Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE5499

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-03-2002
Datum publicatie
18-07-2002
Zaaknummer
AWB 02/13837 VRONTN J
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / minderjarige kinderen.

Het beroep is gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6 Vw 2000, opgelegd in het Grenshospitium. Voorop wordt gesteld dat het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw 2000 op zichzelf niet reeds onrechtmatig is indien er sprake is van één of meer minderjarige kinderen. Echter, nu uitdrukkelijk was verzocht om te volstaan met een minder ingrijpende maatregel van toezicht dan de maatregel van vrijheidsontneming in het Grenshospitium, had verweerder dienen aan te geven op welke wijze in dit concrete geval de belangen van de kinderen zijn gewogen en invulling is gegeven aan de verplichtingen op grond van artikel 3, eerste lid en 37, aanhef en onder b, IVRK. Daarbij is van belang dat twee van de drie kinderen van zeer jonge leeftijd zijn en dat de vreemdelinge heeft aangegeven dat de kinderen ernstig lijden onder het verblijf in het Grenshospitium, hetgeen wordt bevestigd door de stukken betreffende medische klachten die zich in het dossier bevinden. Onder deze omstandigheden is de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in het Grenshospitium niet deugdelijk gemotiveerd. Het door verweerder gestelde grote belang van de grensbewaking kan niet tot een ander oordeel leiden. Uit hoofdstuk A5/2.2.7 Vc 2000 blijkt immers dat volgens verweerders eigen beleid de toegangsweigering zal kunnen worden gehandhaafd door middel van oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, Vw 2000 in een OC. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Verdrag inzake de rechten van het kind 37
Vreemdelingenwet 2000 3
Vreemdelingenwet 2000 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

nevenvestigingsplaats Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

ex artikel 94 en 106 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 02 / 13837 VRONTN J

inzake: A, alias A, alias A, geboren op [...] 1966, alsmede namens haar drie minderjarige kinderen, allen van Liberiaanse nationaliteit en verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, hierna te noemen: de vreemdelinge,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

Zitting: 28 februari 2002.

De vreemdelinge is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. F.H. Bruggink, advocaat te Amsterdam.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. M. Verweij.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Op 19 februari 2002 is de vreemdelinge ex artikel 3 Vw op de luchthaven Schiphol de verdere toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van de vreemdelinge is op diezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw toegepast.

1.2 Op 20 februari 2002 heeft de vreemdelinge, mede namens haar drie minderjarige kinderen, een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Op 21 februari 2002 heeft verweerder het voornemen bekend gemaakt om bij de Italiaanse autoriteiten een verzoek tot overname van de aanvraag van de vreemdelinge in te dienen op grond van de Overeenkomst van Dublin (OvD). De ten aanzien van de vreemdeling toegepaste vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6 Vw is daarbij gehandhaafd. Op 25 februari 2002 is het verzoek tot overname op grond van de OvD bij de Italiaanse autoriteiten ingediend.

1.3 Bij kennisgeving ex artikel 94, eerste lid, Vw, van 21 februari 2002, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op diezelfde datum, heeft verweerder de rechtbank in kennis gesteld van de vrijheidsontnemende maatregel. Ter zitting heeft de vreemdeling dit beroep aangevuld met een verzoek om toekenning van schadevergoeding aan de vreemdelinge en elk van haar kinderen.

2. Overwegingen

2.1 Verweerder is op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw bevoegd een vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd, een ruimte of plaats als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel aan te wijzen, waar hij zich dient op te houden.

2.2 Op grond van het bepaalde in hoofdstuk C3/12.13.3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) kan een maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw onder meer worden toegepast dan wel voortgezet indien ten aanzien van een asielzoeker bij een andere staat een verzoek tot overname zal worden ingediend op basis van de OvD.

2.3 Namens de vreemdelinge is onder meer aangevoerd dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is, omdat zij met haar drie (zeer) jonge kinderen in het Grenshospitium is geplaatst, hetgeen in strijd is met onder meer artikel 37 sub b en artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Artikel 37, aanhef en onder b geeft aan dat gevangenneming en inhechtenisneming slechts wordt gehanteerd als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke duur. Artikel 3, eerste lid van dit verdrag stipuleert dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Nu de gemachtigde uitdrukkelijk heeft verzocht om de vreemdelinge en haar kinderen in een onderzoeks- en opvangcentrum (OC) te plaatsen, is in strijd met voornoemde bepalingen van het IVRK gehandeld.

2.4 In reactie op het voorgaande heeft verweerder aangevoerd dat in een geval als het onderhavige bij de oplegging of voortzetting van een vrijheidsontnemende maatregel een belangenafweging moet worden gemaakt tussen het belang van de grensbewaking en het individuele belang van de vreemdeling, waarbij onder meer de te verwachten duur van de bewaring en eventuele opvangmogelijkheden een rol spelen. Nu in het onderhavige geval niet is aangetoond dat er opvangmogelijkheden bestaan of dat er sprake is van een medische noodzaak, is er geen aanleiding om te volstaan met een minder ingrijpende maatregel dan die van bewaring ten uitvoergelegd in het Grenshospitium, aldus verweerder.

