Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE5562

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
22-07-2002
Zaaknummer
09-037949-01
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2003:AI1012
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Feit 1, 2 en 3: Verkrachting. 5 jaar gev. straf. Hoger beroep: AI1012

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09-037949-01

rolnummer 0004

's-Gravenhage, 17 juli 2002

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Kameroen),

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in het Penitentiair Complex Scheveningen, Huis van Bewaring (Unit 1), te 's-Gravenhage.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 3 juli 2002.

De verdachte, bijgestaan door de raadsman mr T. Bissessur en een tolk, is verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr Baggerman heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij gewijzigde dagvaarding onder 1, 2 en 3 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de blijkens de Lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen Beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen videoband zal worden onttrokken aan het verkeer, en dat de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen mobiele telefoon zal worden verbeurdverklaard.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] ten aanzien van feit 3 tot een bedrag van € 3.000,= (bij wijze van voorschot) en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting ten aanzien van feit 1 - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2 en 3 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Ten aanzien van het bewijs voor het telastgelegde onder 3 overweegt de rechtbank het volgende.

Voor een zeer groot deel is ten aanzien van feit 3 sprake van dezelfde modus operandi van verdachte als in de feiten 1 en 2. Verdachte heeft het slachtoffer met een "babbel" naar zijn woning gelokt, de deur van de kamer op slot gedaan en verdachte heeft vervolgens het slachtoffer deels uitgekleed en verkracht. Verdachte heeft telkens geen condoom gebruikt en steeds na de verkrachting aan het slachtoffer medegedeeld een relatie met haar te willen aangaan. Mede op grond van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte het onder 3. telastgelegde feit heeft gepleegd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen. Verdachte heeft in een korte periode drie vrouwen verkracht. Hij heeft zijn slachtoffers naar zijn woning gelokt en hen daar, door feitelijkheden, door middel van geweld of bedreiging met geweld, verkracht. Verdachte heeft in twee gevallen gebruik gemaakt van een videocamera; in één van de gevallen is de videoband, met daarop een registratie van de verkrachting, bewaard gebleven. In het andere geval heeft verdachte tegenover het slachtoffer het bestaan van een videoband genoemd. Tijdens de verkrachtingen heeft verdachte geen gebruik gemaakt van condooms, ook niet nadat een van zijn slachtoffers daarom verzocht. De slachtoffers zijn bang dat ze geslachtsziekten hebben opgelopen, zeker nu recentelijk gebleken is dat verdachte lijdt aan Hepatitus B. Na zijn aanhouding is verdachte de slachtoffers blijven benaderen.

Verdachte heeft zijn eigen lustgevoelens laten prevaleren boven de gevoelens en belangen van de slachtoffers. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij ernstig inbreuk heeft gemaakt op de privacy en lichamelijke integriteit van zijn slachtoffers.

De rechtbank heeft acht geslagen op een voorlichtingsrapport van het Leger des Heils te Den Haag d.d. 28 maart 2002.

De rechtbank houdt voorts rekening met het rapport van drs. A.D. Wallace, klinisch en forensisch psycholoog te Amsterdam d.d. 15 maart 2002.

Verdachte is, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister, niet eerder met justitie in aanraking geweest.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal het blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp genummerd 2, te weten een mobiele telefoon, verbeurdverklaren, zijnde dit voorwerp voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien verdachte met dit voorwerp na het plegen van het feit hiermee contact heeft gehad met de slachtoffers teneinde hen onder meer van het doen van aangifte af te houden, en hij aldus daarmee de opsporing van het misdrijf heeft belemmerd.

De rechtbank zal het blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp genummerd 1, te weten een videoband, onttrekken aan het verkeer, zijnde dit voorwerp voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien dit aan verdachte toebehorende voorwerp bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten is aangetroffen en voorts van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met het algemeen belang.

De vordering van de benadeelde partij.

[benadeelde partij], wonende te [woonplaats], [adres], heeft zich bij haar gemachtigde [gemachtigde] ten aanzien van feit 3 als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 16.500,=. Een schriftelijke machtiging bevindt zich bij deze vordering.

Deze vordering, die eenvoudig van aard is, vindt rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag in het bij dagvaarding onder 3 aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit.

De rechtbank bepaalt derhalve dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering en zal deze vordering toewijzen bij wijze van voorschot tot een bedrag groot € 3.000,= en de rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, aangezien dat deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 3.000,= ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij].

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 57 en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2 en 3 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 3:

verkrachting, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op :27 december 2001,

in voorlopige hechtenis gesteld op :30 december 2001;

verklaart verbeurd het blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 2, te weten een mobiele telefoon, merk Nokia;

verklaart onttrokken aan het verkeer het blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 1, te weten een videoband;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij], wonende te [woonplaats], [adres], als voorschot een bedrag van € 3.000,=, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] voor het overige niet ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding, en dat deze haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot

€ 3.000,= ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Kalk, voorzitter,

Kuijer en Van Delden, rechters,

in tegenwoordigheid van Van Dijk, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juli 2002.