Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6274

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-06-2002
Datum publicatie
07-08-2002
Zaaknummer
AWB 02/43761, 02/43760 BEPTDN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / artikel 3 EVRM.

De rechtbank vat de stelling van eiseres ter zitting zo op dat wordt gesteld dat strikte toepassing van artikel 4:6 Awb leidt tot schending van internationaal recht en in het bijzonder tot een schending van artikel 3 EVRM. Vast staat dat eiseres in de eerder aangespannen bodemprocedure een volledig inhoudelijk oordeel van deze rechtbank over haar asielverzoek had kunnen verkrijgen, maar dat daarvan, al dan niet door een fout van haar gemachtigde, geen sprake is geweest door het intrekken van die procedure. Tegen de eerdere afwijzende asielbeslissing van verweerder heeft derhalve een effectief nationaal rechtsmiddel opengestaan. Daarbij komt dat de handelwijze van de gemachtigde geheel en al in de risicosfeer van eiseres ligt. Eiseres heeft vervolgens onderhavige aanvraag ingediend om daarmee via de weg van de herhaalde aanvraag alsnog een inhoudelijk oordeel van deze rechtbank over haar zaak uit te lokken. Naar nationaal recht is gereguleerd dat zulks enkel kan geschieden indien sprake is van nova als bedoeld in meergenoemd artikel 4:6 Awb, waaronder tevens kan worden verstaan een mogelijke actuele dreigende schending van artikel 3 EVRM. Tegen het oordeel van het bestuursorgaan dat geen sprake is van nova staat eveneens volledige rechtsbescherming open. Slechts in een aantal uitzonderingssituaties zou er aanleiding kunnen bestaan onverkorte toepassing van artikel 4:6 Awb achterwege te laten. Daarbij valt te denken aan de situatie dat sprake is van bij de herhaalde aanvraag gestelde feiten en omstandigheden die vanwege bijzondere omstandigheden verontschuldigbaar niet eerder naar voren zijn gebracht, zoals bijvoorbeeld psychisch onvermogen van de betrokkene. Ook vraagt de situatie dat er is gebleken van een evident onjuiste eerdere beslissing om bijzondere aandacht. Naar het oordeel van de rechtbank is van dergelijke uitzonderingssituaties in het onderhavige geval echter niet gebleken. Voorts is evenmin gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6, geldigheid: 2002-06-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Reg.nr.: AWB 02/43761 BEPTDN (beroepszaak)

AWB 02/43760 BEPTDN (voorlopige voorziening)

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter, inzake het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening van:

A, geboren op [...] 1948, van Oekraïense nationaliteit, eiseres/verzoekster,

gemachtigde: mr. S. Spans, advocaat te Utrecht,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M. van de Berg, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Op 3 juni 2002 heeft eiseres/verzoekster (hierna te noemen: eiseres) een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 7 juni 2002 heeft verweerder de aanvraag van eiseres niet ingewilligd in het kader van de zogenaamde AC-procedure. Eiseres heeft tegen deze beslissing beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft bepaald dat uitzetting gedurende de periode dat het beroep aanhangig is, niet achterwege zal blijven. Eiseres heeft de rechtbank verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten totdat op het beroep is beslist.

Op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) is op 7 juni 2002 bepaald dat in verband met de medische situatie van eiseres uitzetting tijdelijk voor de duur van vier maanden achterwege wordt gelaten.

De openbare behandeling van beide geschillen heeft plaatsgevonden op 14 juni 2002. Ter zitting hebben eiseres en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Eiseres is niet in persoon verschenen.

2. OVERWEGINGEN

Ten aanzien van het beroep

In de hoofdzaak dient te worden beoordeeld of de bestreden beslissing in rechte stand kan houden. Aangezien verweerder de aanvraag heeft afgewezen in het aanmeldcentrum (AC), dient te worden beoordeeld of het desbetreffende besluit binnen 48 uur op zorgvuldige wijze is genomen.

Ingevolge artikel 83 Vw houdt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

Eiseres heeft ter ondersteuning van haar herhaalde aanvraag verklaard dat zij de vorige asielprocedure niet heeft stopgezet, maar dat haar toenmalige partner dat heeft gedaan. Eiseres heeft verder verklaard dat zij na haar komst had besloten geen contact op te nemen met haar familieleden uit de vrees dat zij anders vanwege haar problemen zouden krijgen. Omdat eiseres heimwee kreeg heeft zij toch contact opgenomen, hetgeen achteraf een capitale fout met grote gevolgen is geweest. Dit was ruim een jaar geleden in 2001. Het bedrijf van eiseres kreeg bezoek van vreemde mensen. De eerste keer zijn ze zomaar gekomen, maar later hebben zij de plaatsvervanger van het bedrijf gevonden die sindsdien nooit meer is gezien. De advocaten daar hebben eiseres verboden te bellen, aangezien de telefoons werden afgeluisterd. Op 12 december 2001 ontving eiseres het bericht van een kennis dat haar nicht was doodgeschoten en haar auto in brand was gestoken. Voorts ontving eiseres op 1 april 2002 een telefoontje van een vriend, B, over het feit dat een strafzaak tegen haar was aangespannen. Deze vriend had dit gehoord van kennissen die bij de politie werken. Deze kennissen hadden op een vergadering vernomen dat er een rechtszaak tegen eiseres was aangespannen. Eiseres weet niet waar zij van beschuldigd wordt. Zij vermoedt dat de autoriteiten al haar documenten hebben ingenomen. Eiseres heeft ter ondersteuning van haar huidige aanvraag een aantal documenten, waaronder e-mails, een binnenlands paspoort en een gelegaliseerde geboorteakte overgelegd.

