Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6548

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-06-2002
Datum publicatie
16-08-2002
Zaaknummer
AWB 00/63857, 00/63861
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Driejarenbeleid / Associatieovereenkomst EG-Turkije.

De bestreden besluiten zijn onbevoegd genomen. Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Algemene machtigingsregeling IND kan de minister van Justitie geen mandaat verlenen tot het nemen van een besluit in een individueel geval dat contrair is aan het door de ACV met het oog op dat besluit uitgebrachte advies, tenzij de afwijking van het advies is gebaseerd op gewijzigde feiten en omstandigheden. In de bestreden besluiten is afgeweken van de door de ACV ter zake uitgebrachte adviezen, waarin immers is geadviseerd tot gegrondverklaring van het bezwaar. Nu voorts de afwijking van de adviezen van de ACV niet is gebaseerd op gewijzigde feiten en omstandigheden door verweerder is bevestigd, zijn de bestreden besluiten ten onrechte niet door de minister van Justitie zelf genomen. De beroepen zijn derhalve gegrond.

Aan eiseres is ten onrechte een vtv op grond van het driejarenbeleid onthouden. De onderhavige procedure is aangevangen met een aanvraag van eiseres om verlenging van haar vtv voor het verrichten van arbeid in loondienst. Verweerder heeft gesteld dat eiseres ten tijde van het bestreden besluit niet meer aan de belangrijkste voorwaarde voor het verlenen van een vtv voldeed, en niet zou zijn gebleken dat het oorspronkelijke verblijfsdoel nog aanwezig was, nu zij op dat moment geen arbeid in loondienst meer verrichtte. Nu het voor eiseres zeer moeilijk was om - rechtmatig - arbeid in loondienst te verrichtten, vanwege de feitelijke obstakels die verweerder hiertoe heeft opgeworpen, heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat het oorspronkelijke verblijfsdoel niet meer aanwezig was. Uit deze feitelijke obstakels voor het - rechtmatig - verrichten van arbeid in loondienst volgt tevens dat eiseres niet kan worden tegengeworpen dat zij niet meer aan de belangrijkste voorwaarde van het betreffende beleid voldeed, en had verweerder gebruik moeten maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid.

Ook aan eiser is ten onrechte een vtv op grond van het driejarenbeleid onthouden. De stelling van verweerder dat eiser niet aan de voorwaarden van dit beleid voldoet omdat zijn procedure betrekking heeft op de intrekking van een vtv en niet op een aanvraag om een vtv houdt geen stand, gelet op de ratio van het driejarenbeleid. Ook ten aanzien van eiser is immers, in materiële zin, sprake van een toelatingsprocedure, nu niet valt in te zien waarin de onzekerheid waarin eiser heeft verkeerd verschilt van de onzekerheid van een vreemdeling die procedeert over de weigering hem een vtv te verlenen.

Eiseres kan geen rechten ontlenen aan artikel 6, eerste lid, tweede gedachtestreepje van Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Besluit 1/80 gaat immers uit van de geleidelijke opbouw van rechten van Turkse werknemers, waaruit volgt dat deze werknemers pas na drie jaar legale arbeid van werkgever kunnen veranderen zonder de rechten die zij aan het betreffende artikel kunnen ontlenen te verliezen. Nu eiseres ten tijde van de expiratie van haar vtv nog geen drie jaar legale arbeid bij dezelfde werkgever had verricht voldoet zij niet aan deze voorwaarde.

Verweerder zal ten slotte een beslissing moeten nemen over de vraag of eiseres rechten kan ontlenen aan artikel 7, eerste lid, van Besluit 1/80. Eiseres is immers tot Nederland toegelaten voor (verruimde) gezinshereniging met haar (Turkse) vader en heeft vervolgens meer dan drie jaar legaal in Nederland verbleven.

