Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE5343

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-07-2002
Datum publicatie
16-07-2002
Zaaknummer
AWB 01/46827 BEPTDN H, 01/46830
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Angola / humanitaire situatie / uvv-beleid

In geschil is of verweerder in redelijkheid kon besluiten aan de Angolese eiser geen voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) af te geven c.q. een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid aanhef en onder d Vw. Uit met name de hoofdstukken 4.1 en 4.3 van de indicatorenbrief en de daarbij behorende bijlage kan worden afgeleid dat de Staatssecretaris binnen zijn beleid de mogelijkheid heeft ook rekening te houden met de humanitaire situatie in het land van herkomst bij de bepaling of een vvtv-beleid dient te worden gevoerd. De rechtbank kan in het ambtsbericht 2001, ook in vergelijking met het ambtsbericht van 2000 geen grondslag vinden voor het oordeel van verweerder dat in Angola sprake is van een verbetering in de algehele en mensenrechtensituatie. In de periode tussen 20 augustus 1998 en 1 juni 2001, dat wil zeggen gedurende een periode van bijna drie jaar, heeft de Staatssecretaris een uvv-beleid gevoerd, daar waar ook ingevolge het eigen beleid van de Staatssecretaris een uvv-beleid slechts dan de aangewezen weg is indien er sprake is van onzekerheid met betrekking tot een bepaald land. In die periode is regelmatig overleg geweest tussen de Staatssecretaris en de Tweede Kamercommissie over het te voeren beleid met betrekking tot Angola. Op basis van de verslagen van dit overleg kan niet anders geconcludeerd worden dan dat de herhaalde opschorting van de beëindiging van het uvv-beleid (voornamelijk) haar grondslag vond in de slechte humanitaire situatie in Angola.

Verweerder kan in redelijkheid niet staande houden dat ten aanzien van Angola uitsluitend een uvv-beleid is gevoerd om redenen van onzekerheid omtrent de veiligheidssituatie. Verweerder heeft het op grond van de humanitaire situatie kennelijk nodig gevonden gedurende langere tijd voor Angola enige vorm van beschermingsbeleid te voeren. Wordt daarbij in aanmerking genomen dat volgens het door verweerder gehanteerde toetsingskader de humanitaire omstandigheden relevant zijn en dat ook uit de ambtsberichten blijkt dat de veiligheid en de humanitaire situatie in Angola aanhoudend zeer slecht zijn geweest, dan is niet inzichtelijk geworden waarom verweerder naar aanleiding van de ambtsberichten van 26 juni 2000 en 4 mei 2001 niet is overgegaan tot het voeren van een vvtv beleid. Deze ambtsberichten gaven verweerder voldoende zekerheid omtrent de situatie in Angola, terwijl daaruit in het geheel niet blijkt van een verbetering. De beslissing van verweerder om geen vvtv c.q. verblijfsvergunning voor bepaalde tijd af te geven mist derhalve een draagkrachtige motivering, ook al wordt deze met de vereiste terughoudendheid beoordeeld. De bestreden beschikking kan derhalve wegens strijd met artikel 7:12 Awb niet in stand blijven.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenvestigingsplaats Haarlem

meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

artikel 8:77 en 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 01 / 46827 BEPTDN H (beroepszaak)

AWB 01 / 46830 BEPTDN H (voorlopige voorziening)

inzake: A, geboren op [...] 1957, van Angolese nationaliteit, eiser / verzoeker, verder te noemen eiser,

mede ten behoeve van zijn minderjarige kinderen: B, geboren op [....] 1987, C, geboren op [...] 1989, D, geboren op [...] 1991

gemachtigde: mr. E.P.A. Zwart, advocaat te Beverwijk,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mrs. R. Mackor en D.S. van Asperen beiden werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Bij beschikking van 17 oktober 1999 is de aanvraag van eiser, mede ten behoeve van zijn minderjarige kinderen, om hem toe te laten als vluchteling niet ingewilligd. Het hiertegen ingediende bezwaar van 22 maart 2000 is bij beschikking van 14 september 2001 ongegrond verklaard. Tegen deze laatste beschikking heeft eiser op 18 september 2001 beroep ingesteld.

