Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6387

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-03-2002
Datum publicatie
09-08-2002
Zaaknummer
09/050459-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnr. 3/2002

Parketnummer 09/050459-01

datum beschikking: 12 maart 2002

Beslissing in wrakingsincident

Beschikking op het ter openbare terechtzitting van 12 maart 2002 gedane verzoek tot wraking in de zaak met bovenstaand parketnummer tegen de verdachte:

[verzoeker],

- hierna te noemen verzoeker-,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

1. De procedure

Op 1 februari 2002 is de strafzaak tegen verzoeker [verzoeker] uitgeroepen. Verzoeker heeft op voornoemde terechtzitting de wraking van de politierechter [politierechter] voorgedragen.

Het onderzoek ter terechtzitting is daarop geschorst, teneinde het wrakingsverzoek door de wrakingskamer van bovengenoemde rechtbank te doen behandelen.

Op 1 februari 2002 is het wrakingsverzoek ter openbare raadkamerzitting van deze wrakingskamer behandeld.

De verzoeker is aldaar verschenen en heeft volhard bij zijn ter terechtzitting van 1 februari 2002 gedane verzoek en heeft zijn standpunt daaromtrent nader toegelicht.

De wrakingskamer heeft het verzoek tot wraking afgewezen.

Bij hervatting van de strafzaak tegen verzoeker heeft hij opnieuw de wraking van de politierechter [politierechter] voorgedragen.

Het onderzoek ter terechtzitting is daarop wederom geschorst, teneinde het wrakingsverzoek door de wrakingskamer van bovengenoemde rechtbank te doen behandelen.

Op voornoemde, tweede, zitting van de wrakingskamer heeft verzoeker de wraking van de leden van de wrakingskamer voorgedragen.

De behandeling van het wrakingsverzoek is daarop voor onbepaalde tijd geschorst, teneinde een andere samenstelling van de wrakingskamer op dit verzoek te laten beslissen.

Op 12 maart 2002 is het wrakingsverzoek ter openbare raadkamerzitting van deze wrakingskamer behandeld.

De verzoeker is niet ter zitting verschenen.

De leden van de gewraakte wrakingskamer zijn niet ter zitting verschenen. Zij hebben de rechtbank schriftelijk medegedeeld niet in de wraking te berusten.

De officier van justitie mr J. Koorn is ter zitting verschenen.

2. Het standpunt van verzoeker

De verzoeker stelt zich op het standpunt dat er sprake is van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering.

Ter onderbouwing van het standpunt heeft verzoeker - zakelijk weergegeven - de navolgende grond aangevoerd:

"De individuele leden van de wrakingskamer worden niet meer geacht onpartijdig te zijn, nu zij in deze zaak al eerder op een wrakingsverzoek (Wrakingnr. 2/2002) hebben beslist".

3. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - zakelijk weergegeven - als volgt het woord gevoerd:

"Verzoeker heeft geen gronden naar voren gebracht die mijns inziens zouden moeten leiden tot de conclusie dat het wrakingsverzoek moet worden toegewezen. Ik concludeer tot afwijzing van het wrakingsverzoek. Voorts vraag ik de rechtbank artikel 515 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering toe te passen nu verzoeker misbruik maakt van zijn wettelijke mogelijkheid een rechter te wraken. Hij heeft reeds voor de derde maal tijdens de behandeling van zijn zaak een wrakingsverzoek ingediend."

4. Beoordeling

4.1 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

4.2 De enkele grond dat een bepaalde samenstelling van de wrakingskamer reeds eerder op een wrakingsverzoek in deze zaak heeft beslist is onvoldoende voor het aannemen van partijdigheid aan de zijde van de leden van de wrakingskamer.

4.3 Nu de door verzoeker aangevoerde grond het wrakingsverzoek niet kan dragen en zich naar het oordeel van de rechtbank overigens geen omstandigheden hebben voorgedaan die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor partijdigheid van de wrakingskamer dan wel voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bij verzoeker, dient het verzoek te worden afgewezen.

4.4 Voorts is de rechtbank van oordeel dat het laatst ingediende wrakingsverzoek slechts is ingediend door verzoeker teneinde de behandeling van zijn strafzaak op te houden. Reden waarom de rechtbank artikel 515 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering zal toepassen en zal bepalen dat een volgend verzoek tot wraking van verzoeker niet in behandeling zal worden genomen.

5. Beslissing

De rechtbank:

Wijst het verzoek tot wraking af en stelt de stukken in handen van de wrakingskamer die het eerdere wrakingsverzoek heeft behandeld, teneinde alsnog hierop een beslissing te nemen.

Bepaalt voorts dat, op grond van artikel 515 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering, een volgend verzoek tot wraking niet in behandeling zal worden genomen.

Aldus gedaan op 12 maart 2002 door mr. Von Maltzahn, vice-president en

mrs Aarts en Molenaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Dingley als griffier.