Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6077

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-08-2002
Datum publicatie
01-08-2002
Zaaknummer
09-753267/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09-753267/01

's-Gravenhage, 1 augustus 2002

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Breda, huis van bewaring De Boschpoort, te Breda.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 18 juli 2002.

De verdachte, bijgestaan door de raadsman mr Knoester, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Vos heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair telastgelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1 subsidiair en 2 primair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, ter beschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de blijkens de Lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen Beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1 t/m 58 (pag 2009 t/m 2020), 2 en 3 (pag 2000) en 1 (pag 2003 en 1996) zullen worden teruggegeven aan de rechthebbende, te weten de ouders van [slachtoffer], de voorwerpen genummerd 1 t/m 8 (pag 2053 en 2054), 1 en 2 (pag 2046) zullen worden teruggegeven aan verdachte, de voorwerpen genummerd 1 en 2 (pag 1993) zullen worden teruggegeven aan de Rabobank te Gouda, de voorwerpen genummerd 3 en 4 (pag 1993) zullen worden teruggegeven aan de ABNAMRO bank te Gouda, het voorwerp genummerd 1 (pag 2033) zullen worden teruggegeven aan de Nederlandse Spoorwegen, de voorwerpen genummerd 1 (pag 2042) zullen worden teruggegeven aan Pension Mierement, het voorwerp genummerd 2 (pag 2042) zullen worden teruggegeven aan Hotel Keizerskroon, het voorwerp genummerd 3 (pag 2043) zullen worden teruggegeven aan Hotel Utrechtse Dom, de voorwerpen genummerd 4 (pag 2043) zullen worden teruggegeven aan A.C. Bodegraven, het voorwerp genummerd 5 (pag 2043) zullen worden teruggegeven aan Hotel Trefpunt, de voorwerpen genummerd 6 (pag 2043) zullen worden teruggegeven aan Hotel Campanile en de voorwerpen genummerd 1 t/m 5 (p. 2037 t/m 2039) zullen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vorderingen wijziging telastlegging, gemerkt A1 en A2.

Verweer niet ontvankelijkheid openbaar ministerie / bewijsuitsluiting.

Ter terechtzitting heeft verdachtes raadsman namens deze - kort samengevat en zakelijk weergegeven - de stelling betrokken dat in de opsporingsfase sprake is geweest van een doelbewuste en/of grove veronachtzaming van de belangen van de verdediging. Ingevolge daarvan heeft de verdediging betoogd dat - primair - het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging en subsidiair - bewijsuitsluiting geïndiceerd is. Ter adstructie en in samenhang beschouwd is daartoe het volgende aangevoerd:

a. Aan verdachte is niet te allen tijde opnieuw de cautie gegeven in verhoren welke volgden op eerdere verhoren van die dag, terwijl verdachte als zwakbegaafd persoon er op bepaalde momenten van de veelvuldige en langdurige verhoren van heeft blijk gegeven dat hij niet heeft begrepen wat die cautie inhoudt;

b. Verdachte heeft op bepaalde momenten tijdens de politieverhoren de desbetreffende verbalisanten - vruchteloos - om een (telefonisch) onderhoud met zijn advocaat verzocht, waardoor verdachtes fundamentele recht op vrij contact en bijstand van een raadsman is geschonden;

c. De Officier van Justitie heeft willens en wetens meerdere malen belangrijk ontlastend bewijsmateriaal aan de verdediging onthouden en dat bewijsmateriaal pas in een zeer laat stadium aan de verdediging verstrekt;

d. De Officier van Justitie heeft misbruik gemaakt van de omstandigheid dat getuige [getuige] in strijd met het haar toekomende beroepsgeheim informatie over verdachte heeft prijsgegeven;

e. De door verdachte gevoerde telefoongesprekken in het Huis van Bewaring zijn weliswaar met toestemming van de Rechter-Commissaris doch in strijd met art. 8 EVRM getapt en uitgeleverd aangezien gedetineerden erop moeten kunnen vertrouwen in privacy te kunnen telefoneren;

f. De Officier van Justitie heeft in strijd met het recht op privacy, zoals dat wordt beschermd door art. 8 EVRM, een medegedetineerde - [betrokkene] - als informant in de zin van art. 126v WvSv ingezet in verdachtes zaak. Voorts heeft de Officier van Justitie nagelaten om grenzen te stellen aan het handelen van verdachtes medegedetineerde [betrokkene] op grond waarvan dit opsporingsmiddel op onzorgvuldige wijze is gehanteerd.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

