Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6271

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-08-2002
Datum publicatie
07-08-2002
Zaaknummer
AWB 02/57303
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / bevoegdheid Staatssecretaris van Justitie na kabinetsformatie.

Het bevel tot inbewaringstelling is op 23 juli 2002, de dag na het aantreden van het kabinet Balkenende, door de Staatssecretaris van Justitie genomen. Bij Koninklijk Besluit van 22 juli 2002 is mr. H.P.A. Nawijn benoemd tot Minister zonder portefeuille en belast met aangelegenheden betreffende Vreemdelingenzaken en Integratie. Als gevolg van dit Koninklijk Besluit is met terugwerkende kracht tot 22 juli 2002 - gelet op de grondwettelijke bevoegdheid van artikel 44, eerste lid, Gw - een wijziging aangebracht in de ministeriƫle taakverdeling ter zake van het nemen van beslissingen op grond van de Vw 2000, en is de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie bevoegd besluiten op grond van deze wet te nemen. Daar voornoemd Koninklijk Besluit eerst in de Staatscourant van 25 juli 2002, nr. 140, p. 7 is gepubliceerd en derhalve eerst op dat moment het Koninklijk Besluit kenbaar is geworden, was de Staatssecretaris van Justitie ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing nog bevoegd tot het nemen van de bestreden beslissing. Krachtens het Koninklijk Besluit is de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie met ingang van de datum van het Besluit, te weten 22 juli 2002, benoemd. De werking van het Koninklijk Besluit is daarmee met terugwerkende kracht tot 22 juli 2002 van toepassing verklaard, waardoor de bevoegdheid van de Staatssecretaris van Justitie is geconverteerd in een bevoegdheid van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie als zijn rechtsopvolger. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Grondwet 44, geldigheid: 2002-08-06
Vreemdelingenwet 2000 1, geldigheid: 2002-08-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK te 's-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

sector vreemdelingenrecht

regnr.: Awb 02/57303

UITSPRAAK

op het beroep tegen de bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

A,

geboren op [...] 1977 te Madrid,

nationaliteit Spaanse,

IND dossiernummer 0207.24.2000,

thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Zwolle,

raadsvrouw mr. H.C. Ingen Housz,

eiseres,

tegen

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

vertegenwoordigd door mr. M.L.E.H. van Dongen,

ambtenaar bij de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder.

1 Procesverloop

1.1 Op 23 juli 2002 is eiseres aangehouden op verdenking van het plegen van een strafbaar feit (bezit van vals c.q. vervalst Spaans paspoort). Blijkens een bij de stukken gevoegd proces-verbaal konden hangende het strafrechtelijk onderzoek haar identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie niet worden vastgesteld. Eiseres is aansluitend na heenzending uit het strafrechtelijk voortraject op 23 juli 2002 vanaf 16.31 uur opgehouden op grond van artikel 50, tweede en/of derde lid, Vw 2000.

1.2 Op 23 juli 2002 is eiseres, die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, met het oog op de uitzetting in bewaring gesteld omdat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert (artikel 59, eerste lid aanhef en onder a, Vw 2000).

1.3 Verweerder heeft op 23 juli 2002 de rechtbank in kennis gesteld van het besluit tot het opleggen van de maatregel van bewaring. Eiseres wordt daardoor geacht beroep tegen dat besluit te hebben ingesteld (artikel 94, eerste lid, Vw 2000).

1.4 Het beroep is behandeld ter zitting van donderdag 1 augustus 2002. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar raadsvrouw. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 Standpunten

2.1 Eiseres heeft de rechtbank verzocht het beroep gegrond te verklaren, de opheffing van de bewaring te bevelen en schadevergoeding toe te kennen.

2.2 Verweerder heeft de rechtbank verzocht het beroep ongegrond te verklaren en het verzoek om toekenning van schadevergoeding af te wijzen.

3 Overwegingen

3.1 Beoordeeld dient te worden of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten en of deze in redelijkheid bij afweging van alle daarbij betrokken belangen gerechtvaardigd zijn.

3.2 De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of de bestreden beslissing door de bevoegde bewindsman is genomen.

Op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is Onze Minister bevoegd tot inbewaringstelling van een vreemdeling. Gelet op het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder i, Vw 2000 wordt onder "Onze Minister" de Minister van Justitie verstaan.

Krachtens artikel 44, eerste lid, Grondwet (Gw) worden bij Koninklijk Besluit ministeries ingesteld. Hierdoor kunnen taken tussen ministeries verdeeld en herverdeeld worden.

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in haar uitspraak van 10 oktober 2001, onder meer gepubliceerd in AB 2001/352, JB 2002/295, overwogen dat de regeling van bevoegdheden van een bepaalde minister bij wet in formele zin plaatsvindt in het licht van de op dat moment geldende departementale indeling en in het besef dat die indeling onder vigeur van artikel 44, eerste lid, Gw kan wijzigen.

