Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE5327

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-06-2002
Datum publicatie
16-07-2002
Zaaknummer
AWB 01/31517 OVERIO
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sierra Leone / ingangsdatum beleid.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de ingangsdatum van de op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, van de Vw 2000 aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met ingang van 1 juni 2001 op een eerder tijdstip had moeten zijn gelegen.

Verweerder heeft eerst met ingang van 1 juni 2001 besloten tot het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van Sierra Leone. Dit beleid is gebaseerd op informatie uit de ambtsberichten. Er bestaan geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid van deze ambtsberichten. Blijkens de informatie uit de ambtsberichten bestond er in de betreffende periode geen aanleiding tot het voeren van een ander beleid dan