Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6340

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-05-2002
Datum publicatie
08-08-2002
Zaaknummer
AWB 01/6406 OVERIO GR, 99/9926 VRWET Z VR
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoorplicht / uitstel van vertrek.

Eiser stelt zich op het standpunt dat de hoorplicht is geschonden omdat aan hem uitstel van vertrek (uvv) was verleend. Verweerder heeft het horen op grond van artikel 32, tweede lid, Vw achterwege gelaten. Het in de bestreden beschikking toegepaste artikel 32, tweede lid, Vw vormt een uitzondering op de algemene regeling van de hoorplicht in de Awb. Die uitzondering is niet (langer) van toepassing in de gevallen waarin, nadat schorsende werking is onthouden, de uitzetting op andere gronden verband houdend met het beoogde verblijfsdoel, alsnog achterwege wordt gelaten. In het onderhavige geval heeft verweerder het uitstel van vertrek aan afgewezen en uitgeprocedeerde Iraanse asielzoekers met ingang van 22 januari 1999 opgeheven. Nu het uitstel van vertrek reeds voor de schorsingsbeslissing van 2 maart 1999 en de bestreden beslissing was opgeheven, heeft verweerder terecht kunnen besluiten om het horen op grond van artikel 32, tweede lid achterwege te laten. De omstandigheid dat de opheffing van het uitstel van vertrek eerst bij brief van 22 oktober 1999 aan eiser kenbaar is gemaakt doet hier niet aan af. Bij brief van 22 oktober 1999 is aan eiser kenbaar gemaakt dat het uvv met ingang van 22 januari 1999 was opgeheven. Derhalve is het relevant tijdsverloop op 22 oktober 1999 gestuit. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK te ‘s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

sector vreemdelingenrecht

regnr.: Awb 01/6406 OVERIO GR en 99/9926 VRWET Z VR

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1968, van Iraanse nationaliteit,

IND dossiernummer 9801.03.8007,

gemachtigde: mr. Y. Tamer, advocaat te 's-Gravenhage,

eiser;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage, mr. N.B. de Neef, verweerder.

1 Procesverloop

1.1 Op 4 januari 1998 heeftheeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling en een vergunning tot verblijf ingediend. Bij beschikkingbeschikking van 18 september 1998 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd en de door eiser ingediende aanvraag om een vergunning tot verblijf niet ingewilligd. Bij brief van 15 oktober 1998 is daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar bij beschikkingbeschikking van 24 september 1999 ongegrond verklaard. Bij brief van 20 oktober 1999 is daartegen beroep ingesteld.

1.2 Bij beschikking van 22 oktober 1999 heeft verweerder het eerder aan eiser verleende uitstel van vertrek met ingang van 22 januari 1999 opgeheven. Bij brief van 19 november 1999 heeft eiser daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar bij beschikking van 5 januari 2001 ongegrond verklaard. Bij brief van 5 februari 2001 is daartegen beroep ingesteld.

1.3 Bovenstaande beroepen zijn ter zitting van vrijdag 26 april 2002 gevoegd behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 Toetsingskader

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikkingbeschikkingen toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan.

2.2 Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in werking getreden en is de Vreemdelingenwet (Vw) ingetrokken. Artikel 119 Vw 2000 beperkt de toepassing van het procesrecht dat gold vóór invoering van deze wet tot de mogelijkheid om beroep in te stellen, het griffierecht en de schorsende werking, zodat voor het overige het nieuwe procesrecht van toepassing is.

De rechtbank zal daarom bij de beoordeling van het beroep toepassing geven aan artikel 83 Vw 2000 en rekening houden met feiten en omstandigheden die na het nemen van de bestreden beschikkingbeschikking zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