Wetsverwijzingen
Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, Ankara, 12-09-1963 6, geldigheid: 2002-06-12
Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, Ankara, 12-09-1963 7, geldigheid: 2002-06-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te ‘s-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Alkmaar

meervoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 00/63857 VRWET en AWB 00/63861 VRWET

inzake: A, geboren op […] 1971, eiseres, en B, geboren op […] 1972, eiser, beiden van Turkse nationaliteit, wonende te C,

gemachtigde: mr. T. Sönmez, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. N.B. de Neef, juridisch medewerker bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, advocaten en notarissen te Den Haag.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 23 april 1997 heeft eiseres bij de korpschef van de regiopolitie Utrecht een aanvraag ingediend om verlenging van de aan haar verleende vergunning tot verblijf. Bij besluit van 18 augustus 1997 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd. Bij besluit van dezelfde datum is de vergunning tot verblijf van eiser ingetrokken. Bij bezwaarschriften van 12 september 1997 hebben eisers tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. De bezwaren zijn bij besluiten van 25 augustus 2000 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschriften van 21 september 2000 hebben eisers tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van de beroepen zijn ingediend bij brieven van 27 oktober 2000. Op 30 maart 2001 zijn de op de zaken betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 21 augustus 2001 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen. Verweerder heeft bij brief van 8 februari 2002 zijn standpunt nog nader onderbouwd.

3. Bij faxbrief van 14 februari 2002 heeft de griffier partijen bericht dat de rechtbank op de zitting mogelijkerwijs de vraag aan de orde zou stellen of en in hoeverre eiseres rechten kan ontlenen aan artikel 7 van Besluit 1/80 van de Associatieraad EG/Turkije.

4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2002. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. FEITEN

1. In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eiseres is op 19 september 1992 Nederland binnengereisd, in het bezit van geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), geldig voor (verruimde) gezinshereniging met haar vader. Op 22 september 1992 heeft zij een vergunning tot verblijf onder de beperking „verblijf bij vader D„ aangevraagd, welke vergunning haar op 2 oktober 1992 is verleend. Op 22 september 1995 is eiseres in Turkije gehuwd met eiser. Uit het huwelijk zijn in Nederland twee kinderen geboren, te weten E, geboren op […] 1997, en F, geboren op […] 1999. Op 22 mei 1996 heeft eiseres gevraagd om wijziging van de beperking van haar vergunning tot verblijf in „arbeid in loondienst„. Op 10 juni 1996 is haar een zogenaamde „zoekjaarvergunning„ verleend, met een geldigheidsduur tot 13 juni 1997. Op 18 augustus 1997 is de aanvraag van eiseres om verlenging van haar vergunning tot verblijf, waarmee de onderhavige procedure van eiseres een aanvang heeft genomen.

Uit het dossier blijkt dat eiseres tot aan het bestreden besluit het volgende arbeidsverleden heeft opgebouwd. Van 4 oktober 1994 tot 15 april 1995 was eiseres werkzaam bij poeliersbedrijf J.A. Ter Maten bv, in eerste instantie via Uitzendbureau Stuweg en vervolgens op basis van een arbeidsovereenkomst met J.A. Ter Maten bv. Vanaf 2 mei 1997 was zij via Uitzendbureau Stuweg werkzaam voor Yves Rocher bv. Op 28 mei 1997 heeft eiseres haar werkzaamheden voor Yves Rocher beëindigd wegens ziekte, verband houdende met haar zwangerschap. Vanaf deze datum tot april 1998 heeft zij een uitkering op grond van de Ziektewet ontvangen.

Voorts bevat het dossier een brief d.d. 6 juli 1998 van Uitzendbureau Viawerk, waarin eiseres wordt bericht dat zij pas kan gaan werken als zij een geldige vergunning tot verblijf heeft.

