Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6074

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-06-2002
Datum publicatie
05-08-2002
Zaaknummer
AWB 01/312 WVG
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2005:AT5403
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Draagkrachtberekening in Vergoedingenbesluit gemeente Zoetermeer niet in overeenstemming met berekeningswijze als bepaald in art. 3 Regeling inzake financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen Wvg.

Verweerder heeft aan eisers een financiële tegemoetkoming in de kosten voor de aanpassing van de woning van eisers (de plaatsing van een traplift) toegekend en de eigen bijbetaling van eisers bepaald op ƒ 3000,- over het draagkrachtjaar. Eisers achten de wijze van draagkrachtberekening niet in overeenstemming met art. 3 Regeling.

Rechtbank: De Regeling zelf geeft geen eenduidig uitsluitsel over de inhoud van het begrip 'ruimte in het inkomen'. Dat begrip is immers niet in de Regeling gedefinieerd. Uit de vergelijking van art. 3 Regeling, zoals die luidde tot 1 april 1996, met de tekst van art. 3 van de Regeling, na de wijzing in 1996, blijkt dat uitsluitend de genoemde bedragen en het draagkrachtpercentage zijn gewijzigd. Het woord 'norminkomen' in art. 3, tweede en derde lid, van de Regeling (oud) is vervangen door '1,5 maal het norminkomen' in art. 3, tweede en derde lid, van de Regeling (nieuw) en het in art. 3, tweede lid, (oud) genoemde maximale bedrag van ƒ l86,- bedraagt na de wijziging van de Regeling ƒ 100,-. In de Toelichting bij de oude Regeling (Stcrt 1993, 227) is voor de wijze van draagkrachtberekening uiteengezet dat de draagkracht, bij een netto inkomen niet hoger dan het norminkomen, ten hoogste ƒ 186,- bedraagt. Voor inkomens boven dat norminkomen bedraagt de draagkracht maximaal ƒ 186,- plus het draagkrachtpercentage van het surplusinkomen.

Nu uit de vergelijking van de tekst van art. 3 van de Regeling zoals die luidde vóór en na 1 april 1996 is gebleken dat slechts de inkomensgrens en het maximaal bedrag is gewijzigd en uit de Toelichting bij de wijziging met ingang van 1 april 1996 niet blijkt dat de wetgever de rekenmethode heeft willen wijzigen, is de rechtbank van oordeel dat de systematiek van de draagkrachtberekening gelijk is gebleven. Dat betekent dat de wijziging van de Regeling tot gevolg heeft dat onder 'ruimte in het inkomen' respectievelijk het surplusinkomen het meerdere boven 1,5 maal het norminkomen moet worden begrepen. Voor de berekeningswijze van de draagkracht volgt daaruit dat de draagkracht maximaal ƒ 100,-, plus het draagkrachtpercentage van dat surplusinkomen bedraagt.

De rechtbank heeft bij haar oordeel omtrent de juiste wijze van draagkrachtberekening mede in aanmerking genomen dat de voornoemde berekeningswijze ook de meest redelijke oplossing is. De berekening voorkomt dat de eigen bijbetalingen van gehandicapten met een bijna gelijk netto inkomen ver uit elkaar lopen om de reden dat hun inkomens net boven of net beneden de inkomensgrens liggen. Anders dan verweerder heeft gesteld bestaat bij deze berekeningswijze wel degelijk draagkracht bij inkomens onder 1,5 maal het norminkomen. Volgens art. 3.2 Regeling is dit maximaal ƒ 100,-. Verweerders gemeente heeft er echter voor gekozen om bij een inkomen onder de 1,5 maal het norminkomen de draagkracht op nihil te stellen.

De rechtbank concludeert derhalve dat de wijze van draagkrachtberekening zoals die is vastgelegd in het Vergoedingenbesluit van verweerder niet in overeenstemming is met de berekeningswijze zoals bepaald in art. 3 Regeling. Anders dan art. 1.a Vergoedingenbesluit juncto art. 1.c Vergoedingenbesluit bepaalt, dient volgens art. 3 Regeling het draagkrachtpercentage genomen te worden over het verschil tussen 1,5 maal het norminkomen en het inkomen van de gehandicapte.

Burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder.

mr. D. de Loor

Uitspraak in hoger beroep verneitigd; LJN AT5403

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 01/312 WVG

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

A en B, wonende te C, eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 22 juni 2000 heeft verweerder aan eisers met toepassing van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een financiële tegemoetkoming in de kosten voor de aanpassing van de woning van eisers (de plaatsing van een traplift) toegekend en de eigen bijbetaling van eisers bepaald op ƒ 3000,- over het draagkrachtjaar.

Bij besluit van 14 december 2000 heeft verweerder het tegen de hoogte van de eigen bijbetaling gerichte bezwaar van eisers, overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie Sociale Voorzieningen, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 19 januari 2001, ingekomen bij de rechtbank op 23 januari 2001, beroep ingesteld. Het beroep is nader aangevuld bij brief van 22 februari 2001.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 6 april 2002 een verweerschrift ingediend. Bij brief van 25 juni 2001 heeft verweerder dit verweer nader toegelicht.

