Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE5507

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-06-2002
Datum publicatie
18-07-2002
Zaaknummer
AWB 02/40496 BEPTDN, 02/40400 BEPTDN
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2002:AH9010
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AC-procedure / voornemenprocedure.

Verweerder heeft in het voornemenformulier opgemerkt dat de verklaring van eiser, afkomstig uit China, omtrent de gestelde dood van zijn vader niet voldoet aan de criteria van het traumatabeleid. Noch artikel 3.117 Vb 2000 noch hoofdstuk C3/12.11 Vc 2000 schrijft voor dat in het voornemenformulier een volledige motivering neergelegd dient te worden. Uit het voornemenformulier kan in voldoende mate worden afgeleid dat de aannemelijkheid van de dood van de vader ter discussie stond. Het voornemenformulier bood naar het oordeel van de rechtbank aldus voor eiser voldoende houvast om de zienswijze op te baseren. Voorts bestaat er geen bezwaar tegen het opnemen van nieuwe argumenten in de beslissing op de aanvraag ter onderbouwing van de in het voornemen reeds genoemde afwijzingsgrond. Het beroep op het traumatabeleid kan niet slagen. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86, geldigheid: 2002-06-14
Vreemdelingenbesluit 2000 3.117, geldigheid: 2002-06-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/S288

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Reg.nr.: AWB 02/40496 BEPTDN (beroepszaak)

AWB 02/40400 BEPTDN (voorlopige voorziening)

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter, inzake het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening van:

A, geboren op [...] 1987, van Chinese nationaliteit, eiser/verzoeker,

gemachtigde: mr. A. Portier, advocaat te Arnhem,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. L. Verheijen, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Op 22 mei 2002 heeft eiser/verzoeker (hierna te noemen: eiser) een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 26 mei 2002 heeft verweerder de aanvraag van eiser niet ingewilligd in het kader van de zogenaamde AC-procedure. Eiser heeft tegen deze beslissing beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Eiser heeft de rechtbank verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten totdat op het beroep is beslist.

De openbare behandeling van beide geschillen heeft plaatsgevonden op 7 juni 2002. Ter zitting hebben eiser en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

Ten aanzien van het beroep

In de hoofdzaak dient te worden beoordeeld of de bestreden beslissing in rechte stand kan houden. Aangezien verweerder de aanvraag heeft afgewezen in het aanmeldcentrum (AC), dient te worden beoordeeld of het desbetreffende besluit binnen 48 uur op zorgvuldige wijze is genomen.

Gelet op de inhoud van het beroepschrift en het verhandelde ter zitting is thans niet aan de orde de eveneens in het bestreden besluit vervatte weigering eiser in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling. Gelet hierop en in aanmerking nemend het petitum ziet ook het verzoek om een voorlopige voorziening niet op dit onderdeel van de bestreden beschikking.

Eiser legt aan de aanvraag ten grondslag dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij voert hiertoe aan dat zijn vader is gedood tijdens een gevecht met de politie. De politie was gekomen om eisers vader en zijn vrienden te arresteren omdat zij zich bezig hielden met mensensmokkel. Een vriend van eisers vader heeft eiser hierna meegenomen naar Nederland, omdat eiser in China geen familie meer heeft.

Verweerder heeft de bestreden beslissing, voor zover hier van belang en samengevat, doen steunen op de volgende overwegingen. Eiser heeft ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren, noch documenten die zijn relaas kunnen onderbouwen, overgelegd en hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem dit niet is toe te rekenen. Hierdoor is de oprechtheid van zijn asielrelaas op voorhand aangetast en wordt afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid van zijn relaas.

Voorts wordt overwogen dat eiser de dood van zijn vader niet aannemelijk heeft gemaakt, nu hij deze omstandigheid niet heeft onderbouwd met documenten. Voorts is in de overweging betrokken dat eiser de dood van zijn vader van een derde en derhalve niet uit een objectief verifieerbare bron, heeft vernomen. Voorzover wel van de aannemelijkheid van de dood van eisers vader wordt uitgegaan, is gesteld noch gebleken dat deze gebeurtenis betrekking zou hebben op eiser, anders dan in familierechtelijke zin. Inzake eisers verklaring dat hij China heeft verlaten omdat hij daar niemand meer zou hebben om voor hem te zorgen, wordt overwogen dat dit geen beroep op het Vluchtelingenverdrag rechtvaardigt. Eiser komt derhalve niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, sub a, Vw.

De door eiser aangevoerde redenen worden als onvoldoende zwaarwegend beoordeeld voor een geslaagd beroep op het traumatabeleid. Allereerst wordt verwezen naar hetgeen is overwogen inzake de aannemelijkheid van de dood van eisers vader. Indien wel wordt uitgegaan van de aannemelijkheid wordt overwogen dat de gestelde dood van zijn vader niet valt te herleiden tot één van de gronden genoemd in hoofdstuk C1/4.4 Vc 2000. Immers, niet is vast komen te staan door wie de vader van eiser om het leven is gekomen, nu eiser hierover tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd.