De vader van eiseres, D, heeft sinds 30 juni 1971 in Nederland verbleven. Hij is op 1 december 1976 in het bezit gesteld van een vergunning tot vestiging. Uit het dossier blijkt dat hij op 18 mei 1992 een uitkering van f 15.660,- per jaar op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontving, met aanvullende bijstand tot f 1740,- per maand. Ter zitting heeft eiseres meegedeeld dat haar vader een jaar daarvoor aan een ongeluk was overleden.

2. Eiser is op 17 september 1996 Nederland binnengereisd, in het bezit van geldige mvv voor gezinsvorming met eiseres. Op 26 september 1996 heeft hij bij de Korpschef van de regiopolitie Utrecht een aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf onder beperking „verblijf bij echtgenote A„ ingediend, welke vergunning op 4 november 1996 is verleend. Op 18 augustus 1997 is de vergunning tot verblijf ingetrokken, waarmee de onderhavige procedure van eiser een aanvang heeft genomen.

Uit het dossier blijkt voorts dat eiser van 1 oktober 1996 tot eind 1998 vrijwel onafgebroken voor diverse bedrijven werkzaam is geweest.

Voorts bevat het dossier een brief d.d. 2 juli 1998 van GOM Schoonhouden bv waarin eiser, voor zover hier relevant, wordt meegedeeld dat uit navraag bij de vreemdelingendienst is gebleken dat eiser niet mag werken.

3. Op 18 september 1998 heeft de fungerend president van deze rechtbank (nevenzittingsplaats Haarlem) de verzoeken om een voorlopige voorziening van eisers toegewezen en bepaald dat eisers de bezwaarschriften van 12 september 1997 in Nederland mochten afwachten, omdat verweerder de voorliggende aanvrage cq het voorgenomen besluit niet had getoetst aan het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije (hierna ook: Besluit 1/80).

Op 15 december 1999 zijn eisers gehoord door de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACV). Op dezelfde datum heeft de ACV verweerder geadviseerd de bezwaren van eisers gegrond te verklaren. Voorts heeft de ACV geadviseerd eiseres in het bezit te stellen van een vergunning tot verblijf onder de beperking „voor het zoeken van werk als bedoeld in artikel 6, eerste lid, tweede gedachtestreepje van besluit nr. 1/80„ en haar een redelijke termijn te gunnen voor het zoeken van werk. Ten aanzien van eiser heeft de ACV geadviseerd hem een vergunning tot verblijf te verlenen onder de beperking „verblijf bij echtgenote A en het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst gedurende dit verblijf„.

Bij brief d.d. 5 juli 2000 heeft verweerder de gemachtigde van eisers verzocht om ten behoeve van de beoordeling van de aanspraken van eiseres op een vergunning tot verblijf op grond van het zogenaamde driejarenbeleid een arbeidsovereenkomst, dan wel een uitzendovereenkomst, en de bijbehorende loonspecificaties over te leggen waaruit blijkt dat eiseres op 13 juni 2000 en daarna arbeid in loondienst heeft verricht. Bij brief d.d. 18 juli 2000 heeft de gemachtigde, voor zover hier van belang, bericht dat eiseres op 13 juni 2000 geen arbeid in loondienst verrichtte.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich blijkens de bestreden besluiten op het standpunt dat eisers niet in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf. Anders dan de ACV heeft geadviseerd kan eiseres geen recht op voortgezet verblijf ontlenen aan Besluit 1/80, omdat zij niet drie jaar werkzaam is geweest bij dezelfde werkgever. Daartoe wordt verwezen naar het arrest d.d. 5 oktober 1994 van het Hof van Justitie van de EG inzake Eroglu (C-355/93, RV 1994/90).

Eiseres kan voorts geen geslaagd beroep doen op het zogenaamde driejarenbeleid, neergelegd in hoofdstuk A4/6.22 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994, omdat niet is gebleken dat zij op 13 juni 2000 nog arbeid in loondienst verrichtte en zij derhalve niet meer voldoet aan de belangrijkste voorwaarde voor het verlenen van de door haar gevraagde vergunning tot verblijf.