1.2 Bij verzoekschrift van 18 september 2001 heeft eiser verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening over te gaan tot schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, totdat op het beroep is beslist.

1.3 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en afwijzing van het verzoek.

1.4 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 24 april 2002. Daarbij hebben eiser en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Nadat het onderzoek ter zitting was gesloten heeft de rechtbank besloten het onderzoek te heropenen en door te verwijzen voor het behandelen ter zitting van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken. Ter zitting van de meervoudige kamer op 5 juni 2001 is de onderhavige zaak gevoegd behandeld met de zaak onder registratienummer AWB 02 / 20309.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in werking getreden en de voordien geldende Vreemdelingenwet (hierna: Vw oud) ingetrokken. Nu het primaire besluit is bekendgemaakt voor 1 april 2001, is ingevolge artikel 118 Vw zowel op de behandeling van de aanvraag en het bezwaar alsmede ten aanzien van de mogelijkheid enig rechtsmiddel tegen dat besluit aan te wenden het voor 1 april 2001 geldende recht van toepassing. Voor de materiële beoordeling is in casu het recht uit de Vw doorslaggevend.

2.2 De rechtbank dient te beoordelen of de afwijzing van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van de Vreemdelingenwet 2000 in rechte stand kan houden. Daartoe dient dit besluit te worden getoetst aan geschreven en ongeschreven rechtsregels.

2.3 Een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, in de Vw (oud) een voorwaardelijke vergunning tot verblijf, kan worden verleend op de in artikel 29 Vw genoemde gronden.

2.4 Ingevolge artikel 31 Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.5 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd.

2.6 Eiser behoort tot de Bakongo-bevolkingsgroep. Van 1982 tot 1999 heeft eiser in militaire dienst als chauffeur gewerkt. De echtgenote van eiser werkte bij een organisatie van Angolese vrouwen (OMA). Zij moest propaganda maken voor de MPLA. Eisers vrouw steunde de propaganda van de MPLA echter niet en maakte juist propaganda voor de Unita. Om deze reden is zij op 23 december 1998 samen met de vader van eiser gedood door de MPLA. Eiser was op dat moment op dienstreis en hoorde dit nieuws van derden toen hij terugkwam. Na het overlijden van zijn echtgenote is eiser gestopt met zijn werk als chauffeur en is hij bij het commissariaat van Damba (een organisatie van de regering) gaan werken tot augustus 1999. Voor zijn werk had eiser een jeep en daarmee kwam hij in gebieden waar hij kwaad sprak over de MPLA.

2.7 Op 29 augustus 1999 is eiser met zijn kinderen weggegaan uit Damba omdat Damba werd aangevallen door de Unita. Eiser is gevlucht naar de stad Uige om bij de regering veiligheid te zoeken. Toen eiser zich bij de autoriteiten meldde, werd hij samen met zijn kinderen gevangen genomen door het commissariaat van de provincie Uige. Op 30 augustus 1999 zijn eiser en zijn kinderen overgebracht naar het ministerie van defensie in Luanda, waar ze werden vastgezet in een cel. Eiser kreeg aldaar te horen dat hij ervan werd beschuldigd dat hij door zijn kwaadspreken over de MPLA de aanval van de Unita op Damba had ontketend. Op 15 september 1999 heeft een Bakongochef eiser en zijn kinderen tegen betaling laten ontsnappen. Hierop is eiser naar Casenda gegaan, waar hij in het huis van een vriend van de chef verbleef. Op 19 september 1999 is eiser met zijn kinderen per vliegtuig via Moskou naar Nederland gereisd.

