Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE5497

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-05-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
AWB 02/34943
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / opheffing inbewaringstelling na asielaanvraag.

De gemachtigde van de vreemdelinge heeft aangevoerd dat de bewaring van zijn cliënte na verloop van twee dagen is opgeheven om de reden dat zij een asielaanvraag had ingediend. Nu echter deze asielaanvraag reeds voorafgaand aan de inbewaringstelling was gedaan, had de bewaring in het geheel niet mogen worden opgelegd en had zijn cliënte na het doen van de asielaanvraag in vrijheid moeten worden gesteld. Dit brengt volgens de gemachtigde mee dat de opgelegde bewaring onrechtmatig is. Verweerder heeft aangevoerd dat in de onderhavige zaak sprake is geweest van een samenloop van omstandigheden. De vreemdelinge is samen met 51 andere illegale Chinezen in de avond van 3 mei 2002 aangehouden naar aanleiding van informatie die diezelfde middag van de officier van Justitie was ontvangen. Deze groep vreemdelingen bleek veel groter te zijn dan op basis van de informatie was verwacht. Daarnaast diende er in verband met de te verwachten ongeregeldheden na de Europacupfinale die op 8 mei 2002 in Rotterdam zou worden gespeeld een aanmerkelijk aantal politiecellen beschikbaar te komen. Voorts bleken er op 6 en 7 mei 2002 onvoldoende cellen in huizen van bewaring beschikbaar te zijn voor de plaatsing van alle 52 aangehouden illegale Chinezen. Verweerder heeft er in deze omstandigheden voor gekozen ten aanzien van degenen die asiel hadden aangevraagd de bewaring op te heffen en hen heen te zenden met oplegging van een meldingsplicht op basis van artikel 55 Vw 2000. De rechtbank verwerpt de stelling van de gemachtigde van de vreemdelinge dat de bewaring onrechtmatig was. Niet gesteld of gebleken is dat verweerder reeds op 5 mei 2002 kon of moest weten of voorzien in hoeverre hij in staat zou zijn alle 52 illegalen voor 8 mei 2002 in huizen van bewaring te plaatsen. Gelet daarop valt niet in te zien dat verweerder al op 5 mei 2002 had moeten beslissen de vreemdelinge niet in bewaring te stellen, nu feitelijk pas op 8 mei 2002 voldoende politiecellen beschikbaar behoefden te zijn. Dit brengt mee dat de op 5 mei 2002 opgelegde bewaring niet onrechtmatig was. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 50
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

beroep vrijheidsontnemende maatregel

__________________________________________________

Reg.nr: AWB 02/34943 VRWET

Inzake: [A], crv nummer [crv nummer], hierna te noemen de vreemdelinge,

gemachtigde mr. J.M. Walls, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. B. Magnin, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdelinge heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1973 en de Chinese nationaliteit te hebben.

2. Op 6 mei 2002 heeft de rechtbank een beroepschrift op grond van artikel 93 Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) van de vreemdelinge ontvangen. Het beroep is gericht tegen het besluit van verweerder van 5 mei 2002 waarbij de vreemdelinge de maatregel van bewaring is opgelegd. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

3. Op 7 mei 2002 heeft verweerder de maatregel van inbewaringstelling opgeheven en de vreemdelinge heengezonden met oplegging van een meldplicht.

4. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 13 mei 2002. De vreemdelinge is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt vast dat de vreemdelinge op 5 mei 2002 in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, Vw2000 en dat de maatregel op 7 februari 2002 is opgeheven.

2. De rechtbank stelt vast dat de maatregel van bewaring na de indiening van het beroepschrift is opgeheven. Gelet hierop is thans nog slechts in geschil of de maatregel van bewaring eerder had moeten worden opgeheven en zo ja, of er aanleiding is een schadevergoeding op grond van artikel 106 Vw2000 toe te kennen.

3. De gemachtigde van de vreemdelinge heeft aangevoerd dat de bewaring van zijn cliënte na verloop van twee dagen is opgeheven om de reden dat zij een asielaanvraag had ingediend. Nu echter deze asielaanvraag reeds voorafgaand aan de inbewaringstelling was gedaan, had de bewaring in het geheel niet mogen worden opgelegd en had zijn cliënte na het doen van de asielaanvraag in vrijheid moeten worden gesteld. Dit brengt volgens de gemachtigde mee dat de opgelegde bewaring onrechtmatig is.

