Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6322

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-03-2002
Datum publicatie
08-08-2002
Zaaknummer
AWB 00/7222, 00/7227
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Azerbeidzjan / gemengd huwelijk.

Er bestaat geen grond om te oordelen dat verweerder zich op basis van de informatie uit

het ambtsbericht van 22 mei 2000 en de aanvullende informatie in het algemeen

ambtsbericht over Armenië van 13 augustus 2001 niet in redelijkheid op het standpunt

heeft kunnen stellen dat gemengd gehuwden zoals eisers, waarvan de man etnisch

Armeens is, zich in Armenië kunnen vestigen en het Armeense staatsburgerschap kunnen

verwerven. Nu geen concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of

volledigheid van het aan de onderhavige besluiten ten grondslag liggende ambtsbericht,

mocht verweerder van de juistheid van die informatie in het ambtsbericht uitgaan.

Verweerders beleid kan de rechterlijke toets doorstaan. Nu ook overigens gesteld noch

gebleken is dat eisers bij uitzetting naar Armenië in een humanitaire noodsituatie terecht

zullen komen, heeft verweerder in redelijkheid aan eisers dit vestigingsalternatief kunnen

tegenwerpen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummers: AWB 00/7222 en 00/7227

Datum uitspraak: 29 maart 2002

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1962,

en

B,

mede ten behoeve van haar minderjarige kind,

geboren op [...] 1973,

van Azerbeidzjaanse nationaliteit,

eisers,

gemachtigde mr. M.J.A. Rinkes,

tegen

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie en Naturalisatiedienst),

verweerder,

gemachtigde mr. A.W. van Leeuwen.

Het procesverloop

Op 30 april 1999 hebben eisers aanvragen om toelating als vluchteling gedaan. Bij besluiten van 12 oktober 1999, bekendgemaakt op 5 november 1999, heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan eisers geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen.

Eisers hebben daartegen bij bezwaarschrift van 2 december 1999 bezwaar gemaakt. Bij besluiten van 24 mei 2000 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 20 juni 2000 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze besluiten.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 9 mei 2001. De enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft op 15 augustus 2001 besloten het onderzoek te heropenen en de beroepen ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar de meervoudige kamer.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 december 2001. Eisers zijn daarbij verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De standpunten van partijen

1. Het vluchtrelaas van eisers komt op het volgende neer. Eisers hebben de Azerbeidzjaanse nationaliteit. Eiser is etnisch Armeens en eiseres is van gemengde afkomst; haar moeder is etnisch Armeens en haar vader etnisch Azeri. Eisers zijn in februari 1990 van Baku naar Khandzoroud in Nagorny Karabach gevlucht omdat etnische Armeniërs massaal werden aangevallen en vermoord door etnische Azeri’s. Vervolgens zijn eisers in juni 1992 vanwege de voortschrijdende frontlinie en het feit dat eiseres zwanger was naar Ardoushlou in Nagorny Karabach gevlucht.

In september 1996 is eiser, toen hij onderweg was van zijn werk naar huis, overvallen en mishandeld door drie mannen die behoorden tot een groep vrijwilligers in het leger. Vanwege de Azerbeidzjaanse afkomst van zijn echtgenote werd eiser door hen beschouwd als een verrader en een slechte Armeniër. Toen eiser thuis kwam, bleek eiseres door hen te zijn mishandeld en verkracht. Eiseres moest ten gevolge hiervan worden opgenomen in het ziekenhuis. Nadat eiser van zijn buurvrouw had vernomen dat militairen bij zijn huis waren langs geweest, is hij samen met eiseres naar Martouni gevlucht. Na enige weken ondergedoken gezeten te hebben is eiser weer begonnen met werken in een garage in Martouni. In januari 1999 zijn vier mannen bij deze garage gekomen; zij herkenden eiser en hebben hem bedreigd. Eiser is toen naar huis gegaan en niet meer teruggekeerd. Op 24 april 1999 hebben eisers Azerbeidzjan verlaten.

2. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen, omdat deze kennelijk ongegrond zijn nu eisers ter staving van hun asielrelazen geen reis- en identiteitspapieren, documenten of bescheiden hebben overgelegd. Tevens is het ongeloofwaardig dan wel onaannemelijk dat eisers in 1990 Nagorny Karabach zijn binnengereisd en daar tot 1999 woonachtig zijn geweest nu volgens het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 28 december 1999 inzake Azerbeidzjan, Nagorny Karabach uitsluitend wordt bevolkt door etnische Armeniërs.

