Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6557

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-07-2002
Datum publicatie
16-08-2002
Zaaknummer
AWB 01/21174 BEPTDN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Driejarenbeleid / voorwaarden / onmiddellijkheidsbeginsel.

Eiser heeft een verblijfsvergunning aangevraagd met als doel arbeid in loondienst. Eiser is niet in het bezit van een tewerkstellingsvergunning. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers aanspraken op een verblijfsvergunning als gevolg van de driejarentermijn op grond van het onmiddellijkheidsbeginsel naar nieuw recht moeten worden beoordeeld.

De rechtbank oordeelt dat eiser onder het nieuwe recht niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid, omdat hij niet in het bezit is van een tewerkstellingsvergunning. Thans dient te worden beoordeeld of het beleid zoals neergelegd in de Vc-1994 gunstiger is. In het oude beleid wordt het vereiste van de tewerkstellingsvergunning niet met zoveel woorden gesteld. Verweerder heeft hierover onduidelijkheid laten bestaan. In de betrokken paragraaf worden voorbeelden gegeven van wat als belangrijkste voorwaarde moet worden aangemerkt. In het licht van deze voorbeelden valt zonder nadere redengeving niet in te zien dat bij een vtv arbeid in loondienst arbeid niet als belangrijkste voorwaarde moet worden gezien. Tussen partijen staat vast dat eiser aan deze voorwaarde voldoet. De hiervoor bedoelde onduidelijkheid mag niet tot nadeel van eiser strekken. Verweerder had het ontbreken van de tewerkstellingsvergunning niet zonder nadere motivering als contra-indicatie tegen het verlenen van de verblijfsvergunning mogen hanteren. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000 3.31, geldigheid: 2002-07-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 01/21174 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...] 1961, van Indonesische nationaliteit, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. J.A.W. Enoch, advocaat te Utrecht,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Voorn, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 24 oktober 1997 heeft eiser bij de korpschef van de regiopolitie te Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel "het verrichten van arbeid in loondienst". Bij besluit van 14 mei 1998 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij bezwaarschrift van 28 juni 1999 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 19 juli 1999. Het bezwaar is bij besluit van 26 oktober 1999 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 15 november 1999 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 22 februari 2001 (AWB 99/12110) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het beroep gegrond verklaard.

3. Met inachtneming van deze uitspraak heeft verweerder bij besluit van 27 april 2001 eisers bezwaar ongegrond verklaard. Bij beroepschrift van 20 mei 2001 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 14 juni 2001. Op 13 juli 2001 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 14 februari 2002 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2002. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. FEITEN

De Algemene Directie Arbeidsvoorzieningen (ADA) heeft op 7 december 1999 de aanvraag van eisers werkgever om verlening van een tewerkstellingsvergunning ten behoeve van eiser afgewezen. Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen ingesteld.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Het besluit in primo dateert van voor 1 april 2001, zodat conform het tweede lid van artikel 118 van de Vw 2000 voor wat betreft de procedureregels de Vw 1965 en aanverwante regelingen van toepassing zijn. Gelet op de Memorie van Toelichting bij dit artikel wordt echter het nieuwe materiële recht toegepast, aangezien in bezwaar ex nunc wordt getoetst.

Op grond van het beleid neergelegd in artikel 3.31 van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan een vergunning tot verblijf regulier voor bepaalde tijd onder de beperking arbeid in loondienst worden verleend aan een vreemdeling die in Nederland arbeid in loondienst verricht of gaat verrichten en aan wie een tewerkstellingsvergunning is verleend. Nu eiser niet in het bezit is van een tewerkstellingsvergunning is aan hem geen verblijfsvergunning verleend.

Ingevolge hoofdstuk B1/2.2.11 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 komt een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid niet in aanmerking voor inwilliging, indien sprake is van afwijzingsgronden zoals vermeld in artikel 16 van de Vw. In de onderhavige zaak is sprake van een dergelijke afwijzingsgrond nu eiser niet in het bezit is van een tewerkstellingsvergunning.

Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die tot afwijking van het terzake gevoerde beleid nopen.

In het verweerschrift is nog het volgende aangevoerd. Eisers beroep op het driejarenbeleid moet aan de nieuwe Vreemdelingenwet worden getoetst, aangezien het onmiddellijkheidsbeginsel van toepassing is. Hieruit volgt dat eiser moet voldoen aan de belangrijkste voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning, hetgeen niet het geval is. Dat eiser geen rechtsmiddel heeft ingesteld tegen de afwijzende beschikking voor het verkrijgen van een tewerkstellingsvergunning, komt voor zijn eigen rekening en risico.

Eiser zou ook onder het driejarenbeleid zoals neergelegd in de Vc 1994 om dezelfde redenen als thans niet aan de daarin gestelde voorwaarden hebben voldaan. In hoofdstuk A4/6.22.3 van de Vc 1994 is namelijk neergelegd dat bij drie jaar relevant tijdsverloop in reguliere zaken vrijstelling werd verleend aan bepaalde, maar niet aan de belangrijkste voorwaarden voor toelating.

2. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de gevraagde verblijfsvergunning heeft geweigerd. Bij verschil in materieel beleid onder het oude en nieuwe recht dient het meest gunstige recht voor de belanghebbende te worden toegepast.

Eiser heeft geen tewerkstellingsvergunning verkregen omdat zijn werkgever heeft nagelaten tegen de beschikking waarin de aanvraag om een tewerkstellingsvergunning is afgewezen, enig rechtsmiddel in te stellen. Eiser is in Thailand opgeleid als kok en gespecialiseerd in de Thaise keuken en het Gewestelijk Arbeidsbureau kan de vacature voor kok bij eisers werkgever niet opvullen.

Op grond van het driejarenbeleid kan niet wegens een geweigerde tewerkstellingsvergunning een vergunning tot verblijf (vtv) arbeid in loondienst worden geweigerd.

Er is sprake van bijzondere omstandigheden, aangezien eiser meer dan drie jaar in een Thais restaurant werkt en in Nederland zijn bestaan heeft opgebouwd. Eiser heeft in Nederland vrienden, zodat terugkeer naar Indonesië, waar hij geen familie meer heeft, van onevenredige hardheid zou getuigen.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Ingevolge artikel 3.31 van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt een vtv onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst verleend aan de vreemdeling die in Nederland arbeid verricht of gaat verrichten en waarvoor een tewerkstellingsvergunning is afgegeven. Op grond van artikel 16, eerste lid, onder f, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien -voor zover hier van belang- de vreemdeling voor een werkgever arbeid verricht, zonder dat aan de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) is voldaan. Artikel 2 van de Wav bepaalt dat het een werkgever verboden is een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

3. De rechtbank overweegt dat niet is betwist dat aan eisers werkgever geen tewerkstellingsvergunning ten behoeve van eiser is verleend. Dit betekent dat eiser onder het nieuwe recht niet in aanmerking komt voor een vtv onder de beperking "arbeid in loondienst". De stelling van eiser dat het oude recht voor hem gunstiger is en derhalve moet worden toegepast, faalt. In de Vc 1994 heeft verweerder het bezit van de vergunning als vereiste opgenomen zodat eiser hieraan geen aanspraken kan ontlenen.

4. De rechtbank is van oordeel dat aan eiser evenmin op grond van het nieuwe recht een vtv op grond van het driejarenbeleid kan worden verleend, omdat er sprake is van de contra-indicatie dat er geen tewerkstellingsvergunning is verleend ten behoeve van eiser.

5. Thans dient beoordeeld te worden of het driejarenbeleid, neergelegd in Vc 1994, gunstiger is voor eiser dan het nieuwe beleid. Verweerder stelt dat een vreemdeling volgens het oude beleid voor een vtv op grond van het driejarenbeleid in aanmerking komt, als hij voldoet aan de belangrijkste voorwaarde voor het verlenen van een vtv. Volgens verweerder is de belangrijkste voorwaarde in de onderhavige zaak de tewerkstellingsvergunning, zodat het nieuwe beleid geen wijziging maar een verduidelijking van het oude beleid inhoudt. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze interpretatie van het oude recht niet worden aanvaard. In het oude beleid wordt het vereiste van de tewerkstellingsvergunning niet met zoveel woorden gesteld zodat verweerder hierover onduidelijkheid heeft laten bestaan. De rechtbank overweegt daartoe dat in de betrokken paragraaf voorbeelden worden gegeven van wat als belangrijkste voorwaarde moet worden aangemerkt. Er is voldaan aan de belangrijkste voorwaarde bij huwelijk of verblijf bij partner als er sprake is van samenwoning en van dezelfde echtgenoot of partner als ten tijde van de oorspronkelijke aanvraag en bij studie als de vreemdeling studeert aan een erkende onderwijsinstelling. In het licht van deze voorbeelden valt zonder nadere redengeving niet in te zien dat bij een vtv arbeid in loondienst arbeid niet als belangrijkste voorwaarde moet worden gezien. Tussen partijen staat vast dat eiser aan deze voorwaarde voldoet. De hiervoor bedoelde onduidelijkheid mag niet tot nadeel van eiser strekken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het ontbreken van de tewerkstellingsvergunning niet zonder nadere motivering als contra-indicatie tegen het verlenen van de verblijfsvergunning had mogen hanteren.

6. Het bestreden besluit kan op grond van het bovenstaande niet in stand blijven en dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. Het beroep wordt derhalve gegrond verklaard. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar moeten beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

7. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 644 ,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

8. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644 ,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan eiser;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door

eiser betaalde griffierecht ad € 102,10,-- (zegge: honderdtwee euro en tien eurocent).

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2002, door mr. F. Salomon, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Nicolai, griffier.

Afschrift verzonden op: 11 juli 2002

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.