3 Standpunten

3.1 Het asielrelaas van eiser komt op het volgende neer. Eiser bezit de Iraanse nationaliteit, behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep en was woonachtig in Bana. Gedurende zijn schoolperiode heeft eiser problemen ondervonden van de schoolautoriteiten. In 1993 heeft eiser een onslagbrief van de Technische Hogeschool ontvangen. Hierna is eiser tot 1995 in militaire dienst gegaan. Na terugkeer uit militaire dienst heeft eiser gedurende anderhalf jaar satellietschotels geïnstalleerd bij Iraanse burgers, hetgeen streng verboden was. Eiser kocht deze schotels van B. Daarnaast heeft eiser documenten voor de Koerdische Democratische Partij van Iran (KDPI) vervoerd. Eiser is sympathisant van de KDPI. Eiser verstopte de documenten van de KDPI, welke hij van C had gekregen, tussen de schotelapparatuur. 21 dagen voor het vertrek van eiser uit Iran is B opgepakt. Eiser is vervolgens naar Teheran gevlucht waar hij ongeveer drie weken bij een vriend heeft verbleven. Nadat eiser drie dagen niet in de winkel van zijn vader was verschenen is de inlichtingendienst naar de ouderlijke woning gegaan. Omdat eiser daar niet aanwezig was, is zijn vader meegenomen. Na twee dagen is eisers vader vrijgelaten. Gedurende zijn verblijf in Teheran heeft eiser van zijn broer gehoord dat ook C was opgepakt. Ongeveer 5 december 1997 heeft eiser zijn land van herkomst verlaten.

3.2 Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard, omdat er gelet op hetgeen is aangevoerd en hetgeen overigens bekend is geen enkel vermoeden bestaat dat eiser in zijn land van herkomst gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging. De problemen die eiser gedurende zijn studietijd heeft ondervonden zijn voor eiser geen reden geweest om zijn land te verlaten. Dat eiser heeft verklaard sympathisant te zijn van de KDPI en voor deze partij activiteiten zou hebben verricht, leidt niet tot vluchtelingschap nu niet is gebleken dat eiser deswege problemen heeft ondervonden. Het door eiser overgelegde document d.d. 17 juli 1998 afkomstig van de KDPI doet hier niet aan af. Voor zover de autoriteiten al op de hoogte zouden zijn of geraken van het lidmaatschap van eiser van de KDPI overweegt verweerder dat gelet op de aard en omvang van zijn activiteiten het niet aannemelijk is dat eiser deswege te vrezen zou hebben voor vervolging.

Verder blijkt uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 5 maart 1998 dat bestraffing wegens het in bezit hebben dan wel verspreiden van verboden materiaal waaronder satellietschotels, in de praktijk hooguit leidt tot de oplegging van een geldboete. Niet is aannemelijk dat eiser op grond van het plegen van de door hem gestelde activiteiten in Iran een straf te wachten zou staan die onevenredig zwaar is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij als opposant bekend is bij de Iraanse autoriteiten. Eiser heeft geen dagvaarding of arrestatiebevel overgelegd om zijn relaas te onderbouwen. Dat de inlichtingendienst naar eiser zou hebben geïnformeerd en zijn vader in zijn plaats zou hebben meegenomen, leidt niet tot een andere conclusie nu niet is gebleken dat dit verband hield met de gestelde activiteiten van eiser. Bovendien is eisers vader na een korte periode weer vrijgelaten. Verder is de stelling dat B en C zouden zijn opgepakt enkel gebaseerd op informatie afkomstig van derden.

De stelling dat alle Koerden uit Koerdistan in aanmerking zouden moeten komen voor een voorlopige vergunning tot verblijf (vvtv) wordt niet gevolgd.

3.3 Eiser stelt zich op het standpunt dat hij ten onrechte in de bezwaarfase niet is gehoord. Immers, zowel in de beschikking in eerste aanleg als in het bestreden besluit is onvoldoende aandacht aan het schrijven van de KDPI d.d. 17 juli 1998 besteed waarin wordt bevestigd dat eiser als sympathisant van de KDPI actief is geweest.

De KDPI geeft aan dat sinds 1979 een bloedige oorlog tussen de KDPI en de Iraanse autoriteiten heerst. Door de Iraanse autoriteiten worden de leden en sympathisanten van de KDPI niet alleen in Iran maar ook buiten Iraanse grenzen vervolgd en vermoord. Eiser heeft gesteld dat de Iraanse autoriteiten zelfs met toestemming van de PUK, regelmatig aanslagen op Koerden in Koerdistan heeft gepleegd. Aan deze stelling van eiser is het ministerie geheel voorbij gegaan. Het ministerie had gemotiveerd de stelling van eiser moeten weerleggen danwel hem aanvullend moeten horen. Eiser is derhalve van mening dat de hoorplicht is geschonden.