2.8 Eiser wijst er in dit verband op dat blijkens het ambtsbericht van 4 mei 2001 personen afkomstig uit het relatief onveilige gebied of overgangsgebied, zoals eiser, die betrokken zijn bij de Unita, in gebieden waar deze militairen onlangs actief zijn geweest, het risico lopen slachtoffer te worden van detentie of executie van de zijde van de lokale autoriteiten.

2.9 Tot slot merkt eiser op dat hij en zijn kinderen geen banden hebben met Luanda, terwijl minderjarige kinderen een kwetsbare groep vormen. Dit zou een grond moeten zijn voor het verlenen van een vergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van klemmende redenen van humanitaire aard.

2.10 Verweerder heeft de gestelde vrees voor vervolging ongegrond geacht. Verweerder geeft gemotiveerd aan waarom eiser niet als vluchteling kan worden aangemerkt. Het enkele feit dat eiser tot de bevolkingsgroep der Bakongo behoort, vormt op zichzelf onvoldoende grond om ten aanzien van eiser tot vluchtelingenschap te concluderen, zo blijkt ook uit de ambtsberichten van 26 juni 2000 en 4 mei 2001 en de uitspraak van de rechtbank Den Bosch van 29 november 1996. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij tegen het bewind in Angola gerichte activiteiten van betekenis heeft ontplooid. Eiser is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij persoonlijk gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. In elk geval is zijn relaas onvoldoende zwaarwegend voor een geslaagd beroep op vluchtelingenschap.

2.11 Verder stelt verweerder dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat juist eiser het reële risico loopt bij terugkeer naar Angola onderworpen te worden aan een behandeling die wordt verboden door artikel 3 EVRM. Onder verwijzing naar jurisprudentie en de politieke en maatschappelijke situatie in Angola aan de hand van de ambtsberichten van 26 juni 2000 en 4 mei 2001 beschouwend, concludeert verweerder dat er geen sprake is van een dergelijk risico.

2.12 Verweerder is van oordeel dat ook anderszins de stellingen van eiser niet kunnen leiden tot de conclusie dat er sprake is van klemmende humanitaire redenen om eiser in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning.

2.13 De rechtbank overweegt als volgt.

2.14 Voorop gesteld dient te worden dat de algehele situatie in Angola zorgwekkend is, maar niet zodanig dat asielzoekers afkomstig uit dat land in het algemeen zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt. Deze conclusie wordt evenmin gerechtvaardigd door het feit dat eiser behoort tot de bevolkingsgroep der Bakongo. Er is niet gebleken van groepsvervolging der Bakongo.

2.15 Eiser zal derhalve aannemelijk moeten maken dat met betrekking tot hem persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan waardoor hij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.

Hierin is eiser niet geslaagd. Zijn verklaringen bieden onvoldoende grondslag om aan te nemen dat hij persoonlijk in de negatieve belangstelling van de Angolese autoriteiten is komen te staan en ook thans nog staat, op grond waarvan hij heeft te vrezen voor vervolging. De rechtbank merkt op dat eiser na de moord op zijn vrouw en vader nog een jaar in overheidsdienst heeft gewerkt. Eiser heeft verder onvoldoende aannemelijk kunnen maken dat Damba is aangevallen als gevolg van negatieve uitlatingen over de MPLA van eiser. Dit wordt onderstreept door de betrekkelijk eenvoudige wijze waarop eiser met zijn kinderen uit de gevangenis heeft kunnen ontsnappen en per vliegtuig vanuit Luanda het land heeft kunnen verlaten.

2.16 Van schending van artikel 3 EVRM door verwijdering van eiser naar Angola is eerst sprake indien er concrete gronden zijn om aan te nemen dat hij het reële risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling die is verboden bij voornoemde verdragsbepaling. In aanmerking nemende hetgeen hiervoor is overwogen, moet worden geconcludeerd dat die gronden zich in het onderhavige geval niet voordoen.

2.17 Voorts zijn door eiser geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat verweerder niet in redelijkheid had kunnen besluiten eiser geen toelating te verlenen op grond van klemmende redenen van humanitaire aard.