Eiser komt niet in aanmerking voor een van zijn echtgenote afhankelijke vergunning tot verblijf, nu ook aan eiseres geen verblijf wordt toegestaan.

Eiser komt voorts reeds hierom niet in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsstatus omdat ten tijde van de intrekking van zijn vergunning het huwelijk met eiseres nog geen drie jaar had geduurd.

Eiser komt evenmin in aanmerking voor voortgezet verblijf op grond van Besluit 1/80, nu hij korter dan een jaar in het bezit is geweest van een vergunning tot verblijf.

Eiser kan ook geen aanspraken ontlenen aan het driejarenbeleid. Zijn procedure betreft immers de intrekking en niet de aanvraag van een vergunning tot verblijf. Hij heeft derhalve niet in onzekerheid over een op een aanvrage genomen beslissing verkeerd en het driejarenbeleid is derhalve niet op hem van toepassing.

Er is ten slotte niet gebleken van feiten en omstandigheden die in de weg staan aan terugkeer van eisers en hun kinderen naar Turkije.

2. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte een vergunning tot verblijf heeft geweigerd. Eiseres had wel degelijk recht op voortgezet verblijf op grond van Besluit 1/80, waartoe wordt verwezen naar het ACV-advies.

Voorts is eiseres op 10 juni 1996 ten onrechte een „zoekjaar„ toegekend in plaats van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen. Op grond van de toenmalige bestendige beslissingpraktijk van verweerder werd immers aan vrouwen met kinderen jonger dan vijf jaar na verbreking van de gezinsband geen „zoekjaar„ maar een vergunning tot verblijf zonder beperkingen verleend

De vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid is ten onrechte geweigerd. Nu eiseres immers in aanmerking kwam voor een vergunning tot verblijf zonder beperkingen, en niet voor een „zoekjaar„, is ten onrechte geconcludeerd dat eiseres niet meer voldeed aan de belangrijkste voorwaarde van dat beleid

Nu aan eiseres ten onrechte voortgezet verblijf is geweigerd, dient eiser in aanmerking te komen voor verblijf bij zijn echtgenote.

3. In het verweerschrift heeft verweerder het in de bestreden besluiten ingenomen standpunt gehandhaafd.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden.

2. De rechtbank stelt allereerst vast dat de bestreden besluiten onbevoegd zijn genomen. Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Algemene machtigingsregeling IND van 15 december 1997 (Staatscourant 1997, nr. 247, pag. 15) kan de Minister van Justitie geen mandaat verlenen tot het nemen van een besluit in een individueel geval dat contrair is aan het door de ACV met het oog op dat besluit uitgebrachte advies, tenzij de afwijking van het advies is gebaseerd op gewijzigde feiten en omstandigheden. In de bestreden besluiten is afgeweken van de door de ACV ter zake uitgebrachte adviezen, waarin immers is geadviseerd tot gegrondverklaring van het bezwaar. Nu voorts de afwijking van de adviezen van de ACV niet is gebaseerd op gewijzigde feiten en omstandigheden, hetgeen ter zitting door verweerder is bevestigd, kon het nemen van de bestreden besluiten door de Minister van Justitie niet worden gemandateerd. De bestreden besluiten zijn echter genomen door mr. I.E.M. Braakhuis, senior-medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. De beroepen zijn derhalve gegrond, en de bestreden besluiten dienen te worden vernietigd.

3. Bij het nemen van nieuwe besluiten op bezwaar zal verweerder voorts het volgende dienen te betrekken.

4. Ten aanzien van de overweging van verweerder, die er toe strekt eiseres een vergunning tot verblijf te verlenen op grond van het driejarenbeleid overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aan de vereisten van het terzake door verweerder gevoerde beleid heeft voldaan, nu zij op 13 juni 2000 geen arbeid in loondienst verrichtte. Derhalve zou niet zijn aangetoond dat eiseres nog aan de belangrijkste voorwaarde voor het verlenen van een vergunning tot verblijf voldoet, en zou niet zijn gebleken dat het oorspronkelijk beoogde verblijfsdoel, te weten het verrichten van arbeid in loondienst, nog steeds aanwezig is. De rechtbank is echter van oordeel dat dit eiseres ten onrechte is tegengeworpen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5. Ten tijde van het op bezwaar ten aanzien van eiseres genomen besluit golden ten aanzien van het driejarenbeleid de voorwaarden als neergelegd in hoofdstuk A4/6.22 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994. Paragraaf 6.22.3 van dit hoofdstuk bepaalde, voor zover hier van belang, het volgende:

„Vreemdelingen in reguliere zaken komen in aanmerking voor een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid, indien het oorspronkelijk beoogde doel, waarvoor de vreemdeling zijn verblijf heeft aangevraagd, op de datum van de beslissing nog steeds aanwezig is, en de vreemdeling voldoet aan de belangrijkste voorwaarde voor het verlenen van een vergunning tot verblijf. Dit is bijvoorbeeld bij huwelijk of verblijf bij partner als er sprake is van samenwoning en als er nog steeds sprake is van dezelfde echtgeno(o)t(e) of partner als ten tijde van de oorspronkelijke aanvraag. Voor studie is dit bijvoorbeeld dat de vreemdeling studeert aan een erkende onderwijsinstelling„.

De rechtbank gaat ervan uit dat het hier twee van elkaar te onderscheiden vereisten betreft: het oorspronkelijke verblijfsdoel dient nog aanwezig te zijn, èn de vreemdeling dient nog te voldoen aan de belangrijkste voorwaarde van het beleid op grond waarvan hij toelating heeft gevraagd. Eiseres beoogde in deze procedure (voortgezet) verblijf voor het verrichten van arbeid in loondienst. Verweerder heeft uit het feit dat eiseres ten tijde van het vollopen van de driejarentermijn geen arbeid in loondienst verrichtte geconcludeerd dat aan beide vereisten niet werd voldaan.

6. De rechtbank merkt allereerst op dat verweerder niet het juiste toetsmoment heeft aangelegd, nu in betreffende beleid is bepaald dat ten tijde van de beslissing het oorspronkelijke verblijfsdoel nog aanwezig dient te zijn en aan de belangrijkste voorwaarde van het beleid op grond waarvan toelating wordt gevraagd moet worden voldaan, en niet ten tijde van het vollopen van de driejarentermijn. Nu niet gebleken is dat eiseres ten tijde van de bestreden beslissing wel arbeid in loondienst verrichtte maakt dit echter geen verschil voor de materiële beoordeling.

7. De rechtbank is voorts van oordeel dat uit het feit dat eiseres ten tijde van de bestreden beslissing geen arbeid in loondienst verrichtte niet kan worden afgeleid dat het oorspronkelijke verblijfsdoel niet meer aanwezig was. Daartoe is het volgende redengevend. Eiseres heeft van 4 oktober 1994 tot aan het moment waarop zij arbeidsongeschikt raakte, op 28 mei 1997, vrijwel onafgebroken gewerkt. Vanaf april 1998 was zij weer arbeidsgeschikt. Op dat moment beschikte zij echter niet meer over een geldige vergunning tot verblijf, en was het haar niet toegestaan arbeid in loondienst te verrichten. Weliswaar is in artikel 1b van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (Besluit van 23 augustus 1995, Stb. 406, ter uitvoering van de Wet arbeid vreemdelingen, zoals dit besluit gewijzigd is bij de besluiten van 21 juni 1997, Stb. 405 en 20 oktober 2000, Stb. 464) een uitzondering gemaakt op het verbod om vreemdelingen zonder vergunning tot verblijf arbeid te laten verrichten indien de vreemdeling procedeert over voortgezet verblijf, maar deze uitzondering was op dat moment niet op haar van toepassing. Het betreffende artikel bepaalt immers dat het verbod een vreemdeling arbeid te laten verrichten niet van toepassing is op vreemdelingen van wie de vergunning tot verblijf op grond waarvan arbeid mocht worden verricht is ingetrokken en die met instemming van de Minister van Justitie in Nederland verblijven en beschikken over een geldige sticker in het paspoort met de aantekening ‘arbeid is vrij toegestaan’. Nu verweerder had bepaald dat eiseres de beslissing op haar bezwaarschrift niet in Nederland mocht afwachten verbleef zij niet met instemming van de Minister van Justitie in Nederland en was een uitzondering op het tewerkstellingsverbod niet om deze reden aan de orde.