Eiser bestrijdt dit besluit en voert daartegen aan dat verweerder niet heeft gehandeld conform het beleid, zoals neergelegd in hoofdstuk C3/11 Vc, waarin is neergelegd dat het voornemen tot afwijzing van de aanvraag de voor afwijzing relevante overwegingen moet bevatten. Ter onderbouwing wordt verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Zwolle van 20 juli 2001. Een enkele opmerking van verweerder onder aan het voornemen dat de verklaring van betrokkene omtrent de gestelde dood van zijn vader niet voldoet aan de criteria welke genoemd zijn in Vc c4/4, kan niet dienen als motivering ter afwijzing van de aanvraag op de c-grond. Ter afwijzing van het beroep op het traumatabeleid wordt verwezen naar hetgeen is overwogen inzake de aannemelijkheid van de dood van de vader van eiser, echter in het voornemen werd slechts gesteld dat eiser een document betreffende de dood van zijn vader had moeten aanvragen bij de Chinese autoriteiten. Dit zou echter niet logisch zijn geweest voor eiser, nu zijn vader door de politie is doodgeschoten. Overigens wordt in het voornemen onder het punt van de onaannemelijkheid niet vermeld dat onaannemelijk wordt geacht dat eisers vader is gedood door de Chinese politie. Ook het argument in de beschikking dat eiser de informatie over de dood van zijn vader van een derde heeft vernomen die niet als een objectief verifieerbare bron moet worden beschouwd, valt niet uit het voornemenformulier af te leiden.

Het traumatabeleid vereist overigens niet dat een document wordt overgelegd om de dood van een naast familielid aan te tonen.

Ook het argument van verweerder dat niet vast is komen te staan door wie de vader van eiser om het leven is gebracht, omdat eiser hierover tegenstrijdige verklaringen afgelegd zou hebben, is nieuw in de beschikking en feitelijk onjuist.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ter zitting is vast komen te staan dat het geschil tussen partijen zich beperkt tot de vraag of eiser aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw. De rechtbank zal zich bij de beoordeling van de zaken dan ook tot dit punt van het geschil beperken.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling, van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

Verweerder heeft dienaangaande in het voornemenformulier opgemerkt dat de verklaring van eiser omtrent de gestelde dood van zijn vader niet voldoet aan de criteria welke genoemd zijn in Vc c4/4 (lees: Vc C1/4, hierna het traumatabeleid).

Naar het oordeel van de rechtbank schrijft artikel 3.117 Vreemdelingenbesluit (Vb) noch de uitwerking in hoofdstuk C3/12.11 Vc voor dat verweerder reeds in het voornemenformulier de volledige motivering neerlegt die dient ter onderbouwing van een genoemde afwijzingsgrond. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het onderhavige geval uit het voornemenformulier in voldoende mate worden afgeleid dat voor verweerder de aannemelijkheid van de dood van de vader van eiser ter discussie stond, gelet op de zinsnede dat eiser de gestelde dood van zijn vader niet aannemelijk heeft gemaakt middels documenten. Aldus bood het voornemenformulier voor eiser, ook met betrekking tot het traumatabeleid, voldoende houvast om de zienswijze op te baseren. De rechtbank hecht er wel aan op te merken dat het de voorkeur zou verdienen indien verweerder op het voornemenformulier overzichtelijker zou aangeven waarom niet wordt voldaan aan de criteria van het traumatabeleid.

Voorts bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen bezwaar tegen het opnemen van nieuwe argumenten in de beslissing op de aanvraag ter onderbouwing van de in het voornemen reeds genoemde afwijzingsgrond. Dat verweerder eerst in de beslissing op de aanvraag overweegt dat tevens in aanmerking is genomen dat eiser de dood van zijn vader niet aannemelijk heeft gemaakt omdat hij dit niet uit eigen waarneming heeft, maar via een derde heeft vernomen, leidt de rechtbank dan ook niet tot de conclusie dat de bestreden beschikking op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank thans toe aan beoordeling van de vraag of verweerder terecht heeft overwogen dat eisers beroep op het traumatabeleid niet kan slagen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Daargelaten of verweerder van een minderjarige als eiser, kan verlangen dat hij middels documenten aantoont dat zijn vader is overleden, is de rechtbank van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd dit aannemelijk te maken. Verweerder heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat eiser slechts van horen zeggen heeft dat zijn vader zou zijn gedood.

Tot slot wordt opgemerkt dat het beroep op het traumatabeleid evenzeer faalt, nu eiser heeft verklaard geen getuige te zijn geweest van het incident waarbij zijn vader om het leven zou zijn gekomen.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder eiser een verblijfsvergunning wegens klemmende redenen van humanitaire aard als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw kunnen onthouden.

Gelet op het voorgaande leende de asielaanvraag zich voor afdoening in het aanmeldcentrum.

Aangezien ook overigens geen aanleiding bestaat om te oordelen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, wordt het beroep ongegrond verklaard.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

Ten aanzien van het beroep en de voorlopige voorziening

Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.

3. BESLISSING

De rechtbank:

Ten aanzien van de hoofdzaak:

verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorziening:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.K. Nihot, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, tevens voorzieningenrechter, en uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2002, in tegenwoordigheid van mr. M.L. Bressers als griffier.

afschrift verzonden op: 14 juni 2002

RECHTSMIDDEL

Tegen de uitspraak op het beroep kunnen partijen binnen een week na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen op de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Artikel 85 Vw bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.