Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6549

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-05-2002
Datum publicatie
16-08-2002
Zaaknummer
09/757263-01; 09/757263-01-A
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnr. 11/02

parketnummer: 09/757263-01; 09/757263-01-A

datum beschikking: 29 mei 2002

Beslissing in wrakingsincident

Beschikking op het op 07 mei 2002 bij de rechtbank ingekomen verzoek als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering van:

[verzoeker],

- hierna te noemen verzoeker-,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

domicilie kiezende ten kantore van zijn gemachtigde mr. P.J. Hoogendam,

Jacob Mosselstraat 2, 2595 RH 's-Gravenhage,

thans gedetineerd in het Penitentiair Complex Scheveningen, Huis van Bewaring (unit I), te 's-Gravenhage;

strekkende tot wraking van de leden van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank:

[rechter 1], [rechter 2] en [rechter 3].

1. Voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1 Op 8 maart 2002 heeft het onderzoek ter terechtzitting in de strafzaak van verzoeker plaatsgevonden, waarbij de aan verzoeker onder bovenstaande parketnummers telastgelegde feiten door voormelde meervoudige strafkamer zijn behandeld.

Op voormelde terechtzitting is het onderzoek geschorst tot 3 juni 2002 te 14:00 uur voor het horen van getuigen bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, alsmede voor nader onderzoek waartoe mr P.J. Hoogendam, de raadsman van verzoeker, had verzocht.

1.2 Na ontvangst van het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 maart 2002 heeft de raadsman bij schrijven van 10 april 2002 aan de voorzitter [rechter 1] medegedeeld dat deze zich tijdens de zitting dusdanig heeft uitgelaten, dat er naar het oordeel van de verdediging niet meer sprake is van onpartijdigheid.

De raadsman heeft voorts in genoemd schrijven gesteld dat hij de voorzitter uitdrukkelijk op de vereiste onpartijdigheid heeft gewezen en de griffier heeft gevraagd deze opmerking in het proces-verbaal op te nemen. In voormeld proces-verbaal heeft de raadsman evenwel van dit incident geen verslag aangetroffen. De raadsman heeft vervolgens de voorzitter verzocht dat het onderzoek in de strafzaak van verzoeker op 3 juni 2002 door een andere samenstelling van de kamer van de rechtbank zal worden behandeld.

1.3 In zijn schriftelijke reactie d.d. 17 april 2002 heeft de voorzitter aan de raadsman de vraag gesteld of diens schrijven van 10 april 2002 moet worden verstaan als een wrakingverzoek.

De raadsman heeft daarop bij schrijven van 22 april 2002 aan de voorzitter verduidelijkt dat zijn verzoek een andere samenstelling van de kamer van de rechtbank beoogt en verder medegedeeld dat indien de kamer van de rechtbank op 3 juni 2002 dezelfde samenstelling heeft als de kamer op 8 maart 2002, hij namens zijn cliƫnt een wrakingverzoek zal indienen.

Bij schrijven van 24 april 2002 heeft de voorzitter aan de raadsman medegedeeld dat de kamer bij voortzetting van de behandeling van de strafzaak van verzoeker op 3 juni 2002, onvoorziene omstandigheden voorbehouden, dezelfde samenstelling zal hebben als bij de behandeling op 8 maart 2002, waarna de raadsman namens verzoeker het onderhavige (ongedateerde) verzoek tot wraking heeft ingediend.

2. De behandeling ter openbare raadkamerzitting

Op 29 mei 2002 is het wrakingsverzoek ter openbare raadkamerzitting van de wrakingskamer behandeld.

De verzoeker en zijn raadsman zijn aldaar verschenen. Namens verzoeker heeft de raadsman het wrakingsverzoek nader toegelicht.

De leden van de meervoudige strafkamer zijn niet ter zitting verschenen. Bij monde van de voorzitter heeft genoemde strafkamer de rechtbank middels een verweerschrift medegedeeld niet in de wraking te berusten.

De officier van justitie, mr. J.P.L.M. Remmerswaal, is ter zitting verschenen en heeft geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek.

3. Het standpunt van verzoeker

De verzoeker stelt zich op het standpunt dat er sprake is van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering. Ter onderbouwing van het standpunt is namens verzoeker door zijn raadsman - zakelijk weergegeven - het navolgende aangevoerd.

Dat er ten aanzien van voorzitter [rechter 1] twee gronden voor wraking zijn.