Zo al van de geloofwaardigheid dan wel aannemelijkheid van eisers asielrelaas wordt uitgegaan, is dit onvoldoende zwaarwegend voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap nu eisers Baku in 1990 en Khandzouroud in 1992, vanwege de algehele oorlogssituatie hebben verlaten. De problemen die eisers in 1996 in Ardoushlou hebben ondervonden leveren evenmin een geslaagd beroep op vluchtelingschap op nu eisers van 1996 tot 1999 zonder noemenswaardige problemen in Martouni hebben verbleven. Dat vier mannen eiser vervolgens in januari 1999 hebben bedreigd, leidt niet tot de conclusie dat eiser op grond hiervan ernstige problemen kon verwachten nu eisers tot hun vertrek op 24 april 1999 geen problemen in Martouni hebben ondervonden.

Verweerder heeft onder meer overwogen dat eisers niet voor toelating in Nederland in aanmerking komen, nu zij zich in Armenië kunnen vestigen omdat gemengd gehuwden (etnisch Armeense man, etnisch Azeri vrouw) afkomstig uit Azerbeidzjan aanspraak kunnen maken op het Armeense staatsburgerschap, zelfs indien ze nooit in Armenië hebben gewoond. Verweerder is van mening dat bij uitzetting van eisers naar Armenië geen sprake is van een ongeoorloofd refoulement omdat Armenië hen bescherming biedt.

Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij bovengenoemde derde landen exceptie baseert op de discretionaire bevoegdheid die artikel 15, eerste lid, van de Vw (oud) hem biedt. Voor de vraag of eisers voldoende bescherming genieten in Armenië zijn de maatstaven zoals neergelegd in de notitie over het beleid van categoriale bescherming van 23 mei 2001 (TK 2000-2001, 19 637, nr. 588) van overeenkomstige toepassing zodat derhalve getoetst dient te worden of er voor eisers in Armenië sprake is van een humanitaire noodsituatie, dat wil zeggen of in zijn algemeenheid een categoriaal risico voor lijf en leden bestaat ten gevolge van de algemene humanitaire situatie. Verweerder hanteert niet het door eisers aangevoerde criterium dat toegang tot de basisvoorzieningen gewaarborgd moet zijn.

Voorts acht verweerder terugkeer naar Azerbeidzjan dan wel Armenië niet in strijd met artikel 3 van het (Europees) Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Tot slot kunnen eisers geen geslaagd beroep op het traumatabeleid doen nu niet aannemelijk is dat eisers vanwege hun traumatische ervaringen niet terug kunnen keren naar hun land van herkomst.

3. Eisers stellen zich op het standpunt dat het niet overleggen van reis- en identiteitsdocumenten, geen reden is om te twijfelen aan de geloofwaardigheid dan wel aannemelijkheid van de asielrelazen. Ook overigens is niet ongeloofwaardig dan wel onaannemelijk dat eisers Nagorny Karabach in 1990 zijn binnengereisd in een militaire colonne en daar van 1990 tot 1999 hebben verbleven.

Eisers hebben Nagorny Karabach verlaten omdat zij aldaar gegronde vrees hebben voor vervolging en of een onmenselijke behandeling vanwege de Armeens/Azeri afkomst van eiseres.

Eisers hebben daarnaast geen vestigingsalternatief in Armenië gezien de etnische afkomst van eiseres en het is de vraag of eisers de Armeense nationaliteit kunnen krijgen. Tevens is het de vraag of eisers toegang zullen krijgen tot de basisvoorzieningen en of zij in Armenië een menswaardig bestaan kunnen opbouwen. Ook hebben eisers nooit op Armeens grondgebied verbleven nu Nagorny Karabach formeel behoort tot Azerbeidzjaans grondgebied en zijn eisers niet gevlucht naar de Russische Federatie maar naar Nagorny Karabach.

Tot slot komt eiseres in aanmerking voor een vergunning tot verblijf op grond van het traumatabeleid nu zij getraumatiseerd is door de gebeurtenissen in Nagorny Karabach. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres niet in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard.

De beoordeling

4. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank de bestreden besluiten – de motivering waarop deze besluiten berusten daaronder begrepen – te toetsen aan de hand van de tegen die besluiten aangevoerde beroepsgronden. Behoudens eventuele toepassing van artikel 83 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) zal getoetst worden aan het ten tijde van de besluiten geldende recht.

