Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6262

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-07-2002
Datum publicatie
07-08-2002
Zaaknummer
AWB 00/69227 OVERIO
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Witte-illegalenbeleid / sofi-nummer.

De rechtbank is van oordeel dat er geen ruimte is om de situatie dat per 1 januari 1992 premies en loonbelasting zijn afgedragen gelijk te stellen met de situatie dat een vreemdeling vanaf 1 januari 1992 (rechtmatig) in het bezit is geweest van een sofinummer. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te ‘s-Gravenhage

nevenzittingsplaats Alkmaar

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 00/69227 OVERIO

inzake: A, geboren op [...] 1969, van Turkse nationaliteit, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. N. Türkkol, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.W. de Graaf, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerder

PROCESVERLOOP

1. Op 18 november 1999 heeft eiser een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf op grond van de „Tijdelijke regeling witte illegalen“, zoals weergegeven in Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1999/23. Bij besluit van 12 juli 2000 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd. Eiser heeft bij brief van 25 juli 2000 tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn bij brief van 9 augustus 2000 aangevuld. Het bezwaar is bij besluit van 13 oktober 2000 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 7 november 2000 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brieven van 4 december 2000 en 12 december 2001. Op 21 april 2001 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 2 november 2001 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2002. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig mevrouw S. Cikangir, tolk in de Turkse taal.

II. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt dat eiser niet in aanmerking komt voor toelating op grond van TBV 1999/23, aangezien hij niet heeft aangetoond sedert 1 januari 1992 in het bezit te zijn van een sofinummer. Voorts zijn er geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan verweerder gebruik had moeten maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 Awb en is er ook geen aanleiding om op grond van (overige) klemmende redenen van humanitaire aard een vergunning tot verblijf aan eiser te verlenen. Van schending van de hoorplicht is geen sprake gelet op het bepaalde in artikel 32, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 1965 (Vw). Ook de zorgvuldigheid bracht niet met zich dat eiser had moeten worden gehoord.

2. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte een vergunning tot verblijf heeft geweigerd. Hij heeft sedert 1990 verzekerde arbeid verricht. Materieel heeft eiser derhalve voldaan aan de voorwaarde van het (rechtmatig) bezit van een sofinummer vanaf 1 januari 1992. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank van 17 mei 2001, gepubliceerd in Jurisprudentie Vreemdelingenrecht (JV) 2001, aflevering 10, nummer 186. Verder is eiser het standpunt toegedaan dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid.

Verweerder had voorts op grond van (overige) klemmende redenen van humanitaire aard, gelegen in de persoonlijke omstandigheden van eiser, verblijf hier te lande moeten toestaan. Tot slot is eiser van mening dat hij in bezwaar had moeten worden gehoord.

III. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Het bestreden besluit is bekend gemaakt op 24 november 2000, derhalve vóór de datum (1 april 2001) van inwerkingtreding van de Vw 2000 (Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, 495). Ingevolge het bepaalde in artikel 119, eerste lid, Vw 2000 blijft op besluiten die voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Vw 2000 bekend zijn gemaakt het recht van toepassing zoals dat gold voor dat tijdstip. Op het bestreden besluit is derhalve van toepassing de Vw 1965 (Wet van 13 januari 1965, Stb. 40). Bij de, ex tunc, door de rechtbank uit te voeren rechtmatigheidstoetsing van het bestreden besluit dienen daarom de Vw 1965 (Vw) en de daarop gebaseerde regelgeving te worden toegepast.

3. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikel het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994.

4. Ingevolge TBV 1999/23 kan een vreemdeling die een beroep doet op de „Tijdelijke regeling witte illegalen“ aan de commissie van burgemeesters een advies vragen over de mate van zijn inburgering. Een dergelijk advies wordt ingevolge TBV 1999/23 slechts in behandeling genomen indien - onder meer - wordt voldaan aan de voorwaarde dat de vreemdeling vanaf 1 januari 1992 tot en met 1 juli 1998 (rechtmatig) in het bezit is geweest van een sofinummer (voorwaarde 3).

5. De rechtbank stelt vast, zoals in eerdere uitspraken is overwogen, waaronder voornoemde uitspraak van deze rechtbank van 17 mei 2001 (JV 2001, nr. 186), dat het beleid zoals dat in TBV 1999/23 is neergelegd niet (kennelijk) onredelijk is te achten en dat de hier aan de orde zijnde voorwaarde 3 evenmin (kennelijk) onredelijk is. Zoals verweerder in eerdere zaken heeft aangevoerd en de rechtbank eerder heeft overwogen, waaronder in genoemde uitspraak, wordt door de afgifte van een sofinummer aan een hier te lande verblijvende vreemdeling immers de schijn van legaliteit gewekt ten aanzien van het verblijf van de vreemdeling in Nederland. De afgifte van een sofinummer door de daartoe bevoegde Nederlandse autoriteit is aan te merken als een gedooghandeling van de Nederlandse autoriteiten. In dit licht bezien overschrijdt voorwaarde 3 de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet. De rechtbank stelt voorts vast dat eiser niet heeft betwist dat hij bij aanvang van de referteperiode, op 1 januari 1992, (nog) niet beschikte over een sofinummer. Gelet hierop is de rechtbank met verweerder van oordeel dat niet is voldaan aan de in de regeling gestelde voorwaarde van het (rechtmatig) bezit van een sofinummer. Eisers standpunt dat hij materieel gezien heeft voldaan aan het sofinummervereiste –wat daarvan zij- volgt de rechtbank niet. Anders dan de rechtbank in zijn eerdergenoemde uitspraak van 17 mei 2001, is de rechtbank van oordeel dat TBV 1999/23 en de daarin opgenomen (niet apert onredelijke) voorwaarde 3, waarbij acht is geslagen op de ratio van deze voorwaarde, geen ruimte laat om de situatie dat per (ongeveer) 1 januari 1992 premies en loonbelasting zijn afgedragen gelijk te stellen met de situatie dat een vreemdeling vanaf 1 januari 1992 (rechtmatig) in het bezit was van een sofinummer.

6. Hiernaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder met recht heeft beslist dat eiser geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan verweerder gebruik had moeten maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 Awb. Dergelijke feiten of omstandigheden zijn de rechtbank ook anderszins niet gebleken. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd die niet reeds in het beleid zijn verdisconteerd. De rechtbank overweegt voorts dat het door eiser gestelde afdragen van premies en loonbelasting per (ongeveer) 1 januari 1992 niet kan leiden tot het oordeel dat verweerder gebruik had moeten maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. Dit gaat de reikwijdte van artikel 4:84 Awb te buiten en zou de facto betekenen dat voorwaarde 3 apert onredelijk wordt geacht.

7. Niet is gebleken dat in het geval van eiser sprake is van zodanige overige klemmende redenen van humanitaire aard dat verweerder op grond daarvan aan eiser verblijf hier te lande had dienen toe te staan.

8. Voorts is niet gebleken dat het bestreden besluit in aanmerking komt om te worden vernietigd wegens strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Van schending van de hoorplicht is geen sprake. Gelet op de inhoud van het besluit in primo en op hetgeen in bezwaar is aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder van het horen van eiser heeft kunnen afzien.

9. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep niet kan slagen.

10. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

IV. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2002, door mr. L. van Es, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Klock, griffier.

Afschrift verzonden op: 4 juli 2002

Conc.: DK

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.