Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6541

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-08-2002
Datum publicatie
15-08-2002
Zaaknummer
KG 02/957
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 690
Ontslagbesluit
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2002, 232
JAR 2002, 198
JAR 2002/198 met annotatie van Prof. mr. E. Verhulp
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 15 augustus 2002,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 02/957 van:

de verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid

1. CNV Dienstenbond,

gevestigd en kantoorhoudende te Hoofddorp,

2. FNV Bondgenoten,

gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

eiseressen,

procureur mr. H.J.A. Knijff,

advocaat mr. A.A. M. Struik te Utrecht,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Centrale Organisatie Werk en Inkomen,

zetelende te Amsterdam en feitelijk gevestigd te Zoetermeer,

gedaagde,

procureur mr. Th. Veling,

in welke zaak heeft verzocht zich te mogen voegen aan de zijde van gedaagde:

de besloten vennootschap

CMG Noord-Nederland B.V.,

gevestigd te Amstelveen en kantoorhoudende te Groningen,

requirante tot voeging,

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

advocaat mr. M. Holtzer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna ook wel worden aangeduid als 'de bonden', 'CWI' en 'CMG'.

1. De incidentele vordering tot voeging

Op haar daartoe strekkend verzoek, waartegen de andere partijen geen bezwaar hebben gemaakt, is CMG toegelaten tot voeging aan de zijde van CWI, aangezien aannemelijk is geworden dat zij er een eigen belang bij heeft om verweer te voeren tegen de vorderingen van de bonden.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 8 augustus 2002 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

- Op 18 april 2002 hebben vertegenwoordigers van CMG zich tot CWI gewend ter voorbereiding van een in te dienen ontslagaanvraag voor ongeveer 118 werknemers.

- Bij brief van 30 mei 2002 heeft CMG aan CWI melding gedaan van haar voornemen 118 werknemers, waarvan 110 consultants en 8 stafmedewerkers, te ontslaan ten gevolge van een op grond van economische en bedrijfsorganisatorische redenen noodzakelijk geworden reorganisatie. CMG vermeldt in die brief , voorzover hier van belang:

"De kernaktiviteiten van NNL (bedoeld wordt hier: CMG) bestaan uit ICT-dienstverlening aan middelgrote en grote bedrijven in Groningen, Friesland en Drente. NNL stelt daartoe, door middel van opdrachten van klanten, haar consultants aan klanten beschikbaar om daar werkzaam te zijn." en voorts:

"De criteria die aangelegd zijn voor de selectie van de voor ontslag in aanmerking komende werknemers, bestaan, zoals op 18 april j.l. met u uitvoerig is besproken, uit een analoge toepassing van de uitzonderingsbepaling van het anciënniteitsbeginsel voor de uitzendsector (bijlage B van het Ontslagbesluit). Dit op grond van het feit dat NNL (CMG) haar consultants bij haar klanten (opdrachtgevers) te werk stelt."

- Bij brief van 1 juli 2002 heeft CMG aan CWI verzocht toestemming te verlenen voor opzegging van de arbeidsverhouding met 109 werknemers van CMG.

- Bij brief van 3 juli 2002 aan CMG heeft CWI de ontvangst van de aanvraag bevestigd. CWI schrijft dat CMG nog in de gelegenheid zal worden gesteld te reageren op reacties van de werknemers, indien die nog vragen oproepen.

- Bij brief van 12 juli 2002 heeft CNV Dienstenbond namens de voor ontslag voorgedragen werknemers, die zij organiseert, verweer gevoerd tegen het hanteren door CMG van Bijlage B van het Ontslagbesluit.

- Hierna is tussen partijen een discussie ontstaan over de toepasselijkheid van bijlage B van het Ontslagbesluit.

- Bij brief van 18 juli 2002 hebben de bonden de Raad van Bestuur van CWI gesommeerd ervoor zorg te dragen dat de toetsing van de ontslagaanvragen geschiedt aan de hand van de normaal gebruikelijke regels van anciënniteit en niet op basis van Bijlage B van het Ontslagbesluit.

- Bij faxbericht van 22 juli 2002 aan CWI heeft CMG feitelijke informatie verschaft met betrekking tot de bedrijfssituatie van CMG, op grond waarvan CMG meent dat het selectiecriterium zoals neergelegd in het Ontslagbesluit Bijlage B dient te worden toegepast.