5. Op grond van artikel 15 van de Vreemdelingenwet zoals deze gold tot 1 april 2001 (hierna: de Vw) in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

6. Verweerder komt beleidsvrijheid toe bij de vraag of een vluchteling als zodanig in Nederland toegelaten dient te worden. De aanwending van die beleidsvrijheid kan de toetsing in rechte slechts dan niet doorstaan indien de staatssecretaris bij afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen en gegeven de feitelijke grondslag ervan, niet in redelijkheid tot zijn beleidskeuze heeft kunnen komen, dan wel het beleid in strijd komt met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel..

7. Het bestreden besluit is gebaseerd op het door verweerder gehanteerde beleid neergelegd in de brief van 3 april 2000 (TK 19637 nr. 520) aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal. De strekking van deze brief is dat gemengd gehuwden (etnisch Armeense man, etnisch Azeri vrouw) die afkomstig zijn uit Azerbeidzjan, de mogelijkheid hebben zich in Armenië te vestigen nu zij aldaar aanspraak zouden kunnen maken op het Armeense staatsburgerschap, zelfs indien ze nooit in Armenië hebben gewoond. Genoemde beleidswijziging is overigens nader uitgewerkt in verweerders IND-Werkinstructie nr. 231 van 28 juli 2000 (Staatscourant 2000, nr. 149 van 4 augustus 2000).

8. Verweerder heeft zich voor de beoordeling van de feitelijke situatie ter plaatse in belangrijke mate heeft gebaseerd op het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Azerbeidzjan van 28 december 1999. Volgens rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak 12 oktober 2001, JV 2000 nr. 325), kan een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken omtrent de situatie in een land worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan de staatssecretaris ten behoeve van de uitoefening van die bevoegdheden. Daartoe dient het op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag de staatssecretaris bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

9. Op bladzijde 37 van bovengenoemd ambtsbericht staat vermeld: „Gemengd gehuwden (etnisch Armeense man, etnisch Azeri vrouw) afkomstig uit Azerbaijan en begin jaren negentig gevlucht naar de Russische Federatie (RF), zouden ook aanspraak kunnen maken op het Armeense staatsburgerschap, zelfs indien ze nooit in Armenië hebben gewoond“.

10. Voorafgaand aan deze passage is er melding van gemaakt dat etnische Armeniërs en gemengd gehuwden uit Azerbeidzjan die voor het uiteenvallen van de Sovjet-Unie naar overig Sovjetgebied gevlucht zijn, veelal aanspraak hebben op het staatsburgerschap van bijvoorbeeld de Russische Federatie en is verwezen naar het ambtsbericht inzake de 'Staatsburgerschap- en vreemdelingenwetgeving in de republieken van de voormalige Sovjet-Unie en in Afghanistan' van 30 juli 1999.

11. In laatstgenoemd ambtsbericht is met betrekking tot de nationaliteitswetgeving van Armenië vermeld: "Conform artikel 13 van de Staatsburgerschapwetgeving kan een ieder opteren voor het Armeense staatsburgerschap, indien hij drie voorafgaande jaren vaste woon- en verblijfplaats heeft gehad in Armenië, de Armeense taal beheerst en bekend is met de Armeense grondwet. De termijn van drie jaren voorafgaand verblijf hoeft niet van toepassing te zijn op een persoon (... die) van etnisch Armeense afkomst is en woonachtig is op Armeens grondgebied." Over de Wet inzake de Status van Vreemdeling in de republiek van Armenië is vermeld dat tijdelijke, speciale verblijfsvergunningen verstrekt worden "voor vreemdelingen van Armeense etniciteit."

12. In het algemeen ambtsbericht over Armenië van 22 mei 2000 is (p. 20-21), in aanvulling op het ambtsbericht van 30 juli 1999, vermeld: "Artikel 14 van de grondwet stelt dat "Individuals of Armenian origin shall acquire citizenship of the Republic of Armenia through a simplified procedure." In 1996 is een wet aangenomen die het voor staatlozen of vluchtelingen van Armeense etniciteit mogelijk maakt het staatsburgerschap te verkrijgen. Wel werd daarbij bepaald dat zij drie jaar in Armenië moesten hebben verbleven. In januari 1999 besloot de regering dat staatloze etnische Armeniërs reeds konden worden genaturaliseerd indien ze simpelweg geregistreerd waren op het verblijfsadres in Armenië (dus zonder de vereiste 3 jaren verblijf). Het daarvoor benodigde wetsvoorstel werd in maart 1999 door het parlement aangenomen."

