Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6552

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-01-2002
Datum publicatie
16-08-2002
Zaaknummer
AWB 00/6511
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sierra Leone / categoriale bescherming.

Eiser, afkomstig uit Sierra Leone, heeft een vtv op grond van artikel 29, onder d, Vw 2000. Hij stelt zich op het standpunt dat hij voor 1 april 2001 in aanmerking kwam voor een vtv zonder beperkingen op grond van tijdsverloop. Indien het beroep van eiser op dit punt gegrond verklaard wordt, zou deze vergunning, gelet op artikel 115 Vw 2000, met ingang van 1 april 2001 worden omgezet naar een vtv voor onbepaalde tijd. De rechtbank is van oordeel dat eiser belang heeft bij onderhavige procedure nu hij slechts in het bezit is van een vtv voor bepaalde tijd en het niet uitgesloten is dat hij in aanmerking komt voor een vtv voor onbepaalde tijd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder redelijkerwijs op 3 januari 2000 kon overgaan tot beëindiging van het vvtv-beleid en ten tijde van het bestreden besluit, 8 mei 2000, in redelijkheid zijn beslissing kon handhaven om eisers aanvraag om verlenging van de vvtv af te wijzen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29, geldigheid: 2002-01-10
Vreemdelingenwet 2000 115, geldigheid: 2002-01-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Zwolle

Vreemdelingenkamer

regnr.: Awb /6511 VRWET Z VR

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1963,

verblijvende te B,

van Sierraleoonse nationaliteit,

IND dossiernummer 9507.08.4013,

eiser,

gemachtigde: mr. M.C. Zuidweg, advocaat te Delft;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: M. van Driel, advocaat te 's-Gravenhage.

1 PROCESVERLOOP

1.1 Op 17 juni 1997 heeft eiser een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) ingediend. Deze vergunning was bij beschikking van 16 augustus 1996 met ingang van 10 juli 1995 tot 10 juli 1996 onder gelijktijdige verlenging tot 10 juli 1997 verleend.

Bij beschikking van 27 juni 1997 heeft verweerder de aanvraag om verlenging niet ingewilligd.

1.1 Eiser heeft daartegen bij brief van 30 juli 1997 bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 8 mei 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.2 Bij beroepschrift van 31 mei 2000 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking.

1.3 De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 27 november 2001. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 OVERWEGINGEN

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in werking getreden en is de Vreemdelingenwet (Vw) ingetrokken. De bestreden beschikking is bekendgemaakt vóór de inwerkingtreding van deze wet. Derhalve toetst de rechtbank de rechtmatigheid van de beschikking aan de bepalingen van de Vw.

Met betrekking tot het procedurele recht overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 119 Vw 2000 beperkt de toepassing van het recht dat gold vóór invoering van deze wet uitsluitend tot de mogelijkheid om beroep in te stellen, het griffierecht en de schorsende werking, zodat voor het overige het nieuwe recht van toepassing is. De rechtbank dient dus met ingang van 1 april 2001 bij de beoordeling van het beroep toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 83 Vw 2000 en rekening te houden met feiten en omstandigheden die na het nemen van de bestreden beschikking zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

2.2 Op grond van artikel 11, vijfde lid, Vw kan de verlenging van de geldigheidsduur van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv), geweigerd worden op gronden aan het algemeen belang ontleend.

2.3 Verweerder heeft, gelet op het gewijzigde beleid ten aanzien van Sierra Leone, geweigerd de geldigheidsduur van de aan eiser verleende vvtv te verlengen. Bij brief van 3 januari 2000 (19637,nr. 490) heeft verweerder de voorzitter van de Tweede Kamer meegedeeld dat gedwongen terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers afkomstig uit Sierra Leone hervat kan worden. Het uitstel tot vertrek beleid is met ingang van 3 januari 2000 opgeheven.