Nadat de fungerend president van deze rechtbank op 18 september 1998 het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres had toegewezen, moet zij evenwel geacht worden vanaf deze datum in dezelfde positie te hebben verkeerd als verbleef zij met instemming van de Minister van Justitie in Nederland. Hoewel eiseres vanaf dat moment derhalve formeel gerechtigd was arbeid in loondienst te verrichten, was het voor eiseres zeer moeilijk om dit - rechtmatig - te doen, door de feitelijke obstakels die verweerder hiertoe heeft opgeworpen. Eiseres was immers niet in het bezit van een sticker met de aantekening ‘arbeid is vrij toegestaan’ in haar paspoort, en is er door verweerder ook niet op gewezen dat zij hier recht op had. Dit had wel op de weg van verweerder gelegen, juist gelet op het gevraagde verblijfsdoel. In dat kader acht de rechtbank het van belang dat eiseres bij brief d.d. 6 juli 1998 door Uitzendbureau ViaWerk is geïnformeerd dat zij pas kon gaan werken als zij weer in het bezit was van een vergunning tot verblijf. Overigens is door het bedrijf GOM Schoonhouden bv bij brief van 2 juli 1998 ook aan eiser te kennen gegeven dat hij zonder geldige vergunning tot verblijf niet mocht werken, hetgeen GOM Schoonhouden bv was gebleken uit navraag bij de vreemdelingendienst. Ten slotte heeft verweerder ter zitting toegegeven dat het voor eiseres waarschijnlijk „heel moeilijk„ was arbeid in loondienst te verrichten zonder vergunning tot verblijf.

Dit alles in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat het oorspronkelijke verblijfsdoel niet meer aanwezig was. Uit het feit dat eiseres geen arbeid in loondienst meer verrichtte kan blijkens het voorgaande immers niet worden afgeleid dat zij dat ook niet meer beoogde.

8. Naar het oordeel van de rechtbank betekent hetgeen hiervoor is overwogen eveneens dat eiseres niet kan worden tegengeworpen dat zij ten tijde van het bestreden besluit niet meer voldeed aan de belangrijkste voorwaarde van het beleid op grond waarvan zij toelating wenste. Het daadwerkelijk verrichten van arbeid in loondienst is weliswaar de belangrijkste voorwaarde van het betreffende beleid, maar nu het eiseres eerst rechtens niet was toegestaan en vervolgens de facto niet goed mogelijk was om arbeid in loondienst te verrichten zonder dat haar dit kon worden toegerekend, kan haar in redelijkheid niet worden tegengeworpen dat zij niet aan deze voorwaarde voldeed. Verweerder had dan ook aanleiding moeten zien op grond van artikel 4:84 Awb van het beleid af te wijken, aangezien het vasthouden aan de betreffende beleidsregel op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden voor eiseres onevenredige gevolgen zou hebben in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen.

9. De rechtbank derhalve is van oordeel dat eiseres op onjuiste gronden een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid is onthouden. Behoudens contra-indicaties zal verweerder eiseres in ieder geval met ingang van 13 juni 2000 een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid dienen te verlenen.

