Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6331

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-06-2002
Datum publicatie
08-08-2002
Zaaknummer
AWB 01/59836 BEPTDN, AWB 01/60243 BEPTDN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Driejarenbeleid / Leemtewet.

Eisers hebben hun aanvragen om verlening van een vergunning vanwege klemmende redenen van humanitaire aard ingediend vóór de inwerkingtreding van de Leemtewet, zodat verweerder zowel de reguliere als de asielgerelateerde gronden bij de beoordeling van de onderhavige aanvraag had moeten betrekken. Alhoewel de Vw 2000 dwingt om de aanvraag te rubriceren in een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier of asiel, acht de rechtbank het onzorgvuldig dat verweerder de aanvragen zonder navraag bij eisers heeft aangemerkt als reguliere aanvragen en vervolgens in de bestreden besluiten stelt dat de door eisers aangevoerde asielgerelateerde gronden niet bij de reguliere aanvraag kunnen worden betrokken en dat eisers daarvoor een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel moeten indienen.

Nu de aanvragen reeds op 12 augustus 1996 en 5 maart 1998 zijn ingediend, kon verweerder niet van eisers vragen een in de op 1 april 2001 in werking getreden Vb 2000 neergelegde bestaande beperking aan hun aanvraag te verbinden. Verweerder had de aanvragen van eisers moeten toetsen aan een bestaande beperking als neergelegd in artikel 3.4, eerste lid, Vb 2000, dan wel gebruik moeten maken van zijn in artikel 3.4, tweede lid, Vb 2000 neergelegde bevoegdheid om de vergunning onder een andere beperking te verlenen.

Het driejarenbeleid zoals dat gold ten tijde van het vollopen van de driejarentermijn, derhalve van vóór 1 april 2001, dient te worden toegepast. Omdat het driejarenbeleid in het beleid is neergelegd en niet in de wet, doet de inwerkingtreding van de Vw 2000 hieraan niets af. Volgens vaste jurisprudentie en volgens een ambtshalve bij de rechtbank bekende beslispraktijk van verweerder, werd bij aanvragen vanwege klemmende redenen van humanitaire aard waarbij sprake was van drie jaar relevant tijdsverloop, onder het oude beleid een vtv op grond van het driejarenbeleid verleend, terwijl in die procedures nog wel ter discussie stond of sprake was van klemmende redenen van humanitaire aard. De stelling van verweerder dat eisers niet voldoen aan het driejarenbeleid omdat niet wordt voldaan aan de belangrijkste voorwaarde, te weten klemmende redenen van humanitaire aard, gaat derhalve niet op. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000 3.4, geldigheid: 2002-06-21
Vreemdelingenwet 2000 14, geldigheid: 2002-06-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te ‘s-Gravenhage

nevenzittingsplaats Alkmaar

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 01/59836 BEPTDN en AWB 01/60243 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...] 1965, en B, geboren op [...] 1967, beiden van Congolese nationaliteit, wonende te C, eisers,

gemachtigde: mr. F.L.M. van Haren, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.W. Kreumer, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 12 augustus 1996 heeft eiser bij de korpschef van regio Zeeland een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf vanwege klemmende redenen van humanitaire aard. Op 5 maart 1998 heeft eiseres, zijn echtgenote, mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen D, geboren op [...] 1991, E, geboren op [...] 1989 en F, geboren op [...] 1997, bij de korpschef van regio Zeeland een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf vanwege klemmende redenen van humanitaire aard. Bij besluiten van 9 juli 1998 heeft verweerder deze aanvragen niet ingewilligd. Bij bezwaarschriften van 4 augustus 1998, aangevuld bij brieven van 24 september 1998, hebben eisers tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. De bezwaren zijn bij besluiten van 16 oktober 2001 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschriften van 12 november 2001, aangevuld bij brieven van 13 december 2001 en 20 maart 2002, hebben eisers tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 11 februari 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 20 maart 2002 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2002. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens waren de drie kinderen van eisers ter zitting aanwezig.

II. FEITEN

1. In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Eiser verblijft naar zijn zeggen sedert 19 mei 1994 in Nederland. Eiser heeft op 26 mei 1994, mede namens zijn kinderen D en E die zich op 26 januari 1995 bij de Dienst Vreemdelingenpolitie hebben aangemeld, een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling en een aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf vanwege klemmende redenen van humanitaire aard. Deze aanvragen zijn niet ingewilligd en de hierop volgende procedure is geëindigd bij uitspraak van deze rechtbank, van 1 mei 1996, waarbij het beroep ongegrond is verklaard.

Eiseres heeft op 25 juni 1996 een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend en een aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf vanwege klemmende redenen van humanitaire aard. Deze aanvragen zijn niet ingewilligd en de hierop volgende procedure is geëindigd bij uitspraak van deze rechtbank van 2 mei 1997.

Bij brief van 5 oktober 1998 heeft verweerder aan eisers medegedeeld dat zij de beslissingen op bezwaar niet in Nederland mogen afwachten, maar dat zij op grond van artikel 25 Vw niet vóór 4 november 1998 zouden worden uitgezet in verband met de gezondheidssituatie van de kinderen. Na deze datum zou opnieuw worden bezien of uitstel van vertrek zou worden verleend op grond van artikel 25 Vw.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanvragen (van 1996 en 1998) moeten worden opgevat als aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de nieuwe wet en dat eisers voor genoemde vergunning niet in aanmerking komen. Ingevolge artikel 14, tweede lid, Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning regulier verleend onder een beperking, verband houdend met het doel waarvoor verblijf is toegestaan. Gelet hierop is het niet mogelijk een verblijfsvergunning zonder beperking te verlenen op grond van klemmende redenen van humanitaire aard.

Het is in dit geval evenmin mogelijk om een verblijfsvergunning onder een beperking te verlenen. De toelatingsgronden genoemd in artikel 13 van de Vw 2000, waaronder klemmende redenen van humanitaire aard, hebben hun uitwerking gevonden in artikel 3:4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en een nadere uitwerking in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Klemmende redenen van humanitaire aard worden niet gezien als een verblijfsdoel en worden derhalve niet genoemd in artikel 3:4 van het Vb 2000. Eiser is in de gelegenheid gesteld om een beperking zoals neergelegd in artikel 3:4 van het Vb 2000 aan verweerder bekend te maken. Eiser heeft geen beperking (verblijfsdoel) geformuleerd, zodat niet aan de voorwaarden van de gewenste beperking kan worden getoetst.

Voorts kan het beroep van eisers op de algemene situatie in het land van herkomst, welke een rol speelt bij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel, in deze reguliere procedure niet worden beoordeeld. Indien eisers in aanmerking wensen te komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, van de Vw 2000 dienen zij hiertoe een aanvraag in te dienen.

Verder voldoen eisers niet aan de voorwaarden van het driejarenbeleid. Ook in het driejarenbeleid zoals dat gold vóór 1 april 2001 moest het oorspronkelijke verblijfsdoel nog van toepassing zijn en moest aan de belangrijkste voorwaarde zijn voldaan. Nu de aanvraag om toelating vanwege klemmende redenen van humanitaire aard van eisers niet tot verblijfsaanvaarding heeft geleid, wordt niet voldaan aan de belangrijkste voorwaarde. Daarnaast hebben eisers niet gedurende een periode van drie jaren na ontvangst van de aanvraag rechtmatig verblijf gehad op grond van artikel 8 onder f, g, of h, van de Vw 2000 in afwachting van de beslissing op de aanvraag.

De weigering eisers hier te lande toe te laten levert geen schending op van het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Eisers zijn in dit geval niet gehoord, omdat daartoe, gelet op het bepaalde in artikel 32, tweede lid, van de Vw geen verplichting bestond en dit evenmin door de zorgvuldigheid werd gevorderd.

2. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft geweigerd. Eisers hadden reeds voor 1 april 2001 (datum inwerkingtreding Vw 2000) in aanmerking moeten komen voor een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid, die vervolgens had moeten omklappen in een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Weliswaar vormde destijds artikel 25 Vw de reden voor het uitstel van vertrek, maar deze reden voor het uitstel van vertrek zou op 4 november 1998 opnieuw worden bekeken, hetgeen niet is gebeurd. Op 5 oktober 1998 kwam er echter een algemeen uitstel van vertrek beleid voor de Democratische Republiek Congo. Op 27 juni 2000 is mondeling aan eiser gezegd dat hij Nederland moest verlaten, zonder de gemachtigde hierover in te lichten, maar op dat moment was er reeds sprake van bijna vier jaar relevant tijdsverloop.

Eisers zijn ten onrechte niet gehoord.

Ter zitting is namens eisers nog gesteld dat de aanvraag reeds voor de Leemtewet is ingediend, zodat de asielgerelateerde gronden moeten worden meegenomen.

Ten aanzien van het driejarenbeleid is nog opgemerkt dat er voor 1 april 2001 reeds een vergunning had moeten worden verleend op grond van dat beleid, die per 1 april 2001 had moeten worden omgeklapt naar een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Ook onder de nieuwe wet is het driejarenbeleid blijven bestaan en materieel zijn er geen wijzigingen in dat beleid opgetreden.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden.

2. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

3. Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning als bedoeld in dat artikel verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

In artikel 3.4 eerste lid, onder a t/m y van het Vb 2000 zijn beperkingen opgenomen waaronder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw 2000, kan worden verleend. In artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 is bepaald dat Onze Minister de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, kan verlenen onder een andere beperking dan genoemd in het eerste lid.

4. De rechtbank gaat allereerst in op de vraag of de asielgerelateerde gronden bij de onderhavige aanvragen dienen te worden betrokken. Zij overweegt daaromtrent het volgende.

Sedert de invoering van de enkelvoudige aanvraag in de op 1 juli 1998 in werking getreden Leemtewet van 11 juni 1998 (Stb. 334) dient een aanvraag om toelating op reguliere gronden bij de korpschef te worden ingediend en een aanvraag om toelating als vluchteling dan wel op asielgerelateerde gronden in een aanmeldcentrum. Voor die tijd was het mogelijk dat asielgerelateerde gronden bij een reguliere aanvraag werden betrokken en reguliere gronden bij een asielaanvraag.

De rechtbank stelt vast dat eisers hun aanvragen hebben ingediend vóór de inwerkingtreding van de Leemtewet, zodat verweerder zowel de reguliere als de asielgerelateerde gronden bij de beoordeling van de onderhavige aanvraag had moeten betrekken. Verweerder stelt weliswaar terecht dat de Vw 2000 dwingt om de aanvraag te rubriceren in een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier of asiel, echter verweerder had de aanvraag, die zowel asielgerelateerde- als reguliere gronden bevatte, niet zonder meer kunnen aanmerken als een aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning zonder navraag te doen bij eisers of ze daadwerkelijk bedoeld hebben een reguliere aanvraag in te dienen. De rechtbank acht deze gang van zaken onzorgvuldig. De rechtbank acht het des te meer onzorgvuldig dat verweerder vervolgens in de bestreden besluiten stelt dat de door eisers aangevoerde asielgerelateerde gronden niet bij de reguliere aanvraag kunnen worden betrokken en dat eisers daarvoor een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel moeten indienen.

Indien verweerder van mening was dat sprake was van asielgerelateerde omstandigheden, had het voor de hand gelegen de aanvragen te beschouwen als een aanvraag regulier en een aanvraag asiel.

5. Vervolgens is aan de orde de vraag of eisers vanwege klemmende redenen van humanitaire aard voor toelating in aanmerking kunnen komen.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat nu het besluit op bezwaar is bekend gemaakt na 1 april 2001, dat besluit dient te worden getoetst aan de Vw 2000, behoudens toepassing van overgangsrechtelijke regels.

Verweerder heeft bij brief van 25 september 2001 aan eisers gevraagd aan te geven onder welke beperking van artikel 3.4 van het Vb 2000, dan wel hoofdstuk B1/2.1.1 van de Vc 2000 de aanvragen worden gedaan. Namens eisers is bij brief van 2 oktober 2001 geantwoord dat de aanvragen om verlening van een vergunning tot verblijf vanwege klemmende redenen van humanitaire aard onverkort en zonder specificaties gehandhaafd worden.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, nu de aanvragen reeds op 12 augustus 1996 en 5 maart 1998 zijn ingediend, niet van eisers kon vragen een in de op 1 april 2001 in werking getreden Vw 2000 neergelegde bestaande beperking aan hun aanvraag te verbinden.

Verweerder had de aanvragen van eisers moeten toetsen aan een bestaande beperking als neergelegd in artikel 3.4, eerste lid, van het Vb 2000, dan wel gebruik moeten maken van zijn in artikel 3.4, tweede lid, van het Vb 2000 neergelegde bevoegdheid om de vergunning onder een andere beperking te verlenen. In de Nota van Toelichting bij het Vb 2000 (Stb. 2000, 497, pag. 94) is vermeld dat het derde lid van artikel 3.4 van het Vb 2000 niet uitsluit dat in strikt individuele gevallen een noodzaak aanwezig is om een verblijfsvergunning te verlenen onder een andere beperking dan die zijn genoemd in het eerste lid. Bovendien is het naar het oordeel van de rechtbank niet zo dat slechts een vergunning zonder beperkingen kan worden verleend op een aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf vanwege klemmende redenen van humanitaire aard.

Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook onzorgvuldig dat verweerder de aanvragen heeft afgewezen met als motivering dat het niet mogelijk is op grond van de Vw 2000 een vergunning zonder beperking te verlenen, dan wel dat er geen bestaande beperking voor klemmende redenen van humanitaire aard bestaat.

6. Gelet op vorenstaande worden de beroepen gegrond verklaard en zullen de bestreden besluiten worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb en artikel 7:12 van de Awb. Verweerder dient nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

7. Voor zover verweerder bij het nemen van het nieuwe besluit toekomt aan de vraag of eisers in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid, overweegt de rechtbank, om proceseconomische redenen, het volgende.

8. Nu de bestreden besluiten worden vernietigd, staat vast dat sprake zal zijn van drie jaar relevant tijdsverloop. De rechtbank stelt vast dat voor eiser de drie jaar is volgelopen op 12 augustus 1999 en voor eiseres op 5 maart 2001. Gelet op de uitspraak van de Rechtseenheidskamer voor vreemdelingenzaken van 18 juni 1998 (AWB 98/1110 VRWET) moet het beroep op het driejarenbeleid worden beoordeeld naar de stand van dit beleid ten tijde van het vollopen van de driejarentermijn. Derhalve dient in dit geval het driejarenbeleid, zoals dat gold vóór 1 april 2001, te worden toegepast. Omdat het driejarenbeleid in het beleid is neergelegd en niet in de wet, doet de inwerkingtreding van de Vw 2000 hieraan niets af.

De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie en volgens een ambtshalve bij de rechtbank bekende beslispraktijk van verweerder, bij aanvragen vanwege klemmende redenen van humanitaire aard waarbij sprake was van drie jaar relevant tijdsverloop, onder het oude beleid een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid werd verleend, terwijl in die procedures nog wel ter discussie stond of sprake was van klemmende redenen van humanitaire aard. De stelling van verweerder dat eisers niet voldoen aan het driejarenbeleid omdat niet wordt voldaan aan de belangrijkste voorwaarde, te weten klemmende redenen van humanitaire aard, gaat derhalve niet op.

Bovendien kan (ook gelet op het voorgaande) niet worden volgehouden dat eisers (alleen) reguliere aanvragen hebben gedaan, nu de aanvragen van voor de Leemtewet dateren. Bij toetsing aan het driejarenbeleid zal dan ook het driejarenbeleid in asielzaken een rol spelen.

9. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

10. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart de beroepen gegrond;

2. vernietigt de bestreden besluiten;

3. bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan eiser;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 102,10 (zegge: honderdtwee euro en tien eurocent).

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2002, door mr. M. Lolkema, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.Th.H. Zimmerman, griffier.

Afschrift verzonden op:26 juni 2002

Conc:AZ

Bp: -

D:B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.