De zaak is op 21 maart 2002 ter zitting behandeld.

Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde M. Gorter.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Rietkerk.

Motivering

Het onderhavige geschil beperkt zich tot de vraag of de eigen bijbetaling van eisers ter hoogte van ƒ 3000,- door verweerder op een juiste wijze is berekend. Hierbij gaat het in de eerste plaats om de wijze van berekening van de draagkracht van eisers. In de tweede plaats is in geding of verweerder bij de bepaling van de hoogte van de eigen bijbetaling voldoende rekening heeft gehouden met de kosten die eisers op grond van de handicap van hun dochter hebben gemaakt.

De raad van gemeente Zoetermeer heeft ter uitvoering van de Wvg de voor deze zaak van belang zijnde Wvg-verordening Zoetermeer (hierna: de Verordening) vastgesteld die met ingang van 1 augustus 1999 in werking is getreden.

In artikel 1.3 van de Verordening en artikel 2 van het daarbij behorende Vergoedingenbesluit Wvg (hierna: het Vergoedingenbesluit) is bepaald, voor zover hier relevant, dat, daar waar een financiële tegemoetkoming wordt bepaald op de voor vergoeding in aanmerking komende kosten onder aftrek van de Wvg-draagkracht, geldt dat op deze voor vergoeding in aanmerking komende kosten, voor inkomens boven 2 maal het norminkomen, maximaal ƒ 3000,- in mindering wordt gebracht.

Voor de wijze van berekening van de Wvg-draagkracht is in artikel 1, onder c, van het Vergoedingenbesluit bepaald dat de draagkracht het Wvg-draagkrachtpercentage van de ruimte in het inkomen is. Het Wvg-draagkrachtpercentage is bij inkomens hoger dan 1,5 maal het norminkomen (zoals hier het geval) 8,75 %. Onder 'ruimte in het inkomen' wordt volgens artikel 1, onder a, van het Vergoedingenbesluit begrepen het verschil tussen het norminkomen, zoals bedoeld in artikel 1, onder c, van de Regeling inzake financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen Wvg en het netto inkomen van de gehandicapte zoals dat in artikel 1.1 onder b van de Verordening is gedefinieerd.

Verweerder heeft bij zijn berekening van de draagkracht van eisers de ruimte in het inkomen bepaald door het verschil te nemen tussen het norminkomen en het netto inkomen van eisers (zijnde ƒ 42574,92). De draagkracht van eisers is berekend door 8,75% van de ruimte in het inkomen te nemen (zijnde ƒ 3725,30). Gelet op het gegeven dat het netto inkomen van eisers boven 2 maal het norminkomen ligt, heeft verweerder de eigen bijbetaling van eisers gemaximeerd tot ƒ 3000,-.

Eisers hebben naar voren gebracht dat de wijze van draagkrachtberekening door verweerder niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 3 van de Regeling inzake financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen Wvg (hierna: de Regeling) zoals die sinds de wijziging met ingang van 1 april 1996 luidt (Besluit van 19 november 1993, Stcrt. 1993, 227, laatstelijk gewijzigd met ingang van 25 juli 1998, Stcrt. 1998, 137).

In artikel 3 van de Regeling is, voor zover hier relevant, bepaald:

1. (...)

2. Bij een netto inkomen tot en met 1,5 maal het norminkomen is de draagkracht per kalenderjaar ten hoogste ƒ 100,-.

3. Voor zover het netto inkomen meer bedraagt dan de 1,5 maal het norminkomen wordt bij de vaststelling van de draagkracht per kalenderjaar ten hoogste een kwart van het draagkrachtpercentage dat burgemeester en wethouders in het kader van de uitvoering van de Algemene bijstandswet hanteren in aanmerking genomen.

4. (...)

Eisers zijn van mening dat voornoemde bepaling inhoudt dat de draagkracht, bij een netto inkomen boven 1,5 maal het norminkomen, moet worden berekend door de ruimte in het inkomen te bepalen als het surplus boven 1,5 maal het norminkomen. Eisers hebben aangevoerd dat met de wijziging van artikel 3 van de Regeling met ingang van 1 april 1996 slechts de bedragen en percentages zijn gewijzigd, echter niet de systematiek van de wijze van berekening en zij hebben ter ondersteuning van hun standpunt gewezen op het rapport over de derde evaluatie van de Wvg 'Een verstrekkende wet 3'.

Verweerder heeft naar voren gebracht dat zijn zienswijze strookt met de tekst van artikel 3 van de Regeling. Bij de interpretatie, zoals door eisers wordt voorgestaan, zou voor inkomens onder 1,5 maal het norminkomen geen ruimte in het inkomen en dus ook geen draagkracht bestaan terwijl volgens lid 2 van dat artikel ook beneden de inkomensgrens van 1,5 maal het norminkomen sprake is van 'draagkracht'.

