Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6326

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-07-2002
Datum publicatie
08-08-2002
Zaaknummer
AWB 01/40603, 01/40601
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / hardheidsclausule.

Een Bosnisch gezin dat bestaat uit vader, moeder en kind verblijft reeds een aantal jaren in Nederland. De vrouw en het kind hebben op 20 april 2000 een vtv op grond van klemmende redenen van humanitaire aard aangevraagd. Deze aanvragen zijn buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een mvv. Het bezwaar is ongegrond verklaard. Op 20 augustus 2001 hebben eisers beroep ingesteld. Zij hebben betoogd dat ze vrijgesteld moeten worden van het mvv-vereiste op grond van artikel 16a, derde lid sub d, Vw daar het voor eiseres noodzakelijk is om in Nederland medische zorg te ontvangen wegens haar psychische problemen. Voorts hebben eisers een beroep gedaan op de hardheidsclausule. De echtgenoot van eiseres is door verweerder vrijgesteld van het mvv-vereiste. Eiseres is reeds geruime tijd, mede door de slechte toestand van haar man, depressief en suïcidaal. Beiden hebben zij een traumatisch oorlogsverleden waarvoor ze psychiatrische hulp hebben verkregen en nog steeds verkrijgen. Eiseres heeft onder andere anderhalve week op de gesloten afdeling van het Radboudziekenhuis doorgebracht. Voorts heeft zij soms gedachten om haar kind om te brengen omdat zij de aandacht die hij vergt en de drukte die hij meebrengt niet meer kan verdragen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de individuele omstandigheden van dit geval aanleiding had dienen te zien de hardheidsclausule toe te passen. De stukken die bij de aanvragen van de vergunningen zijn overgelegd en de stukken die zich reeds in het dossier van eisers bevonden gaven hiertoe ruimschoots aanleiding. Dit oordeel wordt nog eens versterkt door de stukken die in de latere fase van de procedure zijn ingebracht. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Reg.nrs.: AWB 01/40603 VRWET H (beroepszaak)

AWB 01/40601 VRWET H (voorlopige voorziening)

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter, inzake het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening van:

A, geboren op [...] 1975, eiseres,

en B, geboren op [...] 1995, eiser, beiden van Bosnische nationaliteit,

gemachtigde: mr. A.M.P.M. Adank, advocaat te Utrecht,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.M.H.W. van Heerebeek, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Bosch.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij beslissing van 25 juli 2001 heeft verweerder het bezwaar van eiseres/verzoekster (hierna te noemen: eiseres) tegen zijn besluit van 18 mei 2000 ongegrond verklaard. Bij beslissing van 25 juli 2001 heeft verweerder tevens het bezwaar van eiser/verzoeker (hierna te noemen: eiser) tegen zijn besluit van 22 mei 2000 ongegrond verklaard. Bij de besluiten van 18 en 22 mei 2000 heeft verweerder de aanvragen van eisers van 20 april 2000 om hen een vergunning tot verblijf te verlenen niet ingewilligd. Eisers hebben tegen de beslissingen van 25 juli 2001 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft bepaald dat uitzetting gedurende de periode dat het beroep aanhangig is, niet achterwege zal blijven. Eisers hebben de rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening over te gaan tot schorsing van de beslissingen van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, totdat op het beroep is beslist.

Eisers hebben de rechtbank bij brief van 20 augustus 2001 verzocht het petitum van het reeds ingediende verzoekschrift thans op te vatten als strekkende tot een verbod van uitzetting, zolang nog niet op het ingediende beroepschrift is beslist.

De rechtbank vat het petitum van het reeds ingediende verzoekschrift thans op als strekkende tot een verbod tot uitzetting, zolang nog niet op het ingediende beroepschrift is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en afwijzing van het verzoek.

De openbare behandeling van beide geschillen heeft plaatsgevonden op 2 juli 2002. Ter zitting hebben eisers en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

Ten aanzien van het beroep

In de hoofdzaak dient te worden beoordeeld of de ongegrondverklaring van de bezwaren in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of deze beslissingen de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan.

Met ingang van 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) in werking getreden en de Vreemdelingenwet 1965 (hierna: Vw (oud)) ingetrokken. Het bestreden besluit dient te worden getoetst aan de bepalingen van de Vw (oud), aangezien dit besluit dateert van voor 1 april 2001.

Eisers leggen aan hun aanvraag ten grondslag dat zij in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard.