2.18 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit, voor zover daarbij aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van het bepaalde in artikel 29, eerste lid aanhef en onder a, b en c Vw is onthouden, de rechterlijke toets kan doorstaan.

2.19 Eiser is van oordeel dat hij in elk geval in het bezit dient te worden gesteld van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid aanhef en onder d Vw, daar een gedwongen terugkeer van eiser naar Angola van een bijzondere hardheid zou zijn. Eiser acht de onmiddellijke invoering van een categoriaal beschermingsbeleid voor Angola geïndiceerd, gelet op Vc C1/4 5.3. Eiser verwijst naar artikel 3.106 Vb dat een opsomming geeft van de indicatoren aan de hand waarvan beoordeeld dient te worden of er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 29, lid 1 sub d Vw. Eiser geeft hierbij aan dat, gelet op de wetsgeschiedenis, het in artikel 3.106 Vb gehanteerde begrip „de aard van het geweld in het land van herkomst“ ruim geïnterpreteerd behoort te worden, in die zin dat onder dit begrip valt zowel het oorlogsgeweld gericht tegen burgers als de uitzonderlijke mate van willekeur in de algehele mensenrechtensituatie in het land van herkomst. Eiser stelt zich hierbij op het standpunt dat daarom de passage van Vc C1/4 5.3.2 „Er is in het algemeen pas aanleiding voor een beleid van categoriale bescherming indien de (burger) oorlog het dagelijks leven in het land dermate ontwricht dat deze humanitair onverantwoorde risico’s optreden“ aldus moet worden opgevat dat hieronder ook een humanitaire catastrofe valt. De opsomming van de Staatssecretaris van gevallen waarvoor een categoriale bescherming zou gelden acht eiser niet uitputtend.

2.20 Eiser omschrijft in dit kader de algehele situatie in Angola.

2.21 Uit de ambtsberichten van het ministerie van buitenlandse zaken van 26 juni 2000 en 4 mei 2001 blijkt zijns inziens dat de mensenrechtensituatie in Angola niet ten goede is verbeterd, terwijl de veiligheidssituatie zelfs is verslechterd. Eiser heeft tevens diverse andere bronnen ter adstructie van deze stelling aangevoerd. Ernstige schendingen van de mensenrechten zowel door de Unita als door de regeringstroepen vinden op grote schaal plaats. Iedere burger staat in beginsel bloot aan deze schendingen en aan willekeurige schendingen van de fysieke integriteit. De gewapende strijd tussen de Unita en regeringstroepen hebben tot omvangrijke vluchtelingenstromen geleid. Er is sprake van een catastrofale humanitaire situatie. De UNHCR en Amnesty International zijn sedert geruime tijd van oordeel dat moet worden afgezien van gedwongen terugkeer naar Angola, terwijl de meeste EU-landen afgewezen Angolese asielzoekers niet uitzetten.

2.22 Eiser stelt verder dat, gezien de situatie in Angola de beëindiging van het uitstel van vertrek (uvv)-beleid middels de beleidswijziging van 1 juni 2001 en dientengevolge de bestreden beschikking de toets aan het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel niet kan doorstaan.

2.23 Overigens heeft eiser aangevoerd dat in de beschikking op bezwaar niet inhoudelijk is gereageerd op zijn verzoek een voorwaardelijke vergunning tot verblijf, i.e. een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, te verlenen. Artikel 83 Vw kan niet betekenen dat een motiveringsgebrek ter zijde wordt geschoven.

2.24 Verweerder stelt dat Angolese asielzoekers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, aanhef en lid 1 onder d Vw.

Bij brief van 1 juni 2001 heeft verweerder de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, TK 2000-2001 19637 nr. 589, bericht dat naar zijn oordeel het uitstel van vertrekbeleid kan worden beëindigd en dat het voeren van een beleid van categoriale bescherming als bedoeld in artikel 29, lid 1 aanhef en onder d ten aanzien van Angola niet geïndiceerd is. Tevens heeft verweerder de voorzitter van de Tweede Kamer bericht dat er geen besluit- en vertrekmoratorium wordt ingesteld.

