Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE5484

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-06-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
AWB 02/44144
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / zicht op uitzetting.

Bij uitspraak van 14 mei 2002 heeft de rechtbank geoordeeld dat er vooralsnog geen grond was om aan te nemen dat geen laissez-passer zal worden verkregen. Daarbij is de rechtbank uitgegaan van de door verweerder verstrekte gegevens, onder meer inhoudende dat de vreemdeling, nadat de op 4 april 2002 geplande presentatie is geannuleerd, op 14 mei 2002 in persoon bij de Algerijnse autoriteiten zou worden gepresenteerd. In het onderhavige beroep is aan de orde gekomen dat verweerder sedert 14 mei 2002 wordt geconfronteerd met de omstandigheid dat sedertdien presentaties bij de Algerijnse autoriteiten niet langer mogelijk zijn en voorts dat geen zicht bestaat op een wijziging van die situatie. De gemachtigde van verweerder heeft daarvoor ter zitting alleen kunnen verklaren dat er op 25 juni 2002 contacten zullen zijn met de Algerijnse vertegenwoordiging opdat deze impasse zo spoedig mogelijk kan worden doorbroken. Namens verweerder zijn ter zitting geen mededelingen gedaan omtrent de betekenis van deze situatie bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de voortduring van de Algerijnse bewaringszaken.

Gelet op het tijdsverloop in het onderhavige geval - inmiddels zo'n drie maanden stagnatie in de voortgang van het onderzoek - in combinatie met de omstandigheid dat verweerder in individuele zaken slechts afwacht zonder enige visie en zonder een eigen afweging in het onderhavige geval, komt de rechtbank tot het oordeel dat in het onderhavige geval niet langer zicht bestaat op uitzetting binnen een redelijke termijn. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59, geldigheid: 2002-06-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

beroep vrijheidsontnemende maatregel

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 02/44144 VRWET

Inzake : A, CRV nummer 1700252730, thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Tilburg, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. G.A. Soebhag, advocaat te Rotterdam

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. J. Laros, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [...] 1980 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.

2. Bij kennisgeving op grond van artikel 96 Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000), ter griffie van deze rechtbank ontvangen op 10 juni 2002, heeft verweerder de rechtbank bericht omtrent het voortduren van de maatregel van bewaring die verweerder bij besluit van 8 februari 2002 de vreemdeling heeft opgelegd. Krachtens die bepaling wordt de vreemdeling na ontvangst van deze kennisgeving geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel.

3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 24 juni 2002. De vreemdeling heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt voorop dat over de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring als zodanig reeds is beslist bij uitspraak van deze rechtbank van 25 februari 2002. Voorts heeft deze rechtbank laatstelijk bij uitspraak van 14 mei 2002 geoordeeld dat het voortduren van de bewaring niet strijdig was met het bepaalde in artikel 96, vierde lid, Vw2000.

Derhalve staat thans ter beoordeling of verdere voortzetting van de maatregel van bewaring, gegeven de omstandigheden van het geval, rechtmatig is.

2. De gemachtigde van de vreemdeling heeft ter zitting -kort samengevat- primair aangevoerd dat onduidelijk is wat er gaande is geweest tijdens de presentatie. Subsidiair voert de gemachtigde aan dat verweerder onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van de vreemdeling werkt. Hij verzoekt om opheffing van de bewaring.

3. Verweerder heeft bij zijn kennisgeving van het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel de rechtbank schriftelijk inlichtingen verstrekt inzake zijn handelen strekkend tot uitzetting van de vreemdeling uit Nederland.

4. De rechtbank overweegt het navolgende.

Bij uitspraak van 14 mei 2002 heeft de rechtbank geoordeeld dat er vooralsnog geen grond was om aan te nemen dat geen laissez-passer zal worden verkregen. Daarbij is de rechtbank uitgegaan van de door verweerder verstrekte gegevens, onder meer inhoudende dat de vreemdeling, nadat de op 4 april 2002 geplande presentatie is geannuleerd op 14 mei 2002 in persoon bij de Algerijnse autoriteiten zou worden gepresenteerd. In het onderhavige beroep is aan de orde gekomen dat verweerder sedert 14 mei 2002 wordt geconfronteerd met de omstandigheid dat sedertdien presentaties bij de Algerijnse autoriteiten niet langer mogelijk zijn en voorts dat geen zicht bestaat op een wijziging van die situatie.

De gemachtigde van verweerder heeft daarvoor ter zitting alleen kunnen verklaren dat er op 25 juni 2002 contacten zullen zijn met de Algerijnse vertegenwoordiging opdat deze impasse zo spoedig mogelijk kan worden doorbroken.

Namens verweerder zijn ter zitting geen mededelingen gedaan omtrent de betekenis van deze situatie bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de voortduring van de Algerijnse bewaringszaken.

Gelet op het tijdsverloop in het onderhavige geval - inmiddels zo'n drie maanden stagnatie in de voortgang van het onderzoek - in combinatie met de omstandigheid dat verweerder in individuele zaken slechts afwacht zonder enige visie en zonder een eigen afweging in het onderhavige geval, komt de rechtbank tot het oordeel dat in het onderhavige geval niet langer zicht bestaat op uitzetting binnen een redelijke termijn.

5. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring van de vreemdeling vanaf heden onrechtmatig is. Het beroep is derhalve gegrond en de maatregel dient te worden opgeheven met ingang van 25 juni 2002.

6. De rechtbank ziet in dit geval tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 161,-- (1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,-- en wegingsfactor 0,5). Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III. BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring;

3. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 161,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens en uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2002 in tegenwoordigheid van J.A. de Kievit-Tempels, griffier.

afschrift verzonden op: 27 juni 2002