Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6273

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-08-2002
Datum publicatie
07-08-2002
Zaaknummer
AWB 02/57448
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / bevoegdheid Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

Op grond van artikel 59 Vw 2000 is Onze Minister bevoegd tot inbewaringstelling van een vreemdeling. Gelet op het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder i, Vw 2000 wordt onder „Onze Minister“ de Minister van Justitie verstaan.

Krachtens artikel 44, eerste lid, Gw worden bij Koninklijk Besluit ministeries ingesteld. Hierdoor kunnen taken tussen ministeries verdeeld en herverdeeld worden. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in haar uitspraak van 10 oktober 2001, overwogen dat de regeling van bevoegdheden van een bepaalde minister bij wet in formele zin plaatsvindt in het licht van de op dat moment geldende departementale indeling en in het besef dat die indeling onder vigeur van artikel 44, eerste lid, Gw kan wijzigen. Bij Koninklijk Besluit van 22 juli 2002, Stscrt. 25 juli 2002, nr. 140, p. 7, is mr. H.P.A. Nawijn benoemd tot Minister zonder portefeuille en belast met aangelegenheden betreffende Vreemdelingenzaken en Integratie. Als gevolg van dit Koninklijk Besluit is - gelet op de grondwettelijke bevoegdheid van artikel 44, eerste lid, Gw - een wijziging aangebracht in de ministeriële taakverdeling ter zake van het nemen van beslissingen op grond van de Vw 2000, en is met ingang van 22 juli 2002 de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie bevoegd besluiten op grond van deze wet te nemen. Gelet op die bevoegdheid heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie bij besluit van 23 juli 2002, Stscrt. 25 juli 2002, nr. 140, p.11, mandaat verleend aan het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst om namens hem alle beslissingen te nemen, alle stukken af te doen, alle uitgaande brieven te tekenen voortvloeiende uit de Vw 2000 en de Rijkswet op het Nederlanderschap, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. Gelet op vorenstaande had de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie de bevoegdheid om de bestreden beslissing te nemen. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Grondwet 44, geldigheid: 2002-08-06
Vreemdelingenwet 2000 1, geldigheid: 2002-08-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK te 's-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

sector vreemdelingenrecht

regnr.: Awb 02/57448

UITSPRAAK

op het beroep tegen de bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

A,

geboren op [...] 1977 te Luanda,

nationaliteit Angolese,

IND dossiernummer 0207.26.4030,

thans verblijvende op het politiebureau te Hoofddorp,

raadsvrouw mr. H.C. Ingen Housz,

eiser,

tegen

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

vertegenwoordigd door mr. M.L.E.H. van Dongen,

ambtenaar bij de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder.

1 Procesverloop

1.1 Op 24 juli 2002 om 21:10 uur is eiser aangehouden op verdenking van het plegen van een strafbaar feit, namelijk het gebruik maken van een vals of vervalst paspoort. Blijkens een bij de stukken gevoegd proces-verbaal konden hangende het strafrechtelijk onderzoek zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie niet worden vastgesteld. Eiser is vervolgens op grond van artikel 50, tweede of derde lid, Vw 2000 overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor.

1.2 Op 25 juli 2002 om 14:23 uur is eiser, die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, met het oog op de uitzetting in bewaring gesteld omdat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert (artikel 59, eerste lid aanhef en onder a, Vw 2000).

1.3 Eiser heeft op 25 juli 2002 tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld.

1.4 Het beroep is behandeld ter zitting van 1 augustus 2002. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 Standpunten

2.1 Eiser heeft de rechtbank verzocht het beroep gegrond te verklaren, de opheffing van de bewaring te bevelen en schadevergoeding toe te kennen.

2.2 Verweerder heeft de rechtbank verzocht het beroep ongegrond te verklaren en het verzoek om toekenning van schadevergoeding af te wijzen.

3 Overwegingen

3.1 Beoordeeld dient te worden of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten en of deze in redelijkheid bij afweging van alle daarbij betrokken belangen gerechtvaardigd zijn.

3.2 De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie bevoegd is de bestreden beslissing te nemen.

Op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is Onze Minister bevoegd tot inbewaringstelling van een vreemdeling. Gelet op het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder i, Vw 2000 wordt onder "Onze Minister" de Minister van Justitie verstaan.

Krachtens artikel 44, eerste lid, Grondwet (Gw) worden bij Koninklijk Besluit ministeries ingesteld. Hierdoor kunnen taken tussen ministeries verdeeld en herverdeeld worden.