Verweerder is van oordeel dat hij deze beleidswijziging in redelijkheid kan baseren op de ambtsberichten van 26 juni 2000 en 4 mei 2001. Deze ambtsberichten dienen te worden aangemerkt als een deskundigenbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken aan verweerder. Het door eiser gestelde biedt geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de ambtsberichten.

2.25 De rechtbank dient te toetsen of verweerder in redelijkheid kon besluiten geen voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) af te geven c.q. een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid aanhef en onder d Vw.

2.26 Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d Vw kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw worden verleend aan de vreemdeling voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van de Minister van Justitie van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d Vw vindt zijn oorsprong in artikel 12b Vw (oud), waarin de voorwaardelijke vergunning tot verblijf was geregeld.

2.27 Bij de beoordeling of het voeren van een vvtv-beleid geïndiceerd is, vormde onder de Vw (oud) de brief van verweerder van 18 december 1997 (TK 1997-1998, 19637, nr. 308), de indicatorenbrief, het toetsingskader voor verweerder. De indicatoren zijn onder de Vw 2000 aangewezen in artikel 3.106 Vb:

a. de aard van het geweld, met name de ernst van de schendingen van de mensenrechten en het oorlogsrecht, de mate van willekeur, de mate waarin het geweld voorkomt en de mate van geografische spreiding daarvan;

b. de activiteiten en standpunten van internationale organisaties;

c. het beleid van de ons omringende landen en andere internationale ontwikkelingen.

De Staatssecretaris heeft bij de beoordeling van de situatie in het land van herkomst aan de hand van deze indicatoren een ruime beoordelings- en beleidsvrijheid.

2.28 Eiser heeft de stelling opgeworpen dat het begrip „de aard van het geweld“ in de sub a genoemde indicator ruim uitgelegd dient te worden. Hieronder valt zijns inziens niet alleen het oorlogsgeweld gericht tegen burgers, maar ook dat de algehele mensenrechtensituatie in het land van herkomst wordt gekenmerkt door een uitzonderlijke mate van willekeur, een humanitaire noodsituatie zoals thans in Angola. Verweerder heeft daartegenover gesteld dat een humanitaire noodsituatie in het land van herkomst niet kan leiden tot een vvtv-beleid, dat de veiligheidssituatie in Angola is verbeterd en er sprake is van positieve ontwikkelingen met betrekking tot de mensenrechtensituatie.

2.29 De rechtbank overweegt het volgende.

2.30 Uit de brief van 1 juni 2001 (TK 2000-2001, 19 637 nr. 588) van de Staatssecretaris van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer en de daarbij behorende notitie van de Staatssecretaris van 23 mei 2001 blijkt dat de Staatssecretaris zijn beleid vastgelegd in genoemde indicatorenbrief bestendigt.

2.31 Uit met name de hoofdstukken 4.1 en 4.3 van de indicatorenbrief en de daarbij behorende bijlage kan worden afgeleid dat verweerder onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis onderkent dat er sprake kan zijn van uit humanitair oogpunt onverantwoorde risico’s bij terugkeer voor de vreemdeling anders dan louter samenhangend met oorlogsgeweld en de mogelijkheid openhoudt een vvtv-beleid te voeren bij (humanitaire) risico’s voor lijf en leden, die voortvloeien uit burgeroorlogen, hongersnood en natuurrampen. Deze opsomming heeft de Staatssecretaris, naar eigen zeggen, „altijd geïnterpreteerd als een mogelijke interpretatie van het begrip bijzondere hardheid“, waarbij hij „de ruimte heeft om bepaalde personen tijdelijk te beschermen tegen uit humanitair oogpunt onverantwoorde risico’s“. Bij de bepaling of menselijk geweld in een land aanleiding vormt om een vvtv-beleid te voeren acht de Staatssecretaris het verder niet van belang of de genoemde schendingen plaatsvinden in oorlogstijd of in vredestijd. Uit vorenstaande kan worden afgeleid dat de Staatssecretaris binnen zijn beleid de mogelijkheid heeft ook rekening te houden met de humanitaire situatie in het land van herkomst bij de bepaling of een vvtv-beleid dient te worden gevoerd.