- ad a. De stelling van de raadsman dat aan een verdachte de cautie dient te worden gegeven, óók in de verhoren welke volgen op eerdere verhoren op eenzelfde dag, vindt geen steun in het recht en in het bijzonder niet in art. 29 lid 2 WvSv. De omstandigheden dat verdachte een zwakbegaafde jongeman is en de verhoren langdurig en intensief zijn geweest, doen hieraan te dezen niet af. De raadsman heeft immers niet - in concreto - aangevoerd dat en waarom verdachte op grond van de feitelijke gang van zaken niet meer geacht kon worden (nog) van zijn recht om te zwijgen op de hoogte te zijn, terwijl zulks evenmin anderszins aannemelijk is geworden. De rechtbank wijst voor haar oordeel tevens op de inhoud van het rapport van Prof. dr. Bullens waaruit onder meer volgt dat de verhorende politiebeambten in het bijzonder voor deze verdachte voldoende rust hebben betracht en genoeg pauzes hebben ingelast.

- ad b. Anders dan de raadsman veronderstelt, is onder de "vrije toegang" als bedoeld in art. 50 lid 1 WvSv niet begrepen het onbeperkte recht van een verdachte om zich telefonisch met zijn raadsman in verbinding te stellen. Zulks geldt temeer ten aanzien van een verdachte die, zoals in casu, reeds aan een verhoor wordt onderworpen. Van een schending van verdachtes recht op verkeer met zijn raadsman in de hiervoor bedoelde zin is derhalve geen sprake.

- ad c. De omstandigheid dat bepaald ontlastend bewijsmateriaal pas in een zeer laat stadium aan de verdediging is verstrekt, kan niet worden beschouwd als een omstandigheid waardoor de verdediging in haar belangen is geschaad. De rechtbank is weliswaar met de raadsman van oordeel dat evenbedoeld bewijsmateriaal eerst in een laat stadium aan de verdediging is verstrekt, doch zij is voorts van oordeel dat de toevoeging van dat bewijsmateriaal aan de processtukken niet pas in een zodanig laat stadium heeft plaatsgevonden dat daarmee een niet meer te herstellen inbreuk op de rechten van de verdediging is gemaakt. De stelling van de verdediging dat de Officier van Justitie willens en wetens gedurende lange tijd dat ontlastende bewijsmateriaal aan de verdediging heeft onthouden acht de rechtbank voorts niet aannemelijk.

ad d. De door de raadsman gewraakte omstandigheid dat getuige [getuige] er als geheimhouder voor heeft gekozen om vrijwillig doch in strijd met het haar toekomende beroepsgeheim informatie over verdachte prijs te geven aan het opsporingsteam, is niet een omstandigheid die het Openbaar Ministerie kan worden tegengeworpen, maar een omstandigheid die uitsluitend voor rekening van deze verschoningsgerechtigde dient te komen. Indien een geheimhouder de hiervoor bedoelde belangenafweging, zoals in casu, ten nadele van een verdachte heeft gemaakt, staat het een officier van justitie bovendien vervolgens vrij om de desbetreffende informatie toe te voegen aan het procesdossier.

- ad e. Anders dan de raadsman meent, is de rechtbank van oordeel dat het feit dat de in het Huis van Bewaring door verdachte gevoerde telefoongesprekken met anderen na een daartoe gegeven schriftelijke machtiging van de Rechter-Commissaris zijn opgenomen met een technisch hulpmiddel, waarna de desbetreffende audiobanden aan de Officier van Justitie zijn overgegeven, niet in strijd is met art. 8 EVRM, aan welke bepaling ook gedetineerde burgers het hun toekomende recht op privacy kunnen ontlenen. Immers, zulks is overeenkomstig art. 126l WvSv en derhalve bij wet geschied en kon tevens in onze democratische samenleving noodzakelijk worden geacht in het belang van de openbare veiligheid.

