Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6560

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-06-2002
Datum publicatie
16-08-2002
Zaaknummer
AWB 02/45153 COA
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opvang / herhaalde aanvraag / ontvankelijkheid.

Verzoekers, afkomstig uit Turkije, hebben een tweede asielaanvraag ingediend. Evenals de eerste aanvraag is deze aanvraag afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid. Op de derde, telefonische asielaanvraag en het verzoek om opvang volgt een afspraak voor vier weken later in het AC. Eén dag na deze aanvraag meldt het COA dat wordt overgegaan tot ontruiming van de woonruimte naar aanleiding van de uitspraak in de vorige asielprocedure.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid overweegt de rechtbank dat gelet op hoofdstuk C5/20 Vc 2000 de IND het COA op de hoogte dient te stellen van de herhaalde aanvraag. Verzoekers hebben uit het voornemen tot ontruiming redelijkerwijs kunnen afleiden dat het COA negatief had beslist over de opvang tijdens deze herhaalde asielaanvraag. Het verzoek is ontvankelijk.

In hoofdstuk C5/20 Vc 2000 is bepaald dat wanneer indieners van een herhaalde aanvraag in zeer schrijnende omstandigheden verkeren, de IND het COA hiervan op de hoogte stelt en zal adviseren opvang te bieden. Van zeer schrijnende omstandigheden is in elk geval sprake bij gezinnen met een of meer kinderen jonger dan één jaar. In casu is dat het geval. Het COA volgt altijd het advies van de IND. In casu kan de IND niet anders adviseren dan opvang te verlenen. Toewijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:10, geldigheid: 2002-06-21
Vreemdelingenwet 2000 45, geldigheid: 2002-06-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te ‘s-Gravenhage

nevenzittingsplaats Alkmaar

voorzieningenrechter

Proces-verbaal van de mondelinge

Uitspraak

zoals uitgesproken op 21 juni 2002

op grond van artikel 8:67, 8:70 en 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 02/45153 COA

inzake: A en B, respectievelijk geboren op[...] 1971 en op [...] 1969, van Turkse nationaliteit, wonenden te C, verzoekers,

gemachtigde: mr. A. van Driel, advocaat te Alkmaar,

tegen: het Bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), verweerder,

gemachtigde: mr. J.T.E. Peters, werkzaam bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers.

I. PROCESVERLOOP

1. Verzoekers hebben – mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen – een eerste asielaanvraag ingediend op 29 oktober 1999 en een tweede asielaanvraag op 16 juli 2000. Beide asielaanvragen zijn door de Staatssecretaris van Justitie, namens de Immigratie- en Naturalisatiedienst wegens niet-ontvankelijkheid afgewezen. Hiertegen hebben eisers bezwaarschriften en verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraken van 1 mei 2000 en van 10 juli 2001 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, met toepassing van artikel 33b Vw 1965 de verzoeken om een voorlopige voorziening afgewezen, waarbij tevens de bezwaarschriften ongegrond zijn verklaard.

2. Op 22 februari 2002 hebben verzoekers een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000. Ook deze aanvraag is niet ingewilligd. Bij verzoekschrift van 15 maart 2002 hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat verweerder zich dient te onthouden van verwijdering van verzoekers, zolang niet onherroepelijk is beslist op het bezwaar. Deze rechtbank en nevenzittingsplaats heeft op 10 juni 2002 het dictum – toewijzing van de voorlopige voorziening – aan de gemachtigde van verzoekers doorgegeven. Een schriftelijke uitspraak was ten tijde van de zitting van 14 juni 2002 nog niet bekend.

3. Op 6 juni 2002 hebben verzoekers bij de IND telefonisch een derde asielaanvraag ingediend. Dit blijkt zowel uit de brief van 11 juni 2002 van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aan de Korpschef van de regio Noord Holland Noord als uit de brief van mr. A. van Driel van 13 juni 2002 aan diezelfde Korpschef. Blijkens voornoemde brief van mr. A. van Driel is tevens verzocht opvang te verlenen aan verzoekers. Gebleken is dat naar aanleiding van het telefonische verzoek tot een nieuwe asielaanvraag en tot het verlenen van opvang verzoekers zich op 2 juli 2002 in het Aanmeldcentrum te Zevenaar dienen te melden.