2.32 Uit de, in deze procedure relevante, ambtsberichten van 26 juni 2000 en 4 mei 2001 (AB 2001) blijkt dat in de loop van de tijd de omvang van de (relatief) veilige gebieden kleiner is geworden. Weliswaar heeft het regeringsleger in grote delen van het land toegang maar de veiligheidssituatie in het algemeen is verslechterd. Het Angolese conflict is het conventionele stadium gepasseerd en bevindt zich nu in de fase van guerrilla- en terroristische activiteit (p. 18 AB 2001). De regering had weliswaar in grote delen van het land toegang maar de regeringstroepen raakten dunner verspreid, waardoor de mogelijkheden tot het bieden van bescherming aan burgers tegen guerrilla-aanvallen per saldo in vele gebieden verminderden ( p. 11, 17, 18 AB 2001). Volgens berichten nam het geweld van Unita tegen burgers in de afgelopen jaren toe als reactie op de verliezen en de stijgende isolatie (p. 9, 27, 47 AB 2001). Enerzijds is bij de regering van Angola een groeiende aandacht voor de mensenrechtensituatie. Anderzijds blijkt dat de mensenrechtenschendingen in de praktijk niet afnemen (p. 27, 39, 40,41, 43, 45 AB 2001). Er is steeds meer reden om aan te nemen dat ook elementen (voorheen) behorend tot het regeringsleger overgaan tot banditisme en dat mensenrechtenschendingen vooral voorkomen door een gebrek aan interne controle (p. 39, 41, 43 AB 2001). Het gewapende conflict heeft een zeer groot aantal ontheemden voortgebracht. Het grootste deel van de bevolking leeft onder de armoedegrens (p. 21 AB 2001). Er is sprake van een proces van geleidelijke verbetering waarbij het nog jaren gaat duren voor een brede uitwerking merkbaar zal worden (p. 24 AB 2001). In haar brief van 8 september 1999 heeft de UNHCR alle EU-staten opgeroepen de gedwongen terugkeer van afgewezen Angolese asielzoekers naar Angola tijdelijk op te schorten in verband met hoge veiligheidsrisico’s en onoverkomelijke ontberingen waarmee de terugkeerders geconfronteerd zouden worden. Dit standpunt van de UNHCR is tot op heden onveranderd ( p. 48, 49 AB 2001).

De rechtbank kan in het ambtsbericht 2001, ook in vergelijking met het ambtsbericht van 2000 geen grondslag vinden voor het oordeel van verweerder dat in Angola sprake is van een verbetering in de algehele en mensenrechtensituatie.