- ad f. De rechtbank verwerpt op de hiervoor aangegeven gronden tevens het verweer dat de Officier van Justitie in strijd met het in art. 8 EVRM neergelegde recht op privacy verdachtes medegedetineerde [betrokkene] als informant in de zin van art. 126v WvSv heeft ingezet. De stelling voorts, dat de Officier van Justitie heeft nagelaten om grenzen te stellen aan het handelen van verdachtes medegedetineerde [betrokkene], mist feitelijke grondslag nu deze grenzen - overeenkomstig de eisen die art. 126v WvSv daartoe stelt - in de tussen deze informant en het Openbaar Ministerie aangegane en ondertekende overeenkomst afzonderlijk zijn aangegeven. Ook de door de raadsman gewraakte uitlating van de inspecteur van politie P.C. Kool bij de Rechter-Commissaris op 21 juni 2002, dat hij geen tactische aanwijzingen heeft gegeven aan [betrokkene], maakt het vorenoverwoge niet anders nu zulks enkel iets zegt over aanwijzingen die in het bijzonder de tactische aard betreffen en niet over aanwijzingen althans grenzen in het algemeen. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zij het ook anderszins niet aannemelijk acht dat het opsporingsmiddel ex art. 126v WvSv op onzorgvuldige wijze zou zijn gehanteerd.

Op grond van het vorenoverwogene en ook in samenhang beschouwd verwerpt de rechtbank het door de raadsman gevoerde verweer dat in de opsporingsfase sprake is geweest van een doelbewuste en/of grove veronachtzaming van de belangen van de verdediging. De daarop voortbordurende verweren tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie althans bewijsuitsluiting delen hetzelfde lot.

Bewijsoverweging.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair is telastgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier weinig, maar in samenhang beschouwd, voldoende wettige bewijsmiddelen om het onder 1 subsidiair en 2 primair telastgelegde bewezen te kunnen verklaren. Onderdelen van zowel verdachtes verklaringen als de verklaringen van een medegedetineerde, het lijkschouwingsrapport, de schouw van de plaats delict en onderdelen van tapgesprekken tussen verdachte en zijn familie bieden daarvoor namelijk voldoende wettig bewijs. De rechtbank dient echter, wil zij verdachte veroordelen voor het telastgelegde, uit de inhoud van de bewijsmiddelen tevens de overtuiging te bekomen dat verdachte die feiten ook daadwerkelijk heeft begaan.

De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.

De betrokkenheid van verdachte bij de telastgelegde delicten kan uitsluitend volgen uit de verklaringen die verdachte heeft afgelegd ten overstaan van de verhorende politie-ambtenaren, de verklaring van een medegedetineerde met betrekking tot hetgeen verdachte aan hem heeft verteld en de tapgesprekken tussen verdachte en zijn familie. Er zijn geen sporen van verdachte op het slachtoffer of op de plaats van het delict gevonden. Evenmin zijn er getuigenverklaringen waaruit uit de eerste hand iets kan volgen omtrent verdachtes betrokkenheid bij het delict of zijn aanwezigheid op de plaats van het delict. Verdachtes verklaringen vinden met andere woorden geen steun in stille of sprekende getuigen. De rechtbank moet derhalve beoordelen of zij zich, ondanks het ontbreken van dergelijke steun, door de inhoud van de bewijsmiddelen overtuigd acht. Daarbij gaat het in het onderhavige geval - waarin de forensische deskundigen verdachte hebben getypeerd als een tamelijk vergaand zwakbegaafde jongen die bovendien lijdt aan schizofrenie van het gedesorganiseerde type - in het bijzonder om de vraag of verdachtes verklaringen overtuigend zijn.