4. Bij brief van 7 juni 2002 heeft het COA aan verzoekers medegedeeld dat hun recht op opvang is beëindigd en dat op korte termijn zou worden overgegaan tot ontruiming van hun woonruimte. Uit diezelfde brief blijkt eveneens dat een minderjarige kind, D, tot het gezin van verzoekers behoort. Dit kind is geboren op [...] 2002 en is derhalve nog geen drie maanden oud.

5. Verzoekers hebben op 12 juni 2002 tegen de brief van het COA van 7 juni 2002 bezwaar ingediend. Op diezelfde datum is tevens een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening die ertoe strekt ontruiming van de woonruimte te verbieden zolang niet is beslist op het bezwaar tegen de beslissing verzoekers geen opvangvoorziening meer te bieden.

6. De voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats heeft op 12 juni 2002 een verbod uitgevaardigd tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers tot de uitspraak op het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening.

7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2002. Verzoekers zijn niet ter zitting verschenen en werden vertegenwoordigd door mr. A. van Driel. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

8. Op diezelfde datum is het onderzoek gesloten en de mondelinge uitspraak door de voorzieningenrechter verdaagd tot heden.

II. ONTVANKELJKHEID

1. Verweerder heeft het bezwaarschrift van 12 juni 2002 – gelet op het bepaalde in artikel 3a Wet COA – aangemerkt als een beroepschrift. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is. Het verzoekschrift is connex aan een beroep dat zich richt tegen een niet-bestaand besluit. De uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle van 10 juli 2001 vormt immers een meeromvattende beschikking waaraan de rechtsgevolgen worden verbonden als vermeld in artikel 45, eerste lid, onder c, Vw 2000. Nu er sprake is van een meeromvattende beschikking kan en mag het COA géén besluit tot beëindiging van de opvangvoorzieningen opstellen en uitreiken. Dat betekent dat op 7 juni 2002 geen besluit is genomen en dat verzoekers niet-ontvankelijk zijn in hun beroep en verzoek.

2. In paragraaf C5/20.2 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is – voor zover van belang – als beleid bepaald dat voor het indienen van een herhaalde asielaanvraag vooraf een afspraak wordt gemaakt met de vreemdeling. Een vreemdeling die een herhaalde asielaanvraag wil indienen, kan dit uitsluitend vooraf telefonisch melden. Het COA en de vreemdelingendienst van de (laatste) verblijfplaats van de betrokken vreemdeling worden in kennis gesteld van de aanmelding.

3. Ingevolge het beleid neergelegd in paragraaf C5/20.4.1 Vc geeft indiening van een tweede of volgende asielaanvraag geen (hernieuwd) recht op opvang. Uitzondering op deze regel bestaat – voor zover van belang – wanneer de vreemdeling in zeer schrijnende humanitaire omstandigheden verkeert. Van zeer schrijnende humanitaire omstandigheden is ingevolge C5/20.4.3 onder b Vc in ieder geval sprake bij gezinnen met één of meer kinderen beneden de leeftijd van een jaar. In C5/20.4.3 Vc is tevens bepaald dat wanneer indieners van een herhaalde asielaanvraag naar het oordeel van de IND in zeer schrijnende humanitaire omstandigheden verkeren, de IND het COA hiervan in kennis zal stellen en zal adviseren om toch opvang te bieden.

4. Nu verweerder bevoegd is te beslissen over de verlening van opvang tijdens een herhaalde asielaanvraag en nu blijkens het gestelde in genoemde paragrafen van de Vc de IND het COA in kennis dient te stellen van de aanmelding voor een herhaalde asielaanvraag, de IND het COA adviseert over het al dan niet verlenen van opvangvoorzieningen tijdens een dergelijk aanvraag en gebleken is dat met betrekking tot het verzoek om opvang van 6 juni 2002 niet anders naar verzoekers toe is gereageerd dan met de brief van 7 juni 2002, hebben verzoekers zich redelijkerwijs op het standpunt mogen stellen dat het COA op 7 juni 2002 negatief heeft beslist op hun verzoek om opvang.