10. Ten aanzien van de overweging van verweerder die er toe strekt eiser een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid te verlenen merkt de rechtbank het volgende op. Verweerder stelt dat eiser niet aan de voorwaarden van dit beleid voldoet omdat zijn procedure betrekking heeft op de intrekking van een vergunning tot verblijf, en niet op een aanvraag om een vergunning tot verblijf. Verzoeker zou daarom niet langdurig in onzekerheid hebben verkeerd omtrent zijn toelatingsprocedure. De rechtbank is van oordeel dat deze stelling geen stand kan houden. Blijkens Vc 1994 A4/6.22.1 is de ratio van het driejarenbeleid gelegen in de langdurige onzekerheid over de uitkomst van de toelatingsprocedure. Ook ten aanzien van eiser is immers, in materiële zin, sprake van een toelatingsprocedure, nu niet valt in te zien waarin de onzekerheid waarin eiser heeft verkeerd verschilt van de onzekerheid van een vreemdeling die procedeert over de weigering hem een vergunning tot verblijf te verlenen. De rechtbank kent in dit kader dan ook geen overwegende betekenis toe aan de omstandigheid dat in Vc 1994 A4/6.22 wordt gesproken van „de aanvraag tot toelating„.

11. Ook aan eiser is derhalve op onjuiste gronden een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid onthouden. Behoudens contra-indicaties dient eiser derhalve in ieder geval met ingang van 18 augustus 2000 een vergunning tot verblijf op grond van dit beleid te worden verleend.

12. Verweerder zal zich bij een ten aanzien van eiseres nieuw te nemen besluit voorts opnieuw dienen te beraden over de vraag of zij aanspraken aan Besluit 1/80 kan ontlenen. Eisers hebben hier belang bij aangezien eiseres hieraan wellicht sterkere verblijfsaanspraken kan ontlenen dan aan het driejarenbeleid, bijvoorbeeld wat betreft de ingangsdatum van haar vergunning tot verblijf, hetgeen tevens consequenties voor de ingangsdatum van de vergunning tot verblijf van eiser kan hebben.

13. De rechtbank overweegt te dien aanzien het volgende. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres geen rechten kan ontlenen aan artikel 6, eerste lid, tweede gedachtestreepje van Besluit 1/80. Het betreffende artikel luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden, heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat behoort:

° na een jaar legale arbeid in die Lid-Staat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;

° na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de Lid-Staten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die Lid-Staat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die Lid-Staat;

° na vier jaar legale arbeid, in die Lid-Staat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze.

14. Blijkens de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (HvJ EG) komt aan artikel 6, eerste lid, van Besluit 1/80 rechtstreekse werking toe (Sevince, HvJ EG 20 september 1990, RV 1990/91, en Kus, HvJ EG 16 december 1992, RV 1992/94). In het arrest Kus heeft het HvJ EG verder overwogen dat een Turkse werknemer die aan de voorwaarden van artikel 6, eerste lid, van Besluit 1/80 voldoet niet alleen aanspraak kan maken op verlenging van zijn arbeidsvergunning, maar tevens op verlenging van zijn verblijfsvergunning.

In het arrest Eker van 29 mei 1997 (C-386/95) heeft het HvJ EG in rechtsoverweging 23 het volgende bepaald:

„ […] de coherentie van het stelsel van geleidelijke integratie van de Turkse werknemer in de arbeidsmarkt van de Lid-Staat van ontvangst, zoals dat in de drie onderdelen van artikel 6, lid 1, is neergelegd, [zou] worden verstoord, indien de betrokkene reeds vóór hij aan de in lid 1, eerste streepje, bedoelde voorwaarde van één jaar legale arbeid voldoet, recht had om bij een andere werkgever in dienst te treden. Volgens het tweede streepje van dit lid mag de Turkse werknemer immers pas na drie jaar legale arbeid in de betrokken Lid-Staat in dienst van een andere werkgever treden, op voorwaarde dat deze werkgever tot dezelfde beroepsgroep behoort als de vorige werkgever en de voorrang eerbiedigt die aan werknemers van de Lid-Staten moet worden verleend.„