In de beslissing in primo heeft verweerder verwezen naar een brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 18 oktober 1996 waarin wordt meegedeeld dat asielzoekers met de Sierraleoonse nationaliteit niet meer in aanmerking komen voor een vvtv.

De uitspraak van de Rechtseenheidkamer (REK) van 1 februari 2000, naar aanleiding waarvan is besloten de periode van 1 december 1997 tot 3 januari 2000 aan te merken als een periode waarin een vvtv beleid gevoerd had moeten worden, doet niets af aan het besluit om niet over te gaan tot verlenging van de vvtv. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op basis van argumenten die aan het opheffen van het uitstel tot vertrek beleid ten grondslag liggen, ook het vvtv beleid beëindigd wordt. Indien betrokkene in het bezit gesteld zou zijn van een vvtv met ingang van 1 december 1997 zou deze met ingang van 3 januari 2000 zijn ingetrokken.

Verweerder geeft verder aan dat eiser omdat hij niet gedurende drie achtereenvolgende jaren in het bezit is geweest van een vvtv, gelet op het bepaalde onder B7/15.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc) niet in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf.

In het verweerschrift van 29 augustus 2001 heeft verweerder meegedeeld dat eiser inmiddels bij beschikking van 20 september 2001 met ingang van 1 juni 2001 in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d van de Vw 2000. Eiser procedeert voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid aanhef onder a,b, of onder c. De materiële uitkomst van de procedure heeft echter geen effect op de titel waarover eiser vanaf 1 juni 2001 beschikt, omdat ook indien eiser zou voldoen aan de criteria van het vluchtelingenverdrag, eiser op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, b of c van de Vw 2000 in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen procesbelang in onderhavige procedure aanwezig is.

2.4 Eiser heeft aan zijn beroep allereerst ten grondslag gelegd dat hij ten tijde van de beslissing op bezwaar in aanmerking komt voor een vvtv. Eiser beroept zich daarbij op de onverminderd slechte situatie in Sierra Leone. Na de brief van 3 januari 2000 van de Staatssecretaris van Justitie aan de Tweede Kamer is met ingang van 9 mei 2000 het uitstel van vertrek beleid weer hervat. Volgens de uitspraak van de REK van 1 februari 2000 geldt de periode van 1 december 1997 tot 3 januari 2000 als periode waarvoor een vvtv-beleid gevoerd had moeten worden.

Eiser geeft voorts aan dat hij aanspraak kan maken op een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid.

Eiser voert daarbij aan dat hij bij besluit van 16 augustus 1996 met ingang van 10 juli 1995 tot 10 juli 1996 onder gelijktijdige verlenging tot 10 juli 1997 een vvtv heeft verkregen. De periode waarin eiser niet feitelijk over een vvtv heeft beschikt dient worden aangemerkt als relevant tijdsverloop.

Volgens eiser dient als relevant tijdsverloop, worden aangemerkt de periode van:

-10 juli 1995 tot 16 augustus 1996, de periode waarin eiser niet feitelijk over een vvtv heeft beschikt;

-2 juni 1997 tot 1 december 1997, waarin een uitstel tot vertrekbeleid is gevoerd voor alle asielzoekers uit Sierra Leone;

-1 december 1997 tot 3 januari 2000 waarin met terugwerkende kracht een vvtv-beleid van toepassing had moeten zijn voor alle asielzoekers uit Sierra Leone, indien de asielzoeker niet in het bezit is gesteld van een vvtv.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij, gelet op het relevante tijdsverloop ten onrechte niet in bezit van een vtv is gesteld. In de beschikking is verzuimd om aan te geven waarom dit het geval is.

Ten aanzien van eiser is uiterst onzorgvuldig gehandeld door zowel in de beslissing in primo als de beslissing op bezwaar uit te gaan van informatie die reeds achterhaald was. In de beslissing op het bezwaarschrift is verzuimd te reageren op de informatie die door eiser is overgelegd betreffende die situatie.