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in haar uitspraak van 10 oktober 2001, onder meer gepubliceerd in AB 2001/352, JB 2002/295, overwogen dat de regeling van bevoegdheden van een bepaalde minister bij wet in formele zin plaatsvindt in het licht van de op dat moment geldende departementale indeling en in het besef dat die indeling onder vigeur van artikel 44, eerste lid, Gw kan wijzigen.

Bij Koninklijk Besluit van 22 juli 2002, Stscrt. 25 juli 2002, nr. 140, p. 7, is mr. H.P.A. Nawijn benoemd tot Minister zonder portefeuille en belast met aangelegenheden betreffende Vreemdelingenzaken en Integratie. Als gevolg van dit Koninklijk Besluit is - gelet op de grondwettelijke bevoegdheid van artikel 44, eerste lid, Gw - een wijziging aangebracht in de ministeriele taakverdeling ter zake van het nemen van beslissingen op grond van de Vw 2000, en is met ingang van 22 juli 2002 de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie bevoegd besluiten op grond van deze wet te nemen. Gelet op die bevoegdheid heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie bij besluit van 23 juli 2002, Stscrt. 25 juli 2002, nr. 140, p.11, mandaat verleend aan het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst om namens hem alle beslissingen te nemen, alle stukken af te doen, alle uitgaande brieven te tekenen voortvloeiende uit de Vw 2000 en de Rijkswet op het Nederlanderschap, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.

Gelet op vorenstaande had de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie de bevoegdheid om de bestreden beslissing te nemen.

3.3 Namens eiser is aangevoerd dat de melding aan het penitentiair selectiecentrum ontbreekt. Er moet dan ook van uit worden gegaan dat de melding niet, dan wel niet tijdig is gedaan, zodat de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig is. De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge het bepaalde in de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 onder A5/5.3.6.1 wordt de bewaring op grond van artikel 59 Vw 2000 ten uitvoer gelegd op een politiebureau, in een huis van bewaring of een ruimte of plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, of artikel 58, eerste lid, Vw 2000. De tenuitvoerlegging van vreemdelingenbewaring in een politiecel zal, behoudens uitzonderingen, niet langer dan tien dagen mogen duren. Zodra dit redelijkerwijs mogelijk is (artikel 5.4, tweede lid, Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000) dient de bewaring te worden voortgezet in een justitiële inrichting of in een ruimte of plaats met een geprivilegieerd regime.

Omdat de fax met betrekking tot de melding aan het penitentiair selectiecentrum (PSC) bij de dossierstukken ontbrak, heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld dit gedingstuk uiterlijk de volgende dag na te zenden. Bij fax van 2 augustus 2002 heeft de rechtbank aanvullende gegevens van verweerder ontvangen, waaronder de melding aan het PSC. Uit deze stukken blijkt voldoende dat de melding op 25 juli 2002 per fax is verzonden en dus tijdig is gedaan.

3.4 De procedure leidend tot en de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring zijn in overeenstemming met de wettelijke vereisten. De bewaring is derhalve niet op die grond onrechtmatig.

3.5 Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan de bewaring onrechtmatig moet worden geacht.

3.6 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vrees gerechtvaardigd is dat eiser, die geen rechtmatig verblijf hier te lande heeft, indien in vrijheid gesteld, zich aan de uitzetting zal onttrekken. De rechtbank laat daarbij wegen dat eiser niet beschikt over een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 4.21 Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 en gebruik heeft gemaakt van een vals paspoort.

3.7 Het voortduren van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig, nu voldoende zicht bestaat op een spoedige uitzetting van eiser. De aanvraag om afgifte van een laissez-passer door de Angolese autoriteiten wordt opgestart. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder bij aanvullende fax van 2 augustus 2002 heeft aangegeven dat het onderzoek bij de Angolese autoriteiten plaatsvindt door presentaties in persoon. Verwijdering naar Angola is sinds 1 juni 2001 weer mogelijk en vanaf 1 juni 2002 is de gefaciliteerde terugkeer hervat. Voorts heeft verweerder aangegeven dat de Angolese autoriteiten dit jaar reeds verscheidene laissez-passers hebben verstrekt.

3.8 Dit brengt mee dat de toepassing en tenuitvoerlegging van de bewaring in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten en de bewaring bij afweging van alle daarbij betrokken belangen gerechtvaardigd is.

3.9 Het beroep is ongegrond. Daarom kan geen schadevergoeding worden toegekend.

4 BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.M. Elderman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van M.G. den Ambtman als griffier op 6 augustus 2002.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen een week na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 6 augustus 2002