53916

UITSPRAAK

op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000, toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd, althans zich noemende:

A,

geboren op [...] 1971,

van Albanese nationaliteit,

dossiernummer: 0207.11.8059,

eiser,

gemachtigde: mr. R. Bosma, advocaat te Assen.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1 De Staatssecretaris van Justitie, hierna verweerder, heeft op 11 juli 2002 aan eiser, die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, met het oog op de uitzetting de maatregel van bewaring opgelegd nu de openbare orde zulks vordert (artikel 59, eerste lid en onder a, Vw 2000).

1.2 Verweerder heeft op 15 juli 2002 de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, Vw 2000 in kennis gesteld van het opleggen van de maatregel van bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.

1.3 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser doorgestuurd en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

1.4 Het beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van de rechtbank van 22 juli 2002. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. Voor verweerder is als gemachtigde verschenen dhr. P. van Dam.

2. Rechtsoverwegingen

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in overeenstemming is met de wet en of deze in redelijkheid bij afweging van alle daarbij betrokken belangen gerechtvaardigd is.

2.2 Eiser heeft de rechtbank verzocht de opheffing van de maatregel te bevelen en schadevergoeding toe te kennen.

2.3 Verweerder heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

2.4 Eiser heeft in verband met een strafrechtelijke veroordeling van 4 maanden onvoorwaardelijk in Bankenbosch te Veenhuizen gedetineerd gezeten. Eiser is, voordat hij op 12 juli 2002 om 08:00 uur uit zijn detentie zou worden ontslagen, op 11 juli 2001 gelicht en overgebracht naar het bureau van regiopolitie Groningen. Op 11 juli 2002 is eiser om 09:50 uur in het kader van zijn inbewaringstelling ex artikel 5.2 Vreemdelingenbesluit 2000 gehoord, waarna aan hem om 10:10 uur de maatregel van bewaring is opgelegd.

2.5 De gemachtigde van eiser heeft ter zitting aangevoerd dat verweerder onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser heeft gewerkt door pas aan het einde van zijn detentie, op 2 juli 2002, een vlucht naar Pristina te boeken.

2.6 De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser heeft gewerkt. Weliswaar dient voorkomen te worden dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring gesteld moeten worden. Dit zal echter niet altijd voorkomen kunnen worden. De Vreemdelingencirculaire (A5/5.3.7.1) behelst op dit onderdeel geen waarborg maar een inspanningsverplichting. De omstandigheid dat voor eiser wegens vakantiedrukte eerst op 13 augustus 2002 een vlucht kon worden geboekt betekent naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet dat met onvoldoende voortvarendheid aan de uitzetting van eiser is gewerkt.

2.7 Tevens heeft de gemachtigde van eiser ter zitting aangevoerd dat eiser niet tijdig is overgebracht naar een huis van bewaring. Nu eiser meer dan tien dagen op het politiebureau heeft gezeten, moet de maatregel van bewaring als onrechtmatig worden beschouwd.

2.8 Ingevolge 5.4, eerste lid, Vb 2000 wordt, voor zover hier van belang, de bewaring ten uitvoer gelegd op een politiebureau of in een huis van bewaring. Ingevolge het tweede lid van deze bepaling wordt de tenuitvoerlegging van de bewaring, indien deze een aanvang neemt op een politiebureau, zodra dit redelijkerwijs mogelijk is, voortgezet in een huis van bewaring.

Art. 5.4, tweede lid, Vb 2000 is vrijwel gelijkluidend aan artikel 84, tweede lid, Vb (oud). Zoals bij de Nota van Toelichting bij die bepaling is vermeld, verwijst dit criterium "redelijkerwijs mogelijk" mede naar de beschikbare capaciteit in de desbetreffende inrichtingen, alsmede op de prioriteitstelling die bij de verdeling daarvan dient te worden gehanteerd. Er moet plaats zijn voor de tenuitvoerlegging elders. Zo niet, dan zal de tenuitvoerlegging op het politiebureau kunnen voortduren, teneinde een op handen zijnde uitzetting te kunnen finaliseren (Nota van Toelichting bij het Besluit van 30 december 1993, houdende wijziging van het vreemdelingenbesluit, Stb 1994, 8, p. 21). Blijkens de Nota van toelichting bij het Vb 2000 is met artikel 5.4 aangesloten bij voormeld artikel 84.

2.9 De rechtbank stelt vast dat eiser ten tijde van de toetsing van de bewaring door de rechtbank reeds elf dagen in een politiecel was ondergebracht. Desgevraagd werd door verweerder verklaard dat eiser wegens plaatsgebrek niet in een huis van bewaring kon worden geplaatst maar dat overschrijding van de 10 dagen-termijn in het licht van de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS 19 juni 2002, nr. 200202752/1) niet tot opheffing van de bewaring hoeft te leiden.

2.10 Naar het oordeel van de rechtbank kan een, mede in het licht van een sinds 1994 bestendige lijn in de jurisprudentie, (niet onderbouwde) verwijzing naar (bovengenoemde) jurisprudentie van de ABRvS niet leiden tot voortzetting van de bewaring. De rechtbank acht daartoe redengevend dat bij de beantwoording van de vraag of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de bewaring in een huis van bewaring redelijkerwijs mogelijk is, de beschikbare capaciteit in de desbetreffende inrichtingen alsmede de prioriteitstelling bij de verdeling van de beschikbare plaatsen betrokken dienen te worden bezien in het licht van de mogelijkheid tot uitzetting. In de vereiste afweging tussen capaciteit en prioriteit zal verweerder een afweging dienen te maken tussen de belangen van de vreemdeling en die van de Staatssecretaris van Justitie, waarbij in ieder geval het uiterst sobere regime in een politiecel en de op handen zijnde uitzetting worden betrokken. De rechtbank verstaat deze, aan de Nota van Toelichting (zie boven) ontleende, woorden aldus dat de uitzetting op zeer korte termijn zal kunnen worden gerealiseerd. Nu eiser eerst op 13 augustus 2002 zal worden uitgezet, kan niet worden gesteld dat de uitzetting op handen is. De rechtbank wijst in dit verband tevens op het bepaalde in de Vreemdelingencirculaire (A5/5.3.6.1.): "Indien de uitzetting op korte termijn (binnen enkele dagen) kan plaatsvinden, kan van overbrenging naar een justiële inrichting of een inrichting waar een gepriviligeerd regime geldt, worden afgezien".

2.11 De rechtbank heeft deze vereiste belangenafweging niet aangetroffen. Nu eiser uiterlijk op 21 juli 2002 overgeplaatst had moeten worden en verweerder verzuimd heeft dit te doen, is de maatregel met ingang van die datum onrechtmatig geworden. De maatregel dient derhalve te worden opgeheven.

2.12 Gezien het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding voor het toekennen van schadevergoeding aan eiser voor de dagen die hij vanaf 21 juli 2002 ten onrechte in bewaring heeft doorgebracht. Eiser komt een bedrag toe van 2 x € 95,- voor de ten onrechte op het politiebureau doorgebrachte dagen. In totaal wordt aan eiser een bedrag van € 190,- toegekend.

2.13 Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat thans aanleiding. Het bedrag van de te vergoeden proceskosten moet naar het oordeel van de rechtbank worden bepaald op € 322,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting).

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt te opheffing van de maatregel van bewaring per 23 juli 2002;

- kent ten laste van de Staat der Nederlanden aan eiseres een vergoeding toe van € 190,- (zegge: honderdnegentig Euro).

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 322,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. M.M. Beije en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. C.H. Beuker als griffier op 24 juli 2002.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC te 's-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht, één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 25 juli 2002

Beslissing tot tenuitvoerlegging

Registratienummer: Awb 02/53916

De voorzitter van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 190,-- (zegge: honderdnegentig Euro).

Aldus gedaan door mr. M.M. Beije, fungerend voorzitter, op 24 juli 2002.