Verweerder heeft de bestreden beslissing, voor zover hier van belang en samengevat, doen steunen op de volgende overwegingen. Verweerder is van oordeel dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hiertoe wordt overwogen dat eiseres een aantal documenten heeft overgelegd die ook reeds in de eerste procedure zijn overgelegd, zodat deze thans niet opnieuw worden meegewogen. Daarnaast heeft eiseres nu wel identiteitsdocumenten overgelegd, maar tijdens de eerste procedure is nimmer getwijfeld aan haar identiteit, waardoor deze documenten niets toevoegen. Met betrekking tot de overgelegde e-mails en brieven van vrienden en kennissen overweegt verweerder dat deze niet afkomstig zijn uit een objectief, verifieerbare bron, zodat daaraan niet die waarde kan worden gehecht die eiseres daaraan gehecht zou willen zien. Daarbij gaat het in de verstrekte informatie slechts om vermoedens, die op geen enkele wijze geconcretiseerd worden. Met betrekking tot de stelling van eiseres in de zienswijze dat het hier een verzoek om heropening van de eerdere aanvraag betreft, wordt opgemerkt dat deze niet wordt gevolgd, nu eiseres een aanvraag heeft ingediend volgens de eisen van artikel 3.38 Voorschrift Vreemdelingen 2000. Voorts wordt erop gewezen dat eiseres de eerdere asielprocedure vrijwillig heeft beëindigd.

Eiseres bestrijdt dit besluit en voert daartegen -zakelijk weergegeven- aan dat wel degelijk nova zijn aangevoerd die dateren van na de datum van beëindiging van de asielprocedure. Daarbij komt dat verweerder een belangrijke denkfout maakt, omdat het hier niet gaat om een herhaalde aanvraag nadat een eerste asielprocedure door een onherroepelijke beslissing of uitspraak is geëindigd, maar om een verzoek om heropening van een asielprocedure welke vrijwillig was beëindigd in de situatie dat een verblijfstitel in Nederland was verkregen. Naar het oordeel van eiseres is sprake geweest van een misverstand tussen eiseres en de gemachtigde ten aanzien van de vrijwillige beëindiging van de asielprocedure, hetgeen eiseres in de onderhavige procedure uiteen heeft trachten te zetten. Voorts heeft verweerder ten onrechte overwogen dat de verklaringen van vrienden en kennissen niet afkomstig zijn uit objectief verifieerbare bronnen, slechts op vermoedens gebaseerd en op geen enkele wijze zijn geconcretiseerd. Eiseres verwijst in dit verband naar informatie van Amnesty International, waaruit blijkt dat willekeur en geweld alom tegenwoordig zijn in de Oekraïne. In deze procedure en de eerdere procedure is zoveel informatie verschaft dat een nader onderzoek -mede gezien de verklaring van de arts J.A. Teunissen- door het Ministerie van Buitenlandse Zaken alleszins mogelijk is. Gelet op de bijzondere omstandigheden, zoals naar voren gebracht in de vorige en de huidige procedure, acht eiseres voldoende argumenten aanwezig verweerder gehouden te achten om haar asielverzoek nader te beoordelen.

Ter zitting heeft eiseres -onder meer- aangevoerd dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de gedingstukken blijkt dat verweerder bij besluit van 17 november 2000 het bezwaar van eiseres tegen zijn beschikking van 18 augustus 2000 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemde beschikking heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 27 juli 1999 om haar tot Nederland toe te laten als vluchteling niet ingewilligd en een vergunning tot verblijf geweigerd. Eiseres heeft tegen de beslissing van 17 november 2000 beroep bij deze rechtbank ingesteld en heeft om uitzetting te voorkomen een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Beide procedures zijn echter op 22 februari 2002 ingetrokken, zodat er rechtens onaantastbaar is beslist op de eerste aanvraag van eiseres om toelating als vluchteling.

Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.

De rechtbank vat bovenstaande stelling van eiseres ter zitting zo op dat strikte toepassing van artikel 4:6 Awb leidt tot schending van internationaal recht en in het bijzonder tot een schending van artikel 3 EVRM. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Vast staat dat eiseres in de eerder aangespannen bodemprocedure een volledig inhoudelijk oordeel van deze rechtbank over haar asielverzoek had kunnen verkrijgen, maar dat daarvan, al dan niet door een fout van haar gemachtigde, geen sprake is geweest door het intrekken van die procedure. Tegen de eerdere afwijzende asielbeslissing van verweerder heeft derhalve een effectief nationaal rechtsmiddel opengestaan. Daarbij komt dat de handelwijze van de gemachtigde geheel en al in de risicosfeer van eiseres ligt.