15. Besluit 1/80 gaat derhalve uit van de geleidelijke opbouw van rechten van Turkse werknemers, waarbij sprake is van een geleidelijke afname van de voorrang van de werknemers van Lid-Staten op de arbeidsmarkt. Na een jaar legale arbeid heeft een Turkse werknemer recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever (en derhalve op verder verblijf in de Lid-Staat), na drie jaar legale arbeid heeft hij het recht van werkgever te veranderen, zij het in hetzelfde beroep, en na vier jaar legale arbeid heeft de werknemer vrije toegang tot de arbeidsmarkt van de Lid-Staten. Hieruit volgt dat een Turkse werknemer pas na drie jaar legale arbeid van werkgever kan veranderen, wil hij zijn rechten op grond van artikel 6, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van Besluit 1/80 behouden. Nu eiseres ten tijde van de expiratie van haar vergunning tot verblijf geen drie jaar legale arbeid bij dezelfde werkgever had verricht, kan zij dan ook geen aanspraken aan artikel 6, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van Besluit 1/80 ontlenen.

16. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder tevens zal dienen te onderzoeken of eiseres rechten kan ontlenen aan artikel 7, eerste lid, van Besluit 1/80. Dit artikel bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende:

"Gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen:

-hebben het recht om - onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang - te reageren op een arbeidsaanbod, wanneer zij sedert ten minste 3 jaar aldaar legaal wonen;

-hebben er vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te hunner keuze wanneer zij sedert ten minste 5 jaar aldaar legaal wonen."

17. Nu eiseres tot Nederland is toegelaten voor (verruimde) gezinshereniging met haar (Turkse) vader, en zij vervolgens meer dan drie jaar legaal in Nederland heeft verbleven, kan niet worden uitgesloten dat zij onder de reikwijdte van artikel 7, eerste lid, van Besluit 1/80 valt. Verweerder zal hierover een beslissing moeten nemen. Daarbij zal in ieder geval aandacht dienen te worden besteed aan de vraag of de vader van eiseres op enig moment viel aan te merken als een werknemer in de zin van dit artikel, waarbij van belang is dat deze blijkens het dossier ten tijde van de binnenkomst van eiseres in Nederland een WAO-uitkering ontving. Verweerder zal tevens dienen te beoordelen of in het licht van de betreffende bepaling vereist is dat het gezinslid van de Turkse werknemer ook na drie jaar legaal verblijf met deze blijft samenwonen, wil het betreffende gezinslid rechten aan het artikel kunnen ontlenen. Verweerder zal zich ten slotte dienen te beraden over de vraag of slechts rechten aan het tweede gedachtestreepje van het eerste lid van het artikel kunnen worden ontleend, als geen sprake is van prioriteitgenietend aanbod in de Lid-Staat.

18. Ten slotte merkt de rechtbank nog op dat het betoog van eiseres dat haar op 10 juni 1996 op grond van de toenmalige beslissingspraktijk van verweerder ten onrechte een „zoekjaar„ is toegekend niet opgaat. Blijkens de overgangsregeling in Vc 1994 B1/4.6 waarbij deze beslissingspraktijk is afgeschaft gold de gedragslijn van verweerder immers enkel ten aanzien van alleenstaanden, en niet ten aanzien van gehuwden.

19. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

20. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart de beroepen gegrond;

2. vernietigt de bestreden besluiten;

3. bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 102,10 (zegge: honderdtwee euro en tien eurocent).

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.S. Reid, voorzitter, en mr. W.J. van Bennekom en mr. O.L.H.W.I. Korte, leden van de Meervoudige Kamer, en uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2002, door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. Heringa, griffier.

Afschrift verzonden op:19 juni 2002

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.