4. Verweerder heeft in dit kader aangevoerd dat in de onderhavige zaak sprake is geweest van een samenloop van omstandigheden. De vreemdelinge is samen met 51 andere illegale Chinezen in de avond van 3 mei 2002 aangehouden naar aanleiding van informatie die diezelfde middag van de officier van justitie was ontvangen. Deze groep vreemdelingen bleek veel groter te zijn dan men op basis van de informatie van de officier van justitie had verwacht. Daarnaast diende er in verband met de te verwachten ongeregeldheden na de Europacupfinale die op 8 mei 2002 in Rotterdam zou worden gespeeld een aanmerkelijk aantal politiecellen beschikbaar te komen. Voorts bleken er op 6 en 7 mei 2002 onvoldoende cellen in Huizen van Bewaring beschikbaar te zijn voor de plaatsing van alle 52 aangehouden illegale Chinezen. Verweerder heeft er in deze omstandigheden voor gekozen ten aanzien van degenen die asiel hadden aangevraagd de bewaring op te heffen en hen heen te zenden met oplegging van een meldingsplicht op basis van artikel 55 Vw 2000.

5. De rechtbank is van oordeel dat de maatregelen van staandehouding en ophouding voor verhoor op rechtmatige wijze zijn toegepast. Gelet op de inhoud van het proces-verbaal van binnentreden van de woning waren er voldoende feiten en omstandigheden die naar objectieve maatstaven gemeten een redelijk vermoeden opleverden dat op deze plaats een vreemdeling verbleef die geen rechtmatig verblijf in Nederland had, zodat de verbalisant op grond van artikel 53, eerste lid, Vw2000 bevoegd was die woning te betreden zonder toestemming van de bewoner.

6. De rechtbank concludeert dat verweerder op goede gronden de vreemdelinge krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b Vw2000 in het belang van de openbare orde en met het oog op de uitzetting in bewaring heeft gesteld. De vreemdelinge beschikte niet over een geldige titel tot verblijf, was niet in het bezit van een geldig identiteitsbewijs en had zich aan het vreemdelingentoezicht onttrokken. Gelet hierop bestond ten aanzien van haar het ernstige vermoeden dat zij zich aan uitzetting zou onttrekken.

De rechtbank verwerpt de stelling van de gemachtigde van de vreemdelinge dat de bewaring onrechtmatig was. Uit de door verweerder aangevoerde omstandigheden, die onbestreden zijn gebleven, volgt dat verweerder uiterlijk op 8 mei 2002 een aantal politiecellen diende te ontruimen teneinde opsluiting van de te verwachten relschoppers mogelijk te maken. Bij gebrek aan voldoende celruimte in de Huizen van Bewaring voor alle 52 in bewaring gestelde illegale Chinezen heeft verweerder er op 7 mei 2002 voor gekozen om degenen die een asielverzoek hadden ingediend in vrijheid te stellen. Niet gesteld of gebleken is dat verweerder reeds op 5 mei 2002 kon of moest weten of voorzien in hoeverre hij in staat zou zijn alle 52 illegalen vóór 8 mei 2002 in Huizen van Bewaring te plaatsen. Gelet daarop valt niet in te zien dat verweerder al op 5 mei 2002 had moeten beslissen de vreemdelinge niet in bewaring te stellen, nu feitelijk pas op 8 mei 2002 voldoende politiecellen beschikbaar behoefden te zijn. Dit brengt mee dat de op 5 mei 2002 opgelegde bewaring niet onrechtmatig was.

7. Het beroep is derhalve ongegrond. Er bestaat geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

8. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep ongegrond;

2. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

IV. RECHTSMIDDEL

Krachtens artikel 95 Vw2000 staat tegen deze uitspraak voorzover het betreft het beroep tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel voor partijen hoger beroep open. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag.

Voorzover in deze uitspraak is beslist op het verzoek om schadevergoeding staat daartegen krachtens artikel 84 aanhef en onder d Vw2000 geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mr. G.L.M. Urbanus en uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2002, in tegenwoordigheid van C.K. Wong, griffier.

afschrift verzonden op: 21 mei 2002