2.5 De rechtbank oordeelt als volgt.

2.6 De kinderen van de vreemdelinge zijn geboren op 19 september 1992, 12 juli 2000 en 14 oktober 2001. Uit het overlegformulier van 22 februari 2002 blijkt dat de gemachtigde van de vreemdelinge op deze datum heeft verzocht om de vreemdelinge niet in het Grenshospitium te plaatsen, maar haar over te plaatsen naar een OC, omdat het Grenshospitium niet geschikt is voor jonge kinderen. Dit verzoek is door verweerder beantwoord met de mededeling dat niet zou worden afgezien van tenuitvoerlegging van de maatregel in het Grenshospitium vanwege het grensbewakingbelang van verweerder en dat het Grenshospitium niet zonder meer ongeschikt wordt geacht voor kinderen. Op dezelfde dag zijn de vreemdelinge en haar kinderen op grond van artikel 6, Vw geplaatst in het Grenshospitium.

2.7 De rechtbank stelt voorop dat het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw op zichzelf niet reeds onrechtmatig is indien er sprake is van één of meer minderjarige kinderen. Echter, nu uitdrukkelijk was verzocht om te volstaan met een minder ingrijpende maatregel van toezicht dan de maatregel van vrijheidsontneming in het Grenshospitium, had verweerder dienen aan te geven op welke wijze in dit concrete geval de belangen van de kinderen zijn gewogen en invulling is gegeven aan de verplichtingen op grond van de artikel 3, eerste lid en 37, aanhef en onder b, van het IVRK. Daarbij is van belang dat twee van de drie kinderen van zeer jonge leeftijd zijn en dat de vreemdelinge heeft aangegeven dat de kinderen ernstig lijden onder het verblijf in het Grenshospitium, hetgeen wordt bevestigd door de stukken betreffende medische klachten die zich in het dossier bevinden. Deze omstandigheden in aanmerking genomen heeft verweerder, door niet in te gaan op het verzoek namens de vreemdelinge om in een OC te worden geplaatst, de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in het Grenshospitium op 22 februari 2002 niet deugdelijk gemotiveerd. Om die reden is de vrijheidsontnemende maatregel vanaf 22 februari 2002 bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd te achten en is zij vanaf die datum onrechtmatig.

2.8 Het door verweerder gestelde grote belang van de grensbewaking kan niet tot een ander oordeel leiden. In hoofdstuk A5/2.2.7 Vc is immers onder meer het volgende bepaald:

Indien de rechtbank de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 6, eerste en tweede lid Vreemdelingenwet opheft betekent dat niet dat ook de weigering van de toegang wordt opgeheven. In die gevallen wordt aan de vreemdeling de vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 6 lid 1 Vreemdelingenwet opgelegd in een OC.

Uit het voorgaande blijkt dat volgens verweerders eigen beleid de toegangsweigering zal kunnen worden gehandhaafd door middel van oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, Vw.

2.9 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep gegrond is. Derhalve zal de opheffing van de maatregel van bewaring worden bevolen met ingang van heden, 1 maart 2002. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat verweerder zal handelen in overeenstemming met zijn eigen - hierboven weergegeven - beleid, hetgeen ertoe zal leiden dat de vreemdelinge en haar kinderen in een OC zullen worden geplaatst.

2.10 Ten aanzien van het verzoek om toekenning van schadevergoeding oordeelt de rechtbank als volgt.

2.11 Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding heeft verweerder verzocht om, indien de rechtbank mocht overgaan tot toekenning van schadevergoeding, deze te matigen tot nihil en ten aanzien van een eventuele vergoeding van de proceskosten heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat dit bedrag met 0,5 dient te worden vermenigvuldigd vanwege de relatieve eenvoud van de zaak.

2.12 De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van gronden van billijkheid die tot matiging van de schadevergoeding zouden moeten leiden.

2.13 Uit het voorgaande volgt dat aan de vreemdelinge voor de ten onrechte in bewaring doorgebrachte dagen schadevergoeding wordt toegekend. Het toegekende bedrag wordt vastgesteld op € 315,--, zijnde 7 maal € 45,-- voor het verblijf in het Grenshospitium van 22 februari 2002 tot en met 28 februari 2002. Dit bedrag komt ten laste van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie), uit te betalen door de griffier van deze rechtbank, nevenvestigingsplaats Haarlem. De rechtbank ziet geen aanleiding om tevens ten aanzien van de minderjarige kinderen een schadevergoeding toe te kennen.

2.14 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door de vreemdelinge gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op € 322,-- (1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). De rechtbank acht geen gronden aanwezig om voor het verschijnen ter zitting slechts 0.5 punt toe te kennen. Aangezien ten behoeve van de vreemdelinge een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

3. BESLISSING

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond en beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 1 maart 2002;

3.2 wijst het verzoek om schadevergoeding toe, in dier voege dat aan de vreemdelinge ten laste van de Staat (Ministerie van Justitie) een vergoeding wordt toegekend van € 315 (zegge: driehonderdenvijftien euro), uit te betalen door de griffier van deze rechtbank, nevenvestigingsplaats Haarlem;

3.3 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 322,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen;

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.C.C. van de Schepop, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2002, in tegenwoordigheid van mr. B. de Vos als griffier.

Afschrift verzonden op: 1 maart 2002.

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC

's-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van deze uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.

Tegen de beslissing inzake de schadevergoeding staat geen rechtsmiddel open.