Verder is (p. 44) vermeld: "Gemengd gehuwden (etnisch Armeense man, etnisch Azeri vrouw) afkomstig uit hetzij Armenië, hetzij Nagorny Karabach, hetzij overig Azerbaijan, kunnen ook aanspraak maken op het Armeense staatsburgerschap, zelfs indien ze nooit in Armenië hebben gewoond. Zij kunnen zich in beginsel overal in Armenië vestigen, doch het valt niet uit te sluiten dat hun vestiging op weerstand zou kunnen stuiten bij de lokale bevolking (waarbij de kans daarop in grote steden kleiner lijkt dan op het platteland)."

13. Er bestaat geen grond om te oordelen dat verweerder zich op basis van deze informatie niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat gemengd gehuwden waarvan de man etnisch Armeens is, zoals eisers, zich in Armenië kunnen vestigen en het Armeense staatsburgerschap kunnen verwerven.

14. In het algemeen ambtsbericht over Armenië van 13 augustus 2001 is aanvullend nog vermeld (p. 34-35): "Elke Armeniër, waar ook ter wereld woonachtig en zonder uitzondering, komt in aanmerking voor toekenning van het Armeens staatsburgerschap. Volgens het Armeense ministerie van Buitenlandse Zaken is het echter voor etnische Armeniërs in het buitenland niet mogelijk om het Armeense staatsburgerschap te verkrijgen zonder ooit in Armenië verbleven te hebben. Dit hangt samen met de eis dat men om het staatsburgerschap te kunnen aanvragen in Armenië geregistreerd moet zijn in een woonplaats in Armenië. Een dergelijke woonplaatsregistratie kan men alleen in Armenië aanvragen. (...) Indien een etnisch Armeniër zich in Armenië wil vestigen, maar om specifieke redenen het Armeense staatsburgerschap niet wenst te verwerven, dan kan hij/zij aanspraak maken op een speciale verblijfsvergunning voor Armenië. Deze speciale verblijfsvergunning is tien jaar geldig en verleent de houder/houdster dezelfde rechten als Armeense staatsburgers. Dezerzijds is niet bekend welke voorwaarden er worden gesteld om deze speciale verblijfsvergunning te verkrijgen." Op de bladzijden 60-62 van het ambtsbericht worden nog nadere details gegeven. Dit ambtsbericht geeft derhalve geen aanleiding voor een ander oordeel.

15. Nu geen concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het aan de onderhavige besluiten ten grondslag liggende ambtsbericht, mocht verweerder van de juistheid van die informatie in het ambtsbericht uitgaan. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerders beleid de rechterlijke toets kan doorstaan. Nu ook overigens gesteld noch gebleken is dat eisers bij uitzetting naar Armenië in een humanitaire noodsituatie terecht zullen komen, heeft verweerder in redelijkheid aan eisers dit vestigingsalternatief kunnen tegenwerpen.

16. Dat verweerder de wettelijke grondslag voor het tegenwerpen van een vestigingsalternatief eerst ter zitting heeft aangeduid, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de bestreden besluiten wegens een motiveringsgebrek te vernietigen.

17. Nu de hiervoor besproken afwijzingsgrond de afwijzing reeds voldoende kan dragen, behoeft hetgeen eisers overigens ten aanzien van hun beroep op vluchtelingschap hebben aangedragen geen bespreking.

18. Op grond van artikel 11 van de Vw kan verweerder een vergunning tot verblijf verlenen, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf. Deze vergunning kan worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

19. Gelet op hetgeen bij de beoordeling van de asielaanvraag is overwogen, is niet aannemelijk, dat eisers bij gedwongen verwijdering een reëel risico lopen te worden blootgesteld aan een behandeling waartegen artikel 3 van het EVRM bescherming beoogt te bieden, zodat eisers aan die bepaling geen aanspraak op verlening van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen kunnen ontlenen.

20. Evenmin is aannemelijk dat sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard die eisers aanspraak geven op verlening van een vergunning tot verblijf. De grief van eisers dat eiseres in aanmerking dient te komen voor een vergunning tot verblijf op basis van het door verweerder gevoerde traumatabeleid, kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder gezien het door eiseres in het nader gehoor verklaarde dat zij geen problemen heeft overgehouden aan de verkrachting in 1996 en de in bezwaar door eisers aangedragen gronden, in redelijkheid kunnen beslissen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf op grond van het traumatabeleid en die beslissing toereikend gemotiveerd.

21. Gezien het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen weigeren eisers een vergunning tot verblijf zonder beperkingen te verlenen.

22. Het beroep is derhalve ongegrond.

23. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht of veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzitter, en mr. A.W.M. van Hoof en mr. J.J. Catsburg, rechters, en in het openbaar uitgesproken door mr. W.P.C.G. Derksen op 29 maart 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.

de griffier de voorzitter

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open

Afschrift verzonden: 29 maart 2002