2.33 De rechtbank gaat vervolgens na hoe verweerder in de voor deze procedure relevante periode heeft aangekeken tegen de situatie in Angola. Sedert 20 augustus 1998 heeft ten aanzien van Angola een uvv-beleid gegolden. In de bijlage bij zijn brief van 18 juni 1999 aan de Tweede Kamer (TK 1998-1999, 19637, nr. 445) zegt de Staatssecretaris dat dit beleid destijds is ingesteld in verband met de onzekerheid omtrent de veiligheidssituatie en in verband met het standpunt van de UNHCR, alsmede omdat onvoldoende duidelijkheid bestond omtrent het beleid van de ons omringende landen. In deze brief concludeert de Staatssecretaris dat een einde is gekomen aan het ontbreken van voldoende informatie over de situatie in Angola en het beleid van de ons omringende landen en dat gelet hierop de regering het uvv-beleid niet langer geïndiceerd acht. Bij brief van 1 juli 1999 (TK 1998-1999, 19637 nr. 451) heeft verweerder de effectuering van deze beleidswijziging tot 1 september 1999 opgeschort, gelet op het belang dat de Tweede Kamercommissie hecht aan het standpunt van de UNHCR. Bij brief van 25 augustus 1999 (TK 1998-1999, 19637 nr. 454) heeft verweerder de opschorting van de effectuering van het opheffen van het uvv-beleid beëindigd. Blijkens zijn brief van 10 september 1999 (TK1998-1999, 19637 nr. 460) heeft verweerder vervolgens het uvv-beleid vooralsnog weer gecontinueerd, naar aanleiding van het door de UNHCR op 8 september 1999 bekend gemaakt standpunt dat uitgeprocedeerde Angolese asielzoekers die worden gedwongen terug te keren naar Angola, inclusief Luanda, zullen worden geconfronteerd met hoge veiligheidsrisico’s en onoverkomelijke ontberingen. De Staatssecretaris wil de zienswijze van de Minister van Buitenlandse zaken afwachten. Bij brief van 9 december 1999 (TK 1998-1999, 19637, nr. 504) heeft verweerder het uvv-beleid voortgezet, teneinde nader overleg te voeren met de ons omringende landen, nu in het tussentijds ambtsbericht was aangegeven dat de humanitaire situatie in Luanda is verslechterd. Bij brief van 1 juni 2001 is verweerder ten slotte overgegaan tot beëindiging van het uvv-beleid.

2.34 In de periode tussen 20 augustus 1998 en 1 juni 2001, dat wil zeggen gedurende een periode van bijna drie jaar, heeft de Staatssecretaris een uvv-beleid gevoerd, daar waar ook ingevolge het eigen beleid van de Staatssecretaris een uvv-beleid slechts dan de aangewezen weg is indien er sprake is van onzekerheid met betrekking tot een bepaald land. In die periode is blijkens bovenstaande regelmatig overleg geweest tussen de Staatssecretaris en de Tweede Kamercommissie over het te voeren beleid met betrekking tot Angola. Op basis van de verslagen van dit overleg kan niet anders geconcludeerd worden dan dat de herhaalde opschorting van de beëindiging van het uvv-beleid (voornamelijk) haar grondslag vond in de slechte humanitaire situatie in Angola.

2.35 Vorenstaande in ogenschouw nemend, kan verweerder in redelijkheid niet staande houden dat ten aanzien van Angola uitsluitend een uvv-beleid is gevoerd om redenen van onzekerheid omtrent de veiligheidssituatie. Verweerder heeft het, met andere woorden, op grond van de humanitaire situatie kennelijk nodig gevonden gedurende langere tijd voor Angola enige vorm van beschermingsbeleid te voeren.

2.36 Wordt daarbij in aanmerking genomen dat volgens het door verweerder gehanteerde toetsingskader de humanitaire omstandigheden relevant zijn en dat ook uit de ambtsberichten blijkt dat de veiligheid en de humanitaire situatie in Angola aanhoudend zeer slecht zijn geweest, dan is niet inzichtelijk geworden waarom verweerder naar aanleiding van de ambtsberichten van 26 juni 2000 en 4 mei 2001 niet is overgegaan tot het voeren van een vvtv beleid. Deze ambtsberichten gaven verweerder voldoende zekerheid omtrent de situatie in Angola, terwijl daaruit in het geheel niet blijkt van een verbetering . .

2.37 De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de beslissing van verweerder om geen vvtv c.q. verblijfsvergunning voor bepaalde tijd af te geven, ook al wordt deze met de vereiste terughoudendendheid beoordeeld, een draagkrachtige motivering mist. De bestreden beschikking kan derhalve wegens strijd met artikel 7:12 Awb niet in stand blijven.