- Bij brief van 22 juli 2002 aan de bonden heeft de Raad van Bestuur van CWI aangegeven dat hij voorlopig - mede op basis van de nadere toelichting van CMG - moet concluderen dat CWI met recht heeft geoordeeld dat de voor ontslag voorgedragen werknemers werkzaam zijn op basis van een driehoeksrelatie CMG-consultant-opdrachtgever in de zin van artikel 7:690 BW en dat derhalve toepassing zou moeten worden gegeven aan Bijlage B van het Ontslagbesluit.

- Bij brief van 23 juli 2002 hebben de bonden aan de Raad van Bestuur van CWI laten weten hun standpunt te handhaven en CWI onder meer gesommeerd de ontslagvergunningen te toetsen aan de hand van de normaal gebruikelijke regels van anciënniteit.

- Bij brief van 24 juli 2002 heeft CWI de bonden onder meer geantwoord, dat zij de aanvankelijk ingenomen standpunten handhaaft en dat zij geen aanleiding ziet de gestarte behandeling van de ontslagaanvragen te wijzigen.

3. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

De bonden vorderen - zakelijk weergegeven - CWI te gebieden om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de door CMG verzochte ontslagaanvraag te toetsen aan de hand van normaal gebruikelijke regels van anciënniteit en niet op basis van de regels vervat in Bijlage B ingevolge artikel 6 van het BBA en zulks binnen die termijn aan hen schriftelijk te berichten, alsmede CWI te verbieden de door CMG gevraagde ontslagvergunningen (mede) te laten toetsen door de tot op heden daarbij betrokken medewerkers.

Daartoe voeren de bonden - kort samengevat - het volgende aan.

De driehoeksarbeidsrelatie waar het hier om gaat is niet te kwalificeren als een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690 BW.

In de statuten van CMG ontbreekt in de doelomschrijving dat sprake zou zijn van detachering. Voorts verrichten de consultants niet 80 % van de werkzaamheden op detacheringsbasis, zoals door CMG is aangevoerd, en worden de werkzaamheden die de consultants op detacheringsbasis verrichten onder toezicht en leiding van CMG verricht en niet onder leiding van de opdrachtgever.

De bonden hebben recht en spoedeisend belang om CWI te gebieden de ontslagaanvragen te toetsen aan de normaal gebruikelijke regels van anciënniteit.

Toetsing van de ontslagaanvragen door medewerkers die voorafgaand aan de melding van het collectief ontslag reeds toezeggingen hebben gedaan over de te hanteren criteria is onrechtmatig jegens de (leden van) de bonden, nu van een onafhankelijke toetsing geen sprake meer kan zijn.

CWI voert gemotiveerd verweer dat - kort samengevat - als volgt luidt:

De onderhavige ontslagprocedure is nog niet afgerond. Zij verkeert nog in het stadium van de voorbereiding voor de uiteindelijke beoordeling. De vorderingen van de bonden miskennen de eigen bijzondere positie van CWI. Het is primair de verantwoordelijkheid van CWI zelf om het Ontslagbesluit toe te passen en uit te leggen op grond van het beschikbare feitenmateriaal. Alleen ingeval de ingezette koers omtrent de beoordeling van de ontslagaanvraag onmiskenbaar onjuist zou zijn is ruimte voor een rechterlijk oordeel. In casu kan niet worden gezegd dat CWI niet in redelijkheid tot de gevolgde koers heeft kunnen komen.

CMG voert eveneens gemotiveerd verweer. Zij voert aan dat CMG een detacheringsbedrijf is. In de praktijk is sprake van een tweeledig karakter van de gezagsverhouding. De detacheringswerkzaamheden kunnen wel degelijk worden gebracht onder artikel 7:690 BW. CWI heeft die toets bovendien zelfstandig uitgevoerd.

Voorts meent CMG dat een belangenafweging in haar voordeel moet uitvallen. Indien namelijk toepassing van Bijlage B niet zou mogen plaatsvinden zou de voltooiing van de reddingsoperatie van CMG gevaar lopen.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Kern van het geschil tussen partijen is de vraag of de driehoeksarbeidsrelatie waar het hier om gaat valt onder de regeling met betrekking tot de uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 BW.

4.2. Vaststaat dat de wetgever ook andere driehoeksarbeidsrelaties dan die tussen uitzendbureau en uitzendkracht onder die regeling heeft willen brengen. Nagegaan dient derhalve te worden of CWI het (voorlopige) standpunt heeft kunnen innemen dat in casu is voldaan aan de vereisten van de definitie van de uitzendovereenkomst.