Wat de uitleg van de bepaling van artikel 3 van de Regeling betreft, overweegt de rechtbank als volgt. De Regeling zelf geeft geen eenduidig uitsluitsel over de inhoud van het begrip 'ruimte in het inkomen'. Dat begrip is immers niet in de Regeling gedefinieerd. Uit de vergelijking van artikel 3 van de Regeling, zoals die luidde tot 1 april 1996, met de tekst van artikel 3 van de Regeling, na de wijzing in 1996, blijkt dat uitsluitend de genoemde bedragen en het draagkrachtpercentage zijn gewijzigd. Het woord 'norminkomen' in artikel 3, tweede en derde lid, van de Regeling (oud) is vervangen door '1,5 maal het norminkomen' in artikel 3, tweede en derde lid, van de Regeling (nieuw) en het in artikel 3, tweede lid, (oud) genoemde maximale bedrag van ƒ l86,- bedraagt na de wijziging van de Regeling ƒ 100,-. In de Toelichting bij de oude Regeling (Stcrt 1993, 227) is voor de wijze van draagkrachtberekening uiteengezet dat de draagkracht, bij een netto inkomen niet hoger dan het norminkomen, ten hoogste ƒ 186,- bedraagt. Voor inkomens boven dat norminkomen bedraagt de draagkracht maximaal ƒ 186,- plus het draagkrachtpercentage van het surplusinkomen.

Nu uit de vergelijking van de tekst van artikel 3 van de Regeling zoals die luidde vóór en na 1 april 1996 is gebleken dat slechts de inkomensgrens en het maximaal bedrag is gewijzigd en uit de Toelichting bij de wijziging met ingang van 1 april 1996 niet blijkt dat de wetgever de rekenmethode heeft willen wijzigen, is de rechtbank van oordeel dat de systematiek van de draagkrachtberekening gelijk is gebleven. Dat betekent dat de wijziging van de Regeling tot gevolg heeft dat onder 'ruimte in het inkomen' respectievelijk het surplusinkomen het meerdere boven 1,5 maal het norminkomen moet worden begrepen. Voor de berekeningswijze van de draagkracht volgt daaruit dat de draagkracht maximaal ƒ 100,-, plus het draagkrachtpercentage van dat surplusinkomen bedraagt.

De rechtbank heeft bij haar oordeel omtrent de juiste wijze van draagkrachtberekening mede in aanmerking genomen dat de voornoemde berekeningswijze ook de meest redelijke oplossing is. De berekening voorkomt dat de eigen bijbetalingen van gehandicapten met een bijna gelijk netto inkomen ver uit elkaar lopen om de reden dat hun inkomens net boven of net beneden de inkomensgrens liggen. Anders dan verweerder heeft gesteld bestaat bij deze berekeningswijze wel degelijk draagkracht bij inkomens onder 1,5 maal het norminkomen. Volgens artikel 3, tweede lid, van de Regeling is dit maximaal ƒ 100,-. Verweerders gemeente heeft er echter voor gekozen om bij een inkomen onder de 1,5 maal het norminkomen de draagkracht op nihil te stellen.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de wijze van draagkrachtberekening zoals die is vastgelegd in het Vergoedingenbesluit van verweerder niet in overeenstemming is met de berekeningswijze zoals bepaald in artikel 3 van de Regeling. Anders dan artikel 1, onder a, van het Vergoedingenbesluit juncto artikel 1, onder c, van het Vergoedingenbesluit bepaalt, dient volgens artikel 3 van de Regeling het draagkrachtpercentage genomen te worden over het verschil tussen 1,5 maal het norminkomen en het inkomen van de gehandicapte.

De grief van eisers dat verweerder is uitgegaan van een verkeerde periode waarover de draagkracht geldt, treft geen doel. Uit het bestreden besluit en het daaraan ten grondslag liggende advies van de bezwaarschriftencommissie Sociale Voorzieningen blijkt dat de noodzakelijke uit de handicap voortvloeiende kosten over 1999, het kalenderjaar als bedoeld in artikel 3 van de Regeling, in aanmerking zijn genomen. Deze kosten zijn door verweerder vastgesteld op ƒ 520,-. Eisers hebben in beroep niet gemotiveerd en aan de hand van bewijsstukken bestreden dat dit bedrag juist is vastgesteld.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de draagkracht van eisers en daarmee de hoogte van de eigen bijbetaling van eisers onjuist heeft berekend. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3 van de Regeling.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig om verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eisers in verband met dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-, te weten € 322,- voor een beroepsschrift en € 322,- voor de aanwezigheid ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 14 december 2000;

draagt verweerder op binnen 6 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat de gemeente Zoetermeer aan eisers het door hen betaalde griffierecht, te weten € 27,23 vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,-, welke kosten de gemeente Zoetermeer aan eisers dient te vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. D. de Loor en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2002, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Graefe.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: