Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6170

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-06-2002
Datum publicatie
06-08-2002
Zaaknummer
AWB 01/33064
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2002:AF9181
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verblijfsalternatief.

Eiseres, van Afghaanse nationaliteit, heeft voorafgaand aan haar komst naar Nederland gedurende zes dagen onder begeleiding van haar reisagent in Pakistan verbleven. Vanwege dit verblijf heeft verweerder eiseres op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder j, Vw 2000 en onder verwijzing naar hetgeen is opgenomen in hoofdstuk C1/5.12 Vc 2000 verblijfsalternatief in Pakistan tegengeworpen en is geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 verleend. De rechtbank overweegt dat niet gebleken is dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere invulling aan artikel 31, tweede lid, aanhef en onder j, Vw 2000 is gegeven. Verweerder heeft enkel in hoofdstuk C1/5.12 Vc 2000 beleid ten aanzien van een verblijfsalternatief elders gemaakt. Nu de daarin vastgelegde regels niet op de in het derde lid van artikel 31 Vw 2000 voorgeschreven wijze, te weten bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, zijn gesteld, had verweerder niet onder verwijzing naar het gestelde in hoofdstuk C1/5.12 Vc 2000 toepassing kunnen geven aan artikel 31, tweede lid, onder j, Vw 2000. De rechtbank verklaart het beroep gegrond voorzover gericht tegen de weigering eiseres een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid onder d, Vw 2000 te verlenen. Tegen de uitspraak is door de Staatssecretaris van Justitie hoger beroep ingesteld.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29, geldigheid: 2002-06-04
Vreemdelingenwet 2000 31, geldigheid: 2002-06-04
Vreemdelingenwet 2000 31, geldigheid: 2002-06-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK te 's-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

sector vreemdelingenrecht

regnr.: Awb 01/33064

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1954,

mede ten behoeve van haar minderjarig kind,

van Afghaanse nationaliteit,

IND dossiernummer 0012.15.8114,

gemachtigde: mr. J.G. Wiebes, advocaat te Dronten,

eiseres;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

gemachtigde: mr. M. van Driel , advocaat te 's-Gravenhage,

verweerder.

1 Procesverloop

1.1 Op 15 december 2000 heeft eiseres een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Bij beschikking van 22 juni 2001 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd en ambtshalve beslist geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Bij brief van 20 juli 2001 is daartegen beroep ingesteld.

1.2 Het beroep is ter zitting van dinsdag 14 mei 2002 behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 Toetsingskader

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.2 Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in werking getreden en is de Vreemdelingenwet (Vw) ingetrokken. Op grond van artikel 117, eerste lid, Vw 2000 wordt de aanvraag aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

De rechtbank zal bij de beoordeling van het beroep geen toepassing geven aan artikel 83 Vw 2000 en derhalve geen rekening houden met feiten en omstandigheden die na het nemen van de bestreden beschikking zijn opgekomen.

3 Standpunten

3.1 Het asielrelaas van eiseres komt op het volgende neer. De echtgenoot van eiseres maakte samen met twee partners wijn in de kelder van hun huis. Eén van deze partners verkocht de productie aan klanten. Twee maanden voor het vertrek van eiseres uit Afghanistan kwam haar zwager, B, binnen en zei tegen de echtgenoot van eiseres dat de partner die wijn verkocht was opgepakt door de Taliban. Hij zei dat haar echtgenoot weg moest uit het huis, omdat zijn leven gevaar liep. De zwager van eiseres heeft toen alle apparatuur voor het maken van wijn meegenomen en eiseres heeft de wijnvoorraad in huis verstopt. De volgende dag is de echtgenoot van eiseres om vijf uur 's ochtends vertrokken. Om tien uur kwam de Taliban aan de deur en werd naar de echtgenoot van eiseres gevraagd. Eiseres en haar zoon gaven aan dat hij 's ochtends vroeg was vertrokken, waarna de zoon van eiseres werd mishandeld. Twee dagen later kwam de Taliban opnieuw aan de deur. De inboedel van het huis werd verzameld en vervolgens verbrand. Toen de Taliban wegging werd tegen eiseres gezegd dat zij nogmaals zouden komen en wanneer haar echtgenoot er nog niet was haar zoon zou worden meegenomen. Eiseres en haar zoon zijn vervolgens naar haar zwager gegaan en hebben daar twee maanden verbleven. Van haar zwager vernam eiseres dat een reisagent haar echtgenoot naar een Europees land had gebracht. Toen is ook de reis van eiseres en haar zoon geregeld. Op 24 november 2000 heeft eiseres haar land van herkomst verlaten. Zij is via Pakistan naar Nederland gereisd, alwaar zij op 14 december 2000 is aangekomen.

Daarnaast heeft eiseres nog aangegeven dat haar dochter is gedwongen te trouwen met een Pashtun.

3.2 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat uit hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht niet volgt dat sprake is van vluchtelingschap. De echtgenoot van eiseres heeft zich schuldig gemaakt aan een commuun delict. Daarnaast is niet gebleken dat de Taliban het op eiseres persoonlijk heeft voorzien vanwege de gestelde activiteiten van haar echtgenoot.

Verzoekster komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw2000, omdat zij in Pakistan heeft verbleven. Ingevolge hoofdstuk C1/5.12.2 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) geldt er geen termijn voor de duur van het verblijf in het derde land.

3.3 Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij een Tadzjiekse vrouw is die tengevolge van de problemen met de Taliban niet in gezelschap is van haar echtgenoot. De positie van eiseres onderscheidt zich van die van andere vrouwen in haar land, omdat zij problemen heeft met de Taliban en zich daartegen niet kan verweren. Eiseres kan niet volgen dat haar echtgenoot een commuun delict heeft begaan. Indien daar echter sprake van is, dan is van belang dat de Taliban zich te buiten gaan aan buitensporige maatregelen. De Taliban heeft eiseres geraakt in haar bestaansmogelijkheden. Onder deze omstandigheden dient eiseres als vluchteling te worden aangemerkt. Daarnaast stelt eiseres dat zij slechts op doorreis in Pakistan is geweest en dat Pakistan niet als land van eerder verblijf kan worden aangemerkt. Hierbij verwijst eiseres naar de uitspraak van de Rechtseenheidskamer (REK) van deze rechtbank van 4 mei 2000, Awb 99/11065.

4 Overwegingen

4.1 Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Afganistan zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, of c, Vw 2000 dient te worden verleend. Eiseres zal daarom aannemelijk moeten maken dat met betrekking tot haar persoonlijke feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan een dergelijke verblijfsvergunning dient te worden verleend.

4.2 Op grond van artikel 1 (A) van het Vluchtelingenverdrag worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd.

4.3 Niet aannemelijk is dat eiseres vanwege de activiteiten van haar echtgenoot in de specifieke, negatieve belangstelling van de Taliban heeft gestaan. Weliswaar heeft de Taliban de inboedel van eiseres verbrand, maar eiseres is hierbij ongemoeid gelaten. Dat de Taliban heeft aangegeven later terug te komen en haar zoon mee te zullen nemen wanneer haar echtgenoot nog niet terug is, kan niet tot een ander oordeel leiden. Eiseres heeft immers na dit bezoek van de Taliban nog twee maanden zonder problemen bij haar zwager in Afghanistan kunnen verblijven. Daarnaast heeft eiseres, hoewel zij werd gecontroleerd, zonder problemen de grens tussen Afghanistan en Pakistan kunnen oversteken.

Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiseres geen vluchteling is.

4.4 Het is - mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - niet aannemelijk dat eiseres gegronde reden heeft aan te nemen dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt te worden onderworpen aan folteringen dan wel aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

4.5 Niet is gebleken van zodanig klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verlangd kan worden dat eiseres terugkeert naar het land van herkomst.

4.6 Ingevolge artikel 29, eerste lid, onder d, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, Vw 2000 worden verleend aan een vreemdeling voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van verweerder van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar. Artikel 31, tweede lid, aanhef en onder j, Vw 2000 bepaalt nog dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling elders een verblijfsalternatief heeft omdat hij voorafgaand aan zijn komst naar Nederland heeft verbleven in een ander land dan het land van herkomst. In artikel 31, derde lid, Vw 2000 is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld met betrekking tot het tweede lid, onder j (en k).

4.7 Eiseres heeft voorafgaand aan haar komst naar Nederland gedurende zes dagen onder begeleiding van haar reisagent in Pakistan verbleven. Vanwege dit verblijf heeft verweerder eiseres op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder j, Vw 2000 en onder verwijzing naar hetgeen is opgenomen in hoofdstuk C1/5.12 Vc 2000 verblijfsalternatief in Pakistan tegengeworpen en is geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw2000 verleend.

4.8 De rechtbank overweegt dat niet gebleken is dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere invulling aan artikel 31, tweede lid, aanhef en onder j, Vw 2000 is gegeven. Verweerder heeft enkel in hoofdstuk C1/5.12 Vc 2000 beleid ten aanzien van een verblijfsalternatief elders gemaakt. Nu de daarin vastgelegde regels niet op de in het derde lid van artikel 31 Vw 2000 voorgeschreven wijze, te weten bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, zijn gesteld, had verweerder niet onder verwijzing naar het gestelde in hoofdstuk C1/5.12 Vc 2000 toepassing kunnen geven aan artikel 31, tweede lid, onder j, Vw 2000.

4.9 Gelet op hetgeen in rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.8 is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard. Het bestreden besluit zal derhalve in zoverre worden vernietigd. De rechtbank ziet tevens aanleiding om met toepassing van het bepaalde in art. 8:72 vierde lid AWB te bepalen dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

4.10 Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding om verweerder, als de in het ongelijk gestelde partij, te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van haar beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 644,-, als kosten van verleende rechtsbijstand.

5 BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond voorzover gericht tegen de weigering eiseres een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid onder a, b en c, Vw 2000 te verlenen;

- verklaart het beroep gegrond voorzover gericht tegen de weigering eiseres een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid onder d, Vw 2000 te verlenen.

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspaak opnieuw beslist;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, welke begroot worden op € 644,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te betalen aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. Koene in tegenwoordigheid van mr. E.N.M. van de Beld als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2002

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 4 juni 2002