Gezien de mensenrechtensituatie in Iran kunnen eisers stellingen in onderlinge samenhang bezien, tot de conclusie leiden dat eiser gegronde vrees voor vervolging heeft. Voorts doet eiser een beroep op artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In de gronden van het beroep inzake de opheffing van het eerder aan eiser verleende uitstel van vertrek heeft eiser naar voren gebracht dat het uitstel van vertrekbeleid op 22 januari 1999 ten onrechte is beëindigd. Eiser heeft naar voren gebracht dat volgens de VN de mensenrechtenschendingen in 1999 juist zijn toegenomen. Verweerder heeft in de bestreden beschikking ten onrechte geen motivering aan deze stelling gewijd. Verder had aan eiser bij beschikking van 5 januari 2001 ambtshalve een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid moeten worden verleend.

Ter zitting heeft eisers gemachtigde verder nog aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden nu aan eiser uitstel van vertrek was verleend.

4 Overwegingen

5 Met betrekking tot het beroep inzake de opheffing van het eerder aan eiser verleende uitstel van vertrek, Awb, 01/6406 OVERIO GR.

5.1 Op 22 januari 1999 heeft verweerder aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (TK 1998-1999 , 19637, nr. 413) medegedeeld dat de gedwongen terugkeer van uitgeprocedeerde Iraanse asielzoekers in principe kan worden hervat. Het uitstel van vertrek aan afgewezen en uitgeprocedeerde Iraanse asielzoekers is met ingang van die datum beëindigd. De Tweede Kamer heeft op 4 februari 1999 hiermee ingestemd. Dit betekent dat ook het aan eiser verleende uitstel van vertrek met ingang van 22 januari 1999 is opgeheven.

5.2 De rechtbank kan zich vinden in de argumenten van verweerder zoals weergegeven in de bestreden beschikking. Hetgeen in het (aanvullend) beroepschrift en ter zitting door eiser is gesteld, heeft de rechtbank niet tot de overtuiging kunnen brengen dat verweerder een onjuiste beslissing heeft genomen.

6 Met betrekking tot beroep inzake de aanvraag om toelating als vluchteling en een vergunning tot verblijf, Awb, 99/9926 VRWET

6.1 Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Iran zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, of c, Vw 2000 dient te worden verleend. Eiser zal daarom aannemelijk moeten maken dat met betrekking tot persoonlijke feiten er omstandigheden bestaan op grond waarvan een dergelijke verblijfsvergunning dient te worden verleend.

6.2 Op grond van artikel 15 Vw in samenhang met artikel 1 (A) Vluchtelingenverdrag kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

Naar het oordeel van de rechtbank geven de verklaringen van eiser geen aanleiding voor een vermoeden dat hij vervolging als vluchteling te vrezen heeft. Daartoe wordt het volgende overwogen. Eiser stelt twee verboden activiteiten te hebben verricht, namelijk het vervoeren/ installeren van satellietschotels en het vervoeren van pamfletten van de KDPI. Ten aanzien van het vervoeren van de satellietschotels oordeelt de rechtbank dat niet aannemelijk is dat eiser op grond hiervan een straf te wachten zou staan die onevenredig zwaar is nu uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 5 juni 1997 blijkt dat het verspreiden van verboden materiaal, waaronder satellietschotels, in de praktijk hooguit tot de oplegging van een geldboete leidt en uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 24 augustus 2001 verder blijkt dat het bezit van ontvangstapparatuur, mits verdekt opgesteld, in het algemeen met rust wordt gelaten. Bovendien neemt de rechtbank hierbij in aanmerking dat de door eiser ontplooide activiteiten slechts van marginale aard waren en hij niet als grootschalige handelaar aangemerkt kan worden. Op grond van het voorgaande valt derhalve niet in te zien dat eiser ten gevolge van het installeren en vervoeren van satellietschotels te vrezen heeft voor vervolging van de zijde van de Iraanse autoriteiten, nog daargelaten dat niet aannemelijk is dat de Iraanse autoriteiten van zijn activiteiten op de hoogte zijn.

Met betrekking tot het vervoeren van pamfletten van de KDPI overweegt de rechtbank als volgt.