In de eerste plaats heeft deze voorzitter tijdens de terechtzitting van 8 maart 2002 in niet mis te verstane bewoordingen geuit dat hij aan de verklaring van verzoeker op cruciale onderdelen geen geloof hecht, gezien het met deze verklaring in strijd zijnde beschikbare technische bewijs. De voorzitter heeft daarmee duidelijk te kennen gegeven dat het in het dossier aanwezige technische bewijs voor hem als betrouwbaar ofwel als de waarheid vaststaat.

Aldus heeft de voorzitter wel degelijk een oordeel geuit over de schuldvraag en daardoor blijk gegeven van zijn vooringenomenheid, dan wel is daardoor de schijn van vooringenomenheid gewekt. Weliswaar is het een voorzitter in een strafzaak toegestaan om in vragende vorm de verdachte te confronteren met de in het dossier voorhanden zijnde bewijsmiddelen, doch niet dat hij bij een ontkennende verdachte daaraan conclusies verbindt zoals de voorzitter in casu heeft gedaan.

In de tweede plaats heeft de raadsman tijdens de terechtzitting van 8 maart 2002 de voorzitter aangesproken op deze blijk van vooringenomenheid, maar dit incident is niet door de voorzitter en de griffier, die verantwoordelijk zijn voor het op te maken proces-verbaal, opgenomen in het proces-verbaal, zodat dit proces-verbaal geen juiste weergave behelst van hetgeen zich ter terechtzitting heeft afgespeeld. Ook om deze reden is bij verzoeker een objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid ontstaan.

Ten aanzien van de twee andere leden van de meervoudige strafkamer, de zogenoemde bijzitters, zijn verzoeker en de raadsman van mening dat bij hen eveneens sprake is van partijdigheid dan wel dat zij door hun handelwijze de schijn van partijdigheid hebben gewekt. Hiervoor zijn twee redenen te noemen.

Ofschoon de voorzitter en de griffier verantwoordelijk zijn voor het proces-verbaal, geldt ook voor de bijzitters ten aanzien van de weergave van de terechtzitting in het proces-verbaal een interventiepunt.

Als tweede reden geldt dat de bijzitters geen afstand hebben genomen van hetgeen er ter terechtzitting heeft plaatsgevonden; zij hadden de voorzitter kunnen verzoeken om de behandeling voor beraad te schorsen teneinde de voorzitter tot de orde te roepen.

A contrario redenerend komt de raadsman dan tot de conclusie dat de bijzitters zich hebben geconformeerd aan de voorzitter en daarmee aan diens vooringenomenheid.

4. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - zakelijk weergegeven - als volgt het woord gevoerd:

Het onderzoek ter terechtzitting beoogt de waarheidsvinding. In het kader daarvan mogen aan verdachten en aan getuigen confronterende vragen worden gesteld, indien het dossier -zoals in deze zaak het sporenmateriaal- een andere uitkomst te zien geeft dan door de verdachte dan wel de getuige is verklaard daaromtrent. Het is bekend dat de voorzitter in deze zaak zich tijdens de behandeling ter zitting van een scherpe vraagstelling bedient. Deze voor hem gebruikelijke wijze van ondervraging betekent nog niet dat er bij hem sprake is van vooringenomenheid. Gelet op het belang van de waarheidsvinding enerzijds en gelet op de persoon van de voorzitter anderzijds, is mijns inziens in deze zaak onvoldoende gebleken van vooringenomenheid bij de voorzitter.

Ten aanzien van de bijzitters gaat de redenering van de raadsman dat zij zich op grond van de tussen de voorzitter en de raadsman ontstane discussie hadden moeten verschonen, te ver.

Ik concludeer dan ook tot afwijzing van het wrakingsverzoek.

5. De ontvankelijkheid van verzoeker in het verzoek

Op grond van het bepaalde bij artikel 513 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering heeft de rechtbank zich ambtshalve de vraag gesteld of het verzoekschrift tijdig is ingediend.

Uit het onderzoek ter zitting is immers naar voren gekomen dat de raadsman reeds op 10 april 2002 -blijkens zijn op die datum gedateerde schrijven, met de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting bekend was, terwijl het verzoekschrift eerst op 7 mei 2002 door hem is ingediend.