Bij Koninklijk Besluit van 22 juli 2002 is mr. H.P.A. Nawijn benoemd tot Minister zonder portefeuille en belast met aangelegenheden betreffende Vreemdelingenzaken en Integratie. Als gevolg van dit Koninklijk Besluit is met terugwerkende kracht tot 22 juli 2002 - gelet op de grondwettelijke bevoegdheid van artikel 44, eerste lid, Gw - een wijziging aangebracht in de ministeriele taakverdeling ter zake van het nemen van beslissingen op grond van de Vw 2000, en is de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie bevoegd besluiten op grond van deze wet te nemen.

Daar voornoemd Koninklijk Besluit eerst in de Staatscourant van 25 juli 2002, nr. 140, p. 7 is gepubliceerd en derhalve eerst op dat moment het Koninklijk Besluit kenbaar is geworden, was de Staatssecretaris van Justitie ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing nog bevoegd tot het nemen van de bestreden beslissing. Krachtens het Koninklijk Besluit is de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie met ingang van de datum van het Besluit, te weten 22 juli 2002, benoemd. De werking van het Koninklijk Besluit is daarmee met terugwerkende kracht tot 22 juli 2002 van toepassing verklaard, waardoor de bevoegdheid van de Staatssecretaris van Justitie is geconverteerd in een bevoegdheid van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie als zijn rechtsopvolger.

Derhalve is de bestreden beslissing niet onbevoegd genomen.

3.3 Namens eiseres is aangevoerd dat de bewaring onrechtmatig is, omdat uit het proces-verbaal van aanhouding niet blijkt waarop het concreet vermoeden van illegaal verblijf nu precies is gebaseerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Eiseres is op 23 juli 2002 aangehouden op verdenking van het plegen van een misdrijf, te weten het in bezit hebben van een vals c.q. vervalst Spaans paspoort. De rechter in vreemdelingenzaken kan niet oordelen over de aanwending van een niet bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheid. Hoewel in het proces-verbaal van aanhouding niet expliciet staat vermeld waarop het redelijk vermoeden van illegaal verblijf is gebaseerd, geldt dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat de gegevens van eiseres tijdens het strafrechtelijk voortraject zijn gecontroleerd in DVAS, het Dienst Vreemdelingen Administratie Systeem. Eiseres bleek voor te komen in het systeem, hetgeen betekent dat zij hier te lande geen rechtmatig verblijf heeft. Hieruit volgt dat tijdens het strafrechtelijk voortraject voldoende feiten en omstandigheden aanwezig waren die, naar objectieve maatstaven gemeten, het redelijk vermoeden opleverden dat eiseres illegaal in Nederland verbleef. Eiseres kon daarom aansluitend aan het strafrechtelijk voortraject worden opgehouden ter vaststelling van haar identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

3.4 De procedure leidend tot en de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring zijn in overeenstemming met de wettelijke vereisten. De bewaring is derhalve niet op die grond onrechtmatig.

3.5 Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan de bewaring onrechtmatig moet worden geacht.

3.6 De vrees is gerechtvaardigd dat eiseres, die geen rechtmatig verblijf hier te lande heeft, indien in vrijheid gesteld, zich aan de uitzetting zal onttrekken. De rechtbank laat daarbij wegen dat eiseres niet beschikt over een geldige titel tot verblijf en niet in het bezit is van een geldig identiteitsbewijs, nu uit het proces-verbaal 'onderzoek falsificaat' van 30 juli 2002 voldoende is gebleken dat het Spaanse paspoort van eiseres, voorzien van het nummer [...], een vals paspoort betreft. Eiseres heeft de conclusie van dit onderzoek niet weerlegd.

Ter zitting is komen vast te staan dat eiseres een vaste woon- of verblijfplaats heeft aan de [...]straat 481 te B. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat deze bewaringsgrond kan komen te vervallen.

3.7 Het voortduren van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig, nu voldoende zicht bestaat op een spoedige uitzetting van eiseres. Verweerder heeft via het Bureau Dublin/Rijsbergen onderzoek naar eiseres ingesteld in Spanje. De rechtbank merkt hierbij op dat de wijze waarop het onderzoek ten uitvoer wordt gelegd geheel en al aan verweerder is.

3.8 Dit brengt mee dat de toepassing en tenuitvoerlegging van de bewaring in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten en de bewaring bij afweging van alle daarbij betrokken belangen gerechtvaardigd is.

3.9 Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding dient dan ook te worden afgewezen.

4 BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.M. Elderman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van M.G. den Ambtman als griffier op 6 augustus 2002.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen een week na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 6 augustus 2002