Niet aannemelijk is geworden dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van eisers betrokkenheid bij de KDPI. Eiser heeft slechts van zijn broer vernomen dat C, de persoon van wie hij de te vervoeren documenten ontving, is opgepakt. Aan een dergelijke verklaring, afkomstig uit een niet objectief verifieerbare bron, kan niet de waarde worden gehecht die eiser hieraan wenst toe te kennen. Bovendien vermoedt eiser slechts dat de autoriteiten als gevolg van de arrestatie van C op de hoogte zijn geraakt van zijn betrokkenheid bij de KDPI. De door eiser overgelegde (standaard) verklaring van de KDPI Nederland d.d. 17 juli 1998 doet hier niet aan af, waarbij overigens wordt opgemerkt dat eisers gestelde activiteiten voor de KDPI niet in geschil zijn. De omstandigheid dat eisers vader door de veiligheidsdienst is meegenomen en gedurende twee dagen is vastgehouden en dat daarbij naar eiser is gevraagd, doet aan het voorgaande evenmin af nu niet is gebleken dat deze arrestatie verband hield met de gestelde activiteiten van eiser voor de KDPI.

Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat niet aannemelijk is geworden dat eiser gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zijn.

6.3 Het is – mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – niet aannemelijk dat eiser gegronde reden heeftheeft aan te nemen dat variabele onbekendvariabele onbekendvariabele onbekendvariabele onbekendhijhij bij uitzetting een reëel risico looptloopt te worden onderworpen aan folteringen dan wel aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

6.4 Niet is gebleken van zodanig klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verlangd kan worden dat eiser terugkeert naar het land van herkomst.

6.5 Met betrekking tot het door verzoeker gedane beroep op schending van de hoorplicht overweegt de rechtbank als volgt. Het in de bestreden beschikking toegepaste artikel 32, tweede lid, Vw vormt een uitzondering op de algemene regeling van de hoorplicht in de Awb. Die uitzondering is niet (langer) van toepassing in de gevallen waarin, nadat schorsende werking is onthouden, de uitzetting op andere gronden verband houdend met het beoogde verblijfsdoel, alsnog achterwege wordt gelaten. In het onderhavige geval heeft verweerder, zoals hierboven reeds is weergegeven, het uitstel van vertrek aan afgewezen en uitgeprocedeerde Iraanse asielzoekers met ingang van 22 januari 1999 opgeheven. Nu het uitstel van vertrek reeds voor de schorsingsbeslissing van 2 maart 1999 en de bestreden beslissing was opgeheven, heeft verweerder terecht kunnen besluiten om het horen op grond van artikel 32, tweede lid achterwege te laten. De omstandigheid dat de opheffing van het uitstel van vertrek eerst bij brief van 22 oktober 1999 aan eiser kenbaar is gemaakt doet hier niet aan af.

6.6 Met betrekking tot het door eiser gedane beroep op het driejarenbeleid oordeelt de rechtbank als volgt. In hoofdstuk A4/6.22 van de Vreemdelingencirculaire is neergelegd dat een vreemdeling in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf, indien aan de volgende drie cumulatieve voorwaarden is voldaan.

1. Er zijn tenminste drie jaren verstreken na de datum van de aanvraagtoelating en de vreemdeling heeft nog geen beslissing of nog geen onherroepelijke beslissing op zijn aanvraag ontvangen, terwijl het oorspronkelijk beoogde verblijfsdoel nog steeds van toepassing is, én

2. de uitzetting is om beleidsmatige redenen achterwege gebleven; dat wil zeggen om een reden die verband houdt met het verblijfsdoel;én

3. er is geen sprake van contra-indicaties.

Eisers aanvraag dateert van 4 januari 1998. Bij brief van 22 oktober 1999 is aan eiser kenbaar gemaakt dat het uitstel van vertrek met ingang van 22 januari 1999 was opgeheven. Verder is aan eiser hangende beroep geen schorsende werking verleend. Derhalve is het relevante tijdsverloop op 22 oktober 1999 gestuit. Gezien het voorstaande voldoet eiser niet aan het hierboven onder punt 1. genoemde criterium van het driejarenbeleid zoals dit is neergelegd in hoofdstuk A4/6.22 van de Vc. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder had moeten afwijken van het hiervoor genoemde beleid.

6.7 Het beroep is, gelet op het vorenstaande, ongegrond.

6.8 Er bestaat geen aanleiding voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

7 BESLISSING

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Dresselhuys-Doeleman in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2002

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: 23 mei 2002