Eiseres heeft vervolgens onderhavige aanvraag ingediend om daarmee via de weg van de herhaalde aanvraag alsnog een inhoudelijk oordeel van deze rechtbank over haar zaak uit te lokken. Naar nationaal recht is gereguleerd dat zulks enkel kan geschieden indien sprake is van nova als bedoeld in meergenoemd artikel 4:6 Awb, waaronder tevens kan worden verstaan een mogelijke actuele dreigende schending van artikel 3 EVRM. Tegen het oordeel van het bestuursorgaan dat geen sprake is van nova staat eveneens volledige rechtsbescherming open.

Slechts in een aantal uitzonderingssituaties zou er aanleiding kunnen bestaan onverkorte toepassing van artikel 4:6 Awb achterwege te laten. Daarbij valt te denken aan de situatie dat sprake is van bij de herhaalde aanvraag gestelde feiten en omstandigheden die vanwege bijzondere omstandigheden verontschuldigbaar niet eerder naar voren zijn gebracht, zoals bijvoorbeeld psychisch onvermogen van de betrokkene. Ook vraagt de situatie dat er is gebleken van een evident onjuiste eerdere beslissing om bijzondere aandacht.

Naar het oordeel van de rechtbank is van dergelijke uitzonderingssituaties in het onderhavige geval echter niet gebleken.

De rechtbank komt thans toe aan de vraag of er sprake is van feiten en omstandigheden die ofwel bij de behandeling van de eerste aanvraag geen rol hebben kunnen spelen, ofwel van zodanige aard zijn dat zij tot een andere beslissing aanleiding hadden kunnen geven. Het bestuursorgaan is alsdan verplicht de betekenis daarvan te onderzoeken en, zo het de (herhaalde) aanvraag niet kan inwilligen, te motiveren waarom de aangevoerde nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden niet tot een andere uitkomst kunnen leiden.

Het toetsingskader voor de rechtbank in deze zaak, waarin sprake is van een herhaalde aanvraag, wordt bepaald door voormeld artikel 4:6 van de Awb. Indien een bestuursorgaan na indiening van een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit tot het oordeel komt dat daartoe geen termen zijn, kan niet door het instellen van beroep tegen dat besluit worden bereikt dat de rechtbank de zaak beoordeelt, als ware het gericht tegen het eerdere besluit. Het door eiseres ingestelde beroep kan dan ook slechts leiden tot de beoordeling of zich na de eerdere besluiten, waarbij eiseres toelating is geweigerd, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hebben voorgedaan die verweerder noopten tot heroverweging van de eerdere afwijzing.

Naar het oordeel van de rechtbank is in casu van nieuwe feiten of omstandigheden in voormelde zin niet gebleken.

Het thans door eiseres gestelde betreft een nadere onderbouwing in rechte van reeds ten tijde van de eerdere besluitvorming voorgevallen en ook gestelde feiten en omstandigheden. Eiseres heeft aan de onderhavige aanvraag evenals het eerdere asielverzoek van 27 juli 1999 haar problemen met de „maffia“, de politie ten grondslag gelegd. Deze problemen zijn in de eerdere procedure reeds meegewogen, zodat thans geen sprake is van nova als bedoeld in voormeld artikel 4:6 Awb. Voorts betreffen de thans gestelde problemen niet zodanig relevante gegevens in de context van de eerdere procedure dat deze tot een andere beslissing zouden hebben geleid, waarbij de rechtbank gewicht toekent aan het feit dat de door eiseres gestelde problemen louter gebaseerd zijn op vermoedens. Eiseres veronderstelt dat haar nicht vanwege haar is vermoord. Hetzelfde geldt voor de gestelde vermissing van de plaatsvervanger van eiseres alsook voor de tegen haar aangespannen strafzaak.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien terug te komen op de eerdere beschikking van 17 november 2000 en is thans verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, Vw niet aan de orde.

Tot slot is niet gebleken van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 83 Vw.

Gelet op het voorgaande leende de asielaanvraag zich voor afdoening in het aanmeldcentrum.

Aangezien ook overigens geen aanleiding bestaat om te oordelen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, wordt het beroep ongegrond verklaard.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

Ten aanzien van het beroep en de voorlopige voorziening

Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.

3. BESLISSING

De rechtbank:

Ten aanzien van de hoofdzaak:

verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorziening:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.K. Nihot, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, tevens voorzieningenrechter, en uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2002 , in tegenwoordigheid van mr. M.R. Groenewoud als griffier.

afschrift verzonden op: 24 juni 2002

RECHTSMIDDEL

Tegen de uitspraak op het beroep kunnen partijen binnen een week na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen op de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Artikel 85 Vw bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.