2.38 Ten aanzien hetgeen over de beëindiging van het uvv-beleid is opgemerkt, overweegt de rechtbank het volgende. In de TBV 2001/18 zijn de uitvoeringsconsequenties van het door de Staatssecretaris per 1 juni 2001 vastgestelde beleid weergegeven. In deze TBV wordt onder 7.1 vermeld: „Tussen 20 augustus 1998 en 1 april 2001 is aan uitgeprocedeerde Angolese asielzoekers uitstel van vertrek verleend om beleidsmatige redenen. Gelet op de beslissing van de Staatssecretaris van Justitie dat Angolezen (weer) voor verwijdering in aanmerking komen, dient dit uitstel van vertrek te worden ingetrokken. Op de beslissing tot intrekking van het uitstel van vertrek is artikel 72 Vw van toepassing. Niet van toepassing zijn de artikelen 73, 75 en 79 Vw aangezien het hier niet handelt om een afwijzing van een aanvraag of intrekking van een verblijfsvergunning. Voor wat betreft de opschortende werking en hoorplicht wordt derhalve verwezen naar de artikelen 6:16, 7:2 en 7:3 Awb. Indien op het bezwaarschrift in de oorspronkelijke procedure is bepaald dat uitzetting hangende de behandeling van het bezwaarschrift niet achterwege diende te blijven, dan dient het uitstel van vertrek te worden ingetrokken. Zie hiervoor ook IND-werkinstructie 242 over de wijze van opheffen van uitstel van vertrek. Het is raadzaam in individuele procedures eerst het uitstel van vertrek in te trekken, alvorens op een nog openstaand bezwaarschrift op de oorspronkelijke asielaanvraag te beslissen.“

2.39 In genoemde IND-werkinstructie 242 wordt onder .5 vermeld: „Ook beëindiging van het uitstel van vertrekbeleid wordt in een brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer bekendgemaakt. Wanneer de beëindiging van het uitstel van vertrekbeleid op deze wijze kenbaar is gemaakt, is daarmee het uitstel van vertrek nog niet opgeheven. Het uitstel van vertrek van deze vreemdelingen dient vervolgens individueel te worden opgeheven. Hiervoor geldt dat dit geschiedt door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de gemachtigde en bij het ontbreken hiervan aan de vreemdeling zelf. De opheffing van het uitstel van vertrek is een beschikking in de zin van de Awb. Conform artikel 3:45 Awb dient dan ook een bezwaarclausule te worden opgenomen.“

2.40 In de onderhavige procedure is bij de beslissing op bezwaar van 14 september 2001 bepaald dat eiser Nederland dient te verlaten, bij gebreke waarvan eiser kan worden uitgezet. Verweerder heeft ten aanzien van eiser geen beslissing tot intrekking van het uitstel van vertrek genomen. De stelling van verweerder ter zitting dat de intrekking van het uitstel van vertrek op grond van artikel 83 Vw in de onderhavige procedure kan worden meegenomen volgt de rechtbank niet, nu de Staatssecretaris nadrukkelijk heeft aangegeven dat een zelfstandige intrekkingbeslissing dient te worden genomen. Al hetgeen partijen in dat kader hebben opgemerkt is thans niet aan de orde.

2.41 Het beroep is mitsdien gegrond.

2.42 De bestreden beschikking kan niet in stand blijven. Verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beschikking te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening

2.43 Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening en het beroep

2.44 In dit geval bestaat aanleiding verweerder in de hoofdzaak met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op € 1127,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, en ½ punt voor het verschijnen ter nadere zitting). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

3. BESLISSING

De rechtbank:

ten aanzien van de hoofdzaak:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt de bestreden beschikking;

3.3 bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrift van eiser van 22 maart 2000 dient te nemen;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 1127,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem dient te vergoeden;

De voorzieningenrechter:

ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorziening:

3.5 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Miedema als voorzitter van de meervoudige kamer, tevens voorzieningenrechter, en mrs. E. de Greeve en A.T.B. de Vries als leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2002 in tegenwoordigheid van drs. M.A.J. Arts als griffier.

Afschrift verzonden op:

11 juli 2002.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.