Verweerder heeft de bestreden beslissingen, voor zover hier van belang en samengevat, doen steunen op de volgende overwegingen. Verweerder heeft de aanvragen van eisers buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een mvv. Voorts voldoen eisers niet aan één van de vrijstellingsgronden genoemd in artikel 16a Vw of artikel 52a Vb. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de stukken die eiseres op het moment van de aanvraag heeft overgelegd, niet gebleken is dat sprake was van medisch noodzakelijke zorg hier te lande. Immers, eiseres heeft daartoe niet de benodigde verklaringen van een arts overgelegd. In het kader van het beroep van eiseres op de hardheidsclausule heeft verweerder er onder meer op gewezen dat slechts onder zeer bijzondere individuele omstandigheden kan worden afgezien van het mvv-vereiste. Dergelijke omstandigheden acht verweerder in de onderhavige situatie niet aanwezig. Voorts betekent de weigering om aan eiseres verblijf hier te lande toe te staan geen schending van het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De weigering strekt er immers niet toe haar een verblijfstitel te ontnemen die haar tot het uitoefenen van het familie- of gezinsleven hier te lande in staat stelde. Niet is gebleken van dusdanig bijzondere feiten of omstandigheden dat uit het recht op respect voor haar familie- of gezinsleven de positieve verplichting voortvloeit haar hier te lande verblijf toe te staan.

Eisers bestrijden deze besluiten en voeren daartoe aan dat verweerder de aanvraag ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld wegens het ontbreken van een geldige mvv. Eiseres stelt in het kader van artikel 16, derde lid sub d, Vw dat het voor haar noodzakelijk is om in Nederland medische zorg te ontvangen wegens haar psychische problemen. Eisers menen voorts dat op grond van de onderhavige individuele omstandigheden het van een bijzondere hardheid zou getuigen aan hen het mvv-vereiste te stellen. Eiseres is immers al geruime tijd, mede door de slechte toestand van haar man, depressief en suïcidaal. Beiden hebben zij een traumatisch oorlogsverleden waarvoor ze psychiatrische en maatschappelijke hulp hebben verkregen en nog steeds verkrijgen. Overdracht van de behandeling is derhalve niet verantwoord. Bovendien zou het scheiden van eisers en de echtgenoot/vader het gezin nog meer leed toebrengen en een schending van artikel 8 EVRM betekenen.

Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw (oud) kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiend uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc 1994).

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij de beoordeling van de vraag of de bezwaren tegen de buitenbehandelingstelling van de aanvragen wegens het ontbreken van een mvv een redelijke kans van slagen hebben gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden zoals die zijn gebleken uit de stukken en het verhandelde ter zitting. Op 9 maart 1999 zijn eisers Nederland binnengekomen. Ze hebben een aanvraag tot toelating als vluchteling gedaan, welke niet is ingewilligd. In het kader van het Dublinverdrag zouden zij aan Duitsland overgedragen worden. Vervolgens hebben eisers een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard aangevraagd. Ter zitting is gebleken dat de echtgenoot van eiseres, B, een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard heeft aangevraagd. Deze aanvraag is buiten behandeling gesteld. Het bezwaar tegen deze beslissing is vervolgens gegrond verklaard en de aanvraag zal alsnog inhoudelijk worden beoordeeld. Het mvv-vereiste is hem derhalve niet tegengeworpen. Tot op heden heeft hij nog geen nieuwe beslissing ontvangen.

Bij zijn primaire besluiten van 18 mei 2000 en 22 mei 2000 heeft verweerder de aanvragen van eisers buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een mvv. Hoewel het mvv-vereiste onder de Vreemdelingenwet 2000 een afwijzingsgrond in plaats van een wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van een aanvraag is, brengt het karakter van dat besluit naar het oordeel van de rechtbank met zich dat verweerder na heroverweging van dat besluit kan volharden bij het niet in behandeling nemen van dat besluit. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de strekking van artikel 4:5 Awb - waarop het genoemde besluit is gebaseerd - is dat het bestuursorgaan de mogelijkheid wordt geboden tot vereenvoudigde afdoening van een aanvraag die niet voldoet aan de wettelijke vereisten. In beginsel komt met het nemen van het besluit om een aanvraag buiten behandeling te laten een einde aan het besluitvormingstraject. Dat door wetswijziging het ontbreken van een mvv niet langer een grond is voor een besluit om de aanvraag niet te behandelen, is niet een wijziging die bij de heroverweging ingevolge artikel 7:11 Awb bij het nemen van de beslissing op het bezwaar in aanmerking moet worden genomen. Voor de beoordeling van het beroep is bepalend of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het beroep van eisers op één van de vrijstellingsgronden en op de hardheidsclausule niet kan slagen en of verweerder dientengevolge de aanvragen buiten behandeling heeft kunnen stellen.

Een aanvraag om toelating wordt ingevolge artikel 16a, eerste lid, Vw slechts in behandeling genomen indien de vreemdeling beschikt over een geldige mvv, welke is aangevraagd bij en verstrekt door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van herkomst of van bestendig verblijf van de vreemdeling.

In artikel 16a, derde lid, Vw worden een zestal categorieën genoemd die van het bezit van een mvv zijn vrijgesteld. Daarnaast zijn in artikel 52a van het Vreemdelingenbesluit (Vb) nog een twaalftal categorieën van vreemdelingen genoemd die van het bezit van een mvv zijn vrijgesteld. Verder kan krachtens artikel 16a, zesde lid, Vw in zeer bijzondere, individuele gevallen voor het in behandeling nemen van een aanvraag om toelating worden afgezien van het mvv-vereiste. Dit is de zogeheten hardheidsclausule.