5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met toepassing van artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder b, Awb de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege dient te blijven. Ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift was het besluit om verzoekers al dan niet opvang te verlenen weliswaar nog niet tot stand gekomen, maar gelet op bovenvermeld feitencomplex konden verzoekers redelijkerwijs menen dat dit wel reeds het geval was.

6. Dat de gemachtigde van verzoekers het bezwaarschrift aan de IND heeft verzonden, terwijl tegen besluiten van het COA alleen beroep bij de rechtbank openstaat, doet aan de ontvankelijkheid niet af. Artikel 6:15 Awb bepaalt immers dat in een dergelijk geval op de ontvanger van het bezwaarschrift een doorzendplicht rust. Het verzoek om een voorlopige voorziening is derhalve connex aan dat beroep en mitsdien ontvankelijk.

7. De vraag of de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle van 10 juli 2001 een meeromvattende beschikking is, is gelet op het bovenstaande in dit geval niet relevant.

III. OP HET VERZOEK

1. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het verzoek moet worden toegewezen indien het belang van verzoeker bij de gevraagde voorziening zwaarder dient te wegen dan verweerders belang bij onmiddellijke uitvoering van zijn besluit. De gevraagde voorziening strekt er toe de ontruiming van de woonplaats van verzoekers te verbieden en hen opvang te bieden totdat beslist is op het bezwaar.

2. In C5/20.4.3 Vc is – voor zover van belang en zoals reeds opgemerkt– bepaald dat wanneer indieners van een herhaalde asielaanvraag naar het oordeel van de IND in zeer schrijnende humanitaire omstandigheden verkeren, de IND het COA hiervan in kennis zal stellen en zal adviseren om toch opvang te bieden. Van zeer schrijnende humanitaire omstandigheden is in ieder geval sprake bij gezinnen met één of meer kinderen beneden de leeftijd van een jaar. Verweerder beslist altijd overeenkomstig het advies van de IND.

3. Verweerder heeft betoogd dat verzoekers nog geen aanvraag hebben ingediend en er nog slechts sprake is van een afspraak bij het Aanmeldcentrum in Zevenaar op 2 juli 2002. Om die reden zou nog niet kunnen worden beslist op het verzoek om opvang. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers conform het beleid in de Vc zich op 6 juni 2002 telefonisch hebben aangemeld voor een derde asielaanvraag. Dat de herhaalde asielaanvraag door de IND eerst op 2 juli 2002 in behandeling kan worden genomen, mag, gelet op de betrokken belangen, niet voor rekening van verzoekers komen. Reeds daarom behoeft de vraag of het oordeel van verweerder over de vraag of een aanvraag al dan niet is ingediend bij een ander bestuursorgaan geen beantwoording.

4. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal de IND, nu verzoekers een kind hebben van nog geen drie maanden, overeenkomstig zijn beleid niet anders kunnen adviseren dan dat er sprake is van zeer schrijnende humanitaire omstandigheden. Verweerder zal naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook met betrekking tot de opvang niet anders dan positief kunnen beslissen.

5. Op grond van het voorgaande zal, gelet op de betrokken belangen, worden beslist zoals in het dictum van deze uitspraak is bepaald.

IV. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

1. wijst, gelet op de betrokken belangen, het verzoek toe;

2. gebiedt verweerder verzoekers opvangvoorzieningen te bieden tot in ieder geval op 2 juli 2002 of de dag van de schriftelijke indiening van de herhaalde asielaanvraag en nadien overeenkomstig het beleid zoals neergelegd in hoofdstuk C5/20 Vc;

3. bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan verzoekers het griffierecht ad € 109,- (zegge: honderd en negen) vergoedt;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 322,- (zegge: driehonderd en twee en twintig) te betalen door de Staat der Nederlanden aan verzoekers.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

mr. N. El Mourabiti, griffier O.L.H.W.I Korte, rechter

afschrift verzonden op:25 juni 2002

Conc.: NEM

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.