Mede in aanmerking genomen de kennelijke strekking van de onmiddellijk daarop gevolgde correspondentie tussen de voorzitter en de raadsman en met name gelet op het tijdsverloop tussen de brief van de voorzitter d.d. 24 april 2002 en de datum van indiening van het verzoekschrift is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan het vereiste van voormeld wetsartikel. Verzoeker kan derhalve in zijn verzoek worden ontvangen.

6. De beoordeling

6.1 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

6.2 Ten aanzien van de door de raadsman gestelde vooringenomenheid bij de voorzitter van de meervoudige strafkamer, mr. Hensen, heeft de rechtbank het volgende overwogen.

In de eerste plaats dient in dit verband te worden opgemerkt dat de voor wraking aangevoerde gronden niet getoetst dienen te worden aan het criterium van artikel 271 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, aangezien de aan deze bepaling ten grondslag liggende maatstaf niet het vereiste van onpartijdigheid van de rechter beoogt, maar het beginsel van de onschuldpresumptie ten aanzien van verdachte waarvan de voorzitter en de rechters zich rekenschap dienen te geven. De aangevoerde gronden voor wraking dienen uitsluitend te worden getoetst aan het vereiste van onpartijdigheid zoals bepaald in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering.

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat de voorzitter zijn uitlating omtrent de geloofwaardigheid van de ter terechtzitting afgelegde verklaring van verzoeker in ongelukkige bewoordingen heeft gedaan, acht de rechtbank deze uitlating, nu deze is gedaan in het kader van het confronteren van verzoeker met het niet met zijn verklaring strokende beschikbare technische bewijs, niet zodanig onaanvaardbaar dat daardoor geen sprake meer is van rechterlijke onpartijdigheid, dan wel dat daardoor redelijkerwijs de schijn van rechterlijke partijdigheid is gewekt.

Het niet vermelden in het proces-verbaal van de terechtzitting van de opmerking die door de raadsman is gemaakt betreffende voormelde uitlating, vormt -daargelaten of de raadsman daarvan akte heeft verzocht, zoals namens verzoeker betoogd doch niet is komen vast te staan- op zichzelf noch bezien in samenhang met deze uitlating, een grond voor wraking. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niets erop wijst dat het achterwege blijven van de weergave van hetgeen op dit punt ter terechtzitting voorviel is te wijten aan onwil zijdens de voorzitter. Voor het aannemen van dergelijke onwil acht de rechtbank te minder reden, nu de voorzitter in zijn schrijven van 17 april 2002 aan de raadsman heeft aangekondigd op welke wijze in de leemte van het proces-verbaal van 8 maart 2002 op dit punt zou kunnen worden voorzien.

6.3 Ten aanzien van de door de raadsman gestelde vooringenomenheid bij de andere leden van de meervoudige strafkamer, [rechter 2] en [rechter 3], heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Het standpunt van de raadsman, inhoudende dat voor de bijzitters van de meervoudige strafkamer met betrekking tot het door de voorzitter en de griffier op te maken proces-verbaal van de terechtzitting, een interventiepunt bestaat ten aanzien van de juiste weergave van het verhandelde ter terechtzitting, mist wettelijke grondslag en kan reeds daarom geen grond voor wraking opleveren.

Het standpunt van de raadsman, inhoudende dat de bijzitters ter terechtzitting afstand hadden moeten nemen van de door de voorzitter gedane uitlating, vormt evenmin een grond voor wraking, aangezien een dergelijke handelwijze van de bijzitters in strijd zou kunnen komen met de beginselen van een goede procesorde.

6.3 Nu de door de raadsman aangevoerde gronden het wrakingsverzoek niet kunnen dragen en zich naar het oordeel van de rechtbank ook overigens geen omstandigheden hebben voorgedaan die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor partijdigheid van de voorzitter en de andere leden van de meervoudige strafkamer dan wel voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bij verzoeker, dient het verzoek te worden afgewezen.

7. Beslissing

De rechtbank,

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

beveelt dat een afschrift van deze beschikking wordt toegezonden aan:

o verzoeker p/a zijn gemachtigde mr. P.J. Hoogendam;

o officier van justitie mr. J.P.L.M. Remmerswaal;

o voorzitter van de meervoudige strafkamer, [rechter 1].

Deze beschikking is op 29 mei 2002 gegeven door mr. Timmermans, vice-president, en mrs. Bouritius en Aarts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Gest als griffier, en geminuteerd op 31 mei 2002.

Wrakingnr. 11/02

inzake [verzoeker]