2.5 Allereerst is aan de orde de vraag of eiser, gelet op de omstandigheid dat hem thans een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, onder d, Vw 2000, is verleend, nog belang heeft bij voortzetting van zijn procedure.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij voor 1 april 2001 in aanmerking in aan-merking kwam voor een vergunning tot verblijf zonder beperkingen in verband met tijdsverloop. Indien het beroep van eiser op dit punt gegrond verklaard wordt, zou deze vergunning, gelet op artikel 115 van de Vw 2000, met ingang van 1 april 2001, worden omgezet in een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

Nu eiser thans slechts in het bezit is van een vergunning voor bepaalde tijd en het niet uitgesloten is dat hij in aanmerking komt voor een vergunning van onbepaalde tijd heeft eiser naar oordeel van de rechtbank een rechtens relevant belang bij onderhavige procedure.

Het beroep is derhalve ontvankelijk.

2.6 Ingevolge artikel 12b Vw kan verweerder een vvtv verlenen aan vreemdelingen die zich in Nederland bevinden en een aanvraag om toelating hebben ingediend, indien naar het oordeel van verweerder gedwongen verwijdering naar het land van herkomst van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

2.7 De rechtbank overweegt dat de wetgever blijkens de tekst van artikel 12b Vw aan verweerder beoordelingsvrijheid heeft gelaten ten aanzien van de beantwoording van de vraag of gedwongen verwijdering naar het land van herkomst van bijzondere hardheid voor de vreemdeling zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Uit de tekst van dit artikel blijkt voorts dat de wetgever - bij een positieve beantwoording van voornoemde vraag- de beleidsvrijheid heeft toegekend al dan niet een vvtv te verlenen. Zoals de rechtbank reeds in eerder uitspraken heeft overwogen, heeft de wetgever aan het in artikel 12b bedoelde onmiddellijke werking willen toekennen. Dit betekent dat de rechtbank in deze zaak eerst dient te beoordelen of verweerder in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat ten tijde van het bestreden besluit de algehele situatie in Sierra Leone niet zodanig is dat gedwongen verwijdering van afgewezen Sierraleoonse asielzoekers naar Sierra Leone van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

De rechtbank stelt vast dat verweerder ten tijde van het bestreden besluit van 8 mei 2000 het uitstel van vertrekbeleid had beëindigd. Tijdens het algemeen overleg op 9 mei 2000 met de vaste commissie voor Justitie is aangegeven dat de Minister van Buitenlandse Zaken naar aanleiding van de ontwikkelingen in Sierra Leone snel met een tussentijds ambtsbericht zal komen en dat op grond van dat ambtsbericht een besluit kan worden genomen over het instellen van vvtv-of uitstel van vertrek-beleid (uvv-beleid). In de brief van 14 juni 2000 (5029138/00/DVB) stelde verweerder de Tweede Kamer op de hoogte van het verschijnen van dit tussentijds ambtsbericht van 22 mei 2000 (DPC/AM-687647) van de Minister van Buitenlandse Zaken. Op basis van de informatie uit voornoemd ambtsbericht is met ingang van 14 juni 2000 het uvv-beleid weer ingevoerd. Bij deze invoering van het uvv-beleid op 14 juni 2000 is melding gemaakt van het voornemen van de Minister van Buitenlandse Zaken om een volledig ambtsbericht uit te brengen. Dit ambtsbericht is op 3 oktober 2000 (DPC/AM-699413) uitgebracht. Op grond van de in dit ambtsbericht geschetste ontwikkelingen in Sierra Leone heeft verweerder de voorzitter van de Tweede Kamer met de brief van 5 juni 2001 (5095506/01/DVB) meegedeeld dat met ingang van 1 juni 2001 het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid als bedoeld in artikel 29, eerste lid onder d van de Vw 2000 geïndiceerd is.

Het vvtv-beleid is per 3 januari 2000 beëindigd en ruim 5 maanden daarna is vanaf 14 juni 2000 het uvv-beleid ingevoerd.