De rechtbank stelt vast dat die verklaringen op vele punten wisselend, innerlijk inconsistent of zelfs apert strijdig met andere verifieerbare onderzoeksbevindingen zijn. Dit laatste geldt met name voor details in verdachtes relaas. Ook zijn onderdelen van zijn verklaringen weinig precies. Bij de rechtbank is er op grond hiervan ernstige twijfel ten aanzien van de geloofwaardigheid van de verklaringen van verdachte ontstaan. De ernst van deze twijfel is zodanig dat zij uit deze verklaringen, mede bezien in het licht van de overige bewijsmiddelen, niet de overtuiging heeft bekomen dat verdachte het hem onder 1 subsidiair en 2 primair telastgelegde heeft begaan. Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank evenmin overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 meer en meest subsidiair en onder 2 subsidiair telastgelegde feiten heeft begaan.

De rechtbank zal verdachte derhalve daarvan vrijspreken.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 primair, 1 subsidair, 1 meer subsidair, 1 meest subsidiair, 2 primair en 2 subsidiair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave aan de ouders van [slachtoffer] gelasten van de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd genummerd 1 t/m 58 (pag 2009 t/m 2020), 2 en 3 (pag 2000) en 1 (pag 2003 en 1996).

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd genummerd 1 t/m 8 (pag 2053 en 2054), 1 en 2 (pag 2046).

De rechtbank zal de teruggave aan de Rabobank Gouda gelasten van de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1 en 2 (pag 1993).

De rechtbank zal de teruggave aan de ABNAMRO Bank te Gouda gelasten van de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd genummerd 3 en 4 (pag 1993).

De rechtbank zal de teruggave aan de Nederlandse Spoorwegen gelasten van het blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp genummerd 1 (pag 2033).

De rechtbank zal de teruggave aan Pension Mierement gelasten van de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1 (pag 2042).

De rechtbank zal de teruggave aan Hotel Keizerskroon gelasten van het blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp genummerd 2 (pag 2042).

De rechtbank zal de teruggave aan Hotel Utrechtse Dom gelasten van het blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp genummerd 3 (pag 2043).

De rechtbank zal de teruggave aan A.C. Bodegraven gelasten van de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 4 (pag 2043).

De rechtbank zal de teruggave aan Hotel Trefpunt gelasten van het blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp genummerd 5 (pag 2043).

De rechtbank zal de teruggave aan Hotel Campanile gelasten van de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 6 (pag 2043).

Onvoldoende duidelijk is geworden aan wie de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1 t/m 5 (p. 2037 t/m 2039) in eigendom toebehoren. De rechtbank zal, nu geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, de bewaring van deze voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair, 1 meest subsidiair, 2 primair en 2 subsidiair telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis;

gelast de teruggave aan de ouders van M. de Geus van de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd genummerd 1 t/m 58 (pag 2009 t/m 2020), 2 en 3 (pag 2000) en 1 (pag 2003 en 1996);

gelast de teruggave aan verdachte van de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1 t/m 8 (pag 2053 en 2054), 1 en 2 (pag 2046);

gelast de teruggave aan de Rabobank te Gouda van het blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 1 en (pag 1993);

gelast de teruggave aan de ABNAMRO bank te Gouda van de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 3 en 4 (pag 1993);

gelast de teruggave aan de Nederlandse Spoorwegen van het blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 1 (pag 2033);

gelast de teruggave aan Pension Mierement van de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1 (pag 2042);

gelast de teruggave aan Hotel Keizerskroon van het blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 2 (pag 2042);

gelast de teruggave aan Hotel Utrechtse Dom van het blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 3 (pag 2043);

gelast de teruggave aan A.C. Bodegraven van de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 4 (pag 2043);

gelast de teruggave aan Hotel Trefpunt van het blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 5 (pag 2043);

gelast de teruggave aan Hotel Campanile van de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 6 (pag 2043);

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1 t/m 5 (p. 2037 + 2039).

Dit vonnis is gewezen door

mrs E. Timmermans, voorzitter,

J.Th. Drop en A.S.I. van Delden, rechters,

in tegenwoordigheid van E.T. Rietbroek, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 augustus 2002.