Met ingang van 11 december 1998 is artikel 16a Vw in werking getreden. Dit artikel bepaalt, zoals reeds hiervoor is overwogen, dat een aanvraag om toelating slechts in behandeling wordt genomen indien de vreemdeling beschikt over een geldige mvv, welke hij heeft aangevraagd bij en hem verstrekt is door de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in het land van herkomst of bestendig verblijf. Met de invoering van dit artikel is het beschikken over een mvv een wettelijk vereiste geworden voor het in behandeling nemen van een aanvraag om toelating. Nu de aanvragen van eiseres sub 1 en eiser sub 2 dateren van 29 februari 2000 en 20 april 2000, derhalve na de datum van inwerkingtreding van artikel 16a Vw, is het mvv-vereiste onverkort van toepassing op deze aanvragen.

Ten aanzien van het beroep van eisers op de hardheidsclausule neergelegd in artikel 16a, zesde lid, Vw, overweegt de rechtbank als volgt. De wetgever heeft beoogd dat verweerder alleen in zeer bijzondere, individuele gevallen kan afzien van het volharden in de eis van het in het bezit zijn van een mvv. Gelet op deze discretionaire bevoegdheid van verweerder om de bovengenoemde hardheidsclausule toe te passen, dient de rechtbank zich terughoudend op te stellen bij de toetsing aan artikel 16a, zesde lid, Vw.

Met in achtneming van het bovenstaande overweegt de rechtbank ten aanzien van het beroep op de hardheidsclausule als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is onder meer gebleken dat B, de echtgenoot van eiseres, aan een post traumatische stress stoornis (ptss) lijdt als gevolg van zijn oorlogsverleden. Hij heeft nachtmerries, is depressief en suïcidaal. Hij is langdurig opgenomen geweest in de Gelderse Roos, Wolfheze, op de afdeling Psychiatrie (afdeling Phoenix) en staat momenteel nog onder behandeling van het Riagg. Eiseres heeft van 25 februari 2000 tot 1 september 2000 in het Radboudziekenhuis eveneens een psychiatrische behandeling ondergaan. In dit ziekenhuis heeft eiseres de dagen van 2 juni 2000 tot 13 juni 2000 op een gesloten afdeling doorgebracht. Ze is somber, verward en suïcidaal. Het gezin heeft, met onderbrekingen, van 6 januari 2000 tot 1 april 2001 bij de familie C gewoond. Eiseres heeft soms gedachten om haar kind om te brengen omdat zij de aandacht die hij vergt en de drukte die hij meebrengt niet meer kan verdragen. Haar zoon is erg gehecht geraakt aan mevrouw C. Op dit moment woont het gezin in een af te breken wijk in D. Eiseres staat momenteel nog steeds onder behandeling van het Riagg.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte niet heeft afgezien van het vereiste van het bezit van een geldige mvv. Verweerder had in de individuele omstandigheden van dit geval aanleiding dienen te zien de hardheidsclausule toe te passen. De stukken die bij de aanvragen van de vergunningen zijn overgelegd en de stukken die zich reeds in het dossier van eisers bevonden gaven hiertoe reeds ruimschoots aanleiding. Dit oordeel wordt nog eens versterkt door de stukken die in de latere fase van de procedure zijn ingebracht.

Het beroep is mitsdien gegrond.

De bestreden beschikking kan niet in stand blijven. Verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beschikking te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening

Gegeven de beslissing inzake het beroep is er geen aanleiding meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

Ten overvloede voegt de rechtbank daar het volgende aan toe. Na deze uitspraak treedt de fase van bezwaar opnieuw in. In artikel 118, tweede lid, Vw is bepaald dat op de behandeling van een bezwaarschrift tegen een besluit dat bekend is gemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van de nieuwe Vreemdelingenwet, het recht zoals het gold voor dat tijdstip van toepassing blijft. Nu verweerder in het onderhavige geval hangende de bezwaarfase geen schorsingsbeslissing heeft genomen, moet worden aangenomen dat aan het bezwaar schorsende werking is verleend. Artikel 118, tweede lid, Vw brengt met zich mee dat deze beslissing nog van kracht is.

Ten aanzien van het beroep en de voorlopige voorziening

In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,--).

Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ad tweemaal € 102,10 dient te vergoeden.

3. BESLISSING

ten aanzien van de hoofdzaak:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen een termijn van 14 weken opnieuw te beslissen op de bezwaarschriften van eiser, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet voldoen;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht ad tweemaal € 102,10.

De voorzieningenrechter:

ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorziening:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- verbiedt verweerder eiser uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 322,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eisers moet voldoen;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht ad tweemaal € 102,10.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Gorter, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, tevens voorzieningenrechter, en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2002, in tegenwoordigheid van mr. S. de Regt als griffier.

afschrift verzonden op:

10 juli 2002

RECHTSMIDDEL

Ingevolge artikel 120 Vw staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.