Het ambtsbericht van 25 november 1999 ( DPC/AM-668007) op basis waarvan het uvv-beleid met ingang van 3 januari 2000 is beëindigd daarentegen geeft nog aan dat de veiligheidssituatie in Sierra Leone in grote delen van het land bevredigend is. Nu niet is gebleken van relevante andersluidende informatie heeft verweerder op grond hiervan in redelijkheid kunnen besluiten om het ten aanzien van Sierraleonesen geldende vvtv-beleid te beëindigen.

De rechtbank is gelet op het vorenoverwogene van oordeel dat verweerder redelijkerwijs op 3 januari 2000 kon overgaan tot beëindigen van het vvtv-beleid en ten tijde van het bestreden besluit op 8 mei 2000, in redelijkheid zijn beslissing kon handhaven om eisers aanvraag om verlenging van de vvtv af te wijzen.

2.8 Ten aanzien van eisers stelling, dat hij in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid overweegt de rechtbank als volgt.

Op grond van het bepaalde in hoofdstuk A4/6.22 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc) kan een vreemdeling die langdurig in onzekerheid verkeert omtrent de uitkomst van zijn toelatingsprocedure onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor toelating in Nederland op grond van het zogenaamde driejarenbeleid.

Naar het oordeel van de rechtbank is in dit kader van belang dat er sprake van twee afzonderlijke procedures. De eerste procedure begon met eisers aanvragen op 10 juli 1995 en eindigde met de beslissing op bezwaar van 16 augustus 1996, welke beslissing onherroepelijk is geworden, doordat eisers beroep tegen deze beslissing bij uitspraak van 7 april 1997 door de rechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Zwolle, ongegrond is verklaard. Eiser is gedurende de periode van 16 augustus tot 10 juli 1997 feitelijk in het bezit gesteld van een vvtv. De periode waarin eiser feitelijk in het bezit is gesteld telt gelet op de uitspraak van de REK van 1 november 2000 (Awb 00/7740, JV 7 december 2000, nr. 180) niet mee als periode van relevant tijdsverloop. Gedurende die periode is eiser immers niet in onzekerheid geweest omtrent zijn verblijfspositie.

Als relevante tijdsverloop voor het driejarenbeleid telt in de eerste procedure derhalve alleen de periode van 10 juli 1995 tot 16 augustus 1996.

De tweede procedure nam een aanvang op 10 juli 1997 met de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een vvtv en eindigt met de beslissing op bezwaar van 8 mei 2000. Verweerder heeft naar aanleiding van de uitspraak van de REK van 1 februari 2000 (Awb 99/9184) in de werkinstructie 223 aangegeven dat voor zover hier van belang de periode 10 juli 1997 tot 3 januari 2000 dient worden meegerekend als relevant tijdsverloop.

De rechtbank stelt vast dat zowel in de eerste procedure als in de tweede procedure het relevant tijdsverloop minder dan 3 jaren is geweest. Het bestreden besluit kan de rechterlijke toets derhalve doorstaan.

2.9 De rechtbank kan gelet op het bepaalde in artikel 83, tweede lid van de Vw 2000, rekening houden met nieuwe feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit zijn opgekomen, voor zover het deze voor een beschikking op grond van artikel 28 en 33 van de Vw 2000 relevant kunnen zijn.

Nu de beslissing tot het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van relevant tijdsverloop onder de Vw 2000 echter een reguliere beschikking is, kan voorzover er relevant tijdsverloop zou zijn na het bestreden besluit dit tijdsverloop niet bij de beoordeling van het onderhavige beroep worden betrokken. Niet gebleken is van nieuwe feiten of veranderende omstandigheden met betrekking tot het onder 2.8 overwogene.

2.10 Het beroep is derhalve ongegrond.

2.11 Voor vergoeding van het betaalde griffierecht of veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

3 BESLISSING

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Smeele en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2002 in tegenwoordigheid van G.M. Middelhuis als griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: 10 januari 2002