4.3. De bonden hebben betwist dat de werkzaamheden van de consultants van CMG grotendeels bestaan uit werkzaamheden, verricht op detacheringsbasis. Zij verwijzen naar een enquête onder de voor ontslag voorgedragen consultants waaruit zou zijn af te leiden dat de werkzaamheden op detacheringsbasis hoogstens de helft van het totale werkaanbod beslaan. Die conclusies zijn echter niet gebaseerd op objectieve gegevens. De bonden hebben voorts aangevoerd, dat er in de arbeidsovereenkomst niet is vermeld - zoals wettelijk is voorgeschreven - of deze is te beschouwen als een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690 BW. Uit jurisprudentie van het Europese Hof kan echter worden opgemaakt dat het feit dat een dergelijke afspraak in een arbeidsovereenkomst niet schriftelijk is overeengekomen niet betekent dat deze afspraak niet van toepassing is. Voorts betekent - anders dan de bonden hebben aangevoerd - het feit dat in de arbeidsovereenkomst een concurrentieverbod is opgenomen evenmin dat geen sprake is van een overeenkomst in de zin van artikel 7:690 BW. Het kan hooguit leiden tot een vernietiging van dat beding.

Gelet op het voorgaande hebben de bonden de stelling van CMG, dat de werkzaamheden van CMG grotendeels detacheringswerkzaamheden betreffen en dat detachering derhalve doelstelling is van haar bedrijfsactiviteiten, onvoldoende gemotiveerd weersproken. Dat voormelde werkzaamheden niet met zoveel woorden in de doelomschrijving van de statuten van CMG worden vermeld kan er niet toe leiden dat CMG niet kan worden gekenmerkt als een detacheringsbedrijf.

4.4. De bonden hebben voorts betwist dat de consultants van CMG de detacheringswerkzaamheden onder toezicht en leiding van de opdrachtgever verrichten. Zowel CMI als CMG hebben hierop als verweer aangevoerd, dat het hier uitsluitend gaat om de werkzaamheden die de werknemer in het kader van de terbeschikkingstelling bij de opdrachtgever verricht en dat die werkzaamheden onder diens toezicht en leiding plaatsvinden en dat CMG als werkgever nog zeggenschap heeft over bepaalde andere aspecten van het dienstverband. CMG heeft daarbij verwezen naar een passage in het Standard Practice Manual, waarin onder meer de werkwijze van haar organisatie wordt beschreven. Onder 6.2.3. staat vermeld - voorzover hier van belang -: 'A consultancy assignment is defined as "work carried out for a client which is managed and controlled by the client" '. Voorts heeft zij verwezen naar de omschrijving van de Consultant in het door haar gehanteerde Consultancy Handboek onder 2.3 waaruit kan worden opgemaakt dat het gaat om werkzaamheden 'die de cliënt definieert, controleert en stuurt'.

De bonden hebben hiertegenover hun stelling niet nader onderbouwd. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat de detacheringswerkzaamheden waar het hier om gaat worden verricht onder toezicht en leiding van de opdrachtgever.

4.5. Gelet op het voorgaande is het niet onjuist te noemen dat CWI zich (voorlopig) op het standpunt stelt dat de onderhavige driehoeksarbeidsrelatie voldoet aan de vereisten van de definitie van de uitzendovereenkomst overeenkomstig artikel 7:690 BW. Er is dan ook geen aanleiding in te grijpen met een voorziening als door de bonden gevorderd. Daarbij kan in het midden worden gelaten of het oordeel van CWI al dan niet nog zal worden gewijzigd op grond van nieuwe door de werknemers aan te leveren gegevens.

4.6. Van door CWI gedane toezeggingen aan CMG omtrent het te hanteren selectiecriterium is onvoldoende gebleken. CWI heeft voldoende aannemelijk gemaakt slechts een voorlopig oordeel te hebben gegeven op basis van het door CMG aangeleverde feitenmateriaal. Voor een verbod aan CWI om de ontslagvergunningen (mede) te laten toetsen door de tot op heden daarbij betrokken medewerkers is derhalve evenmin plaats.

4.7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering moet worden afgewezen.

De bonden zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt de bonden in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van CWI begroot op € 896,--, waarvan € 193,-- aan griffierecht en aan de zijde van CMG op € 896 , waarvan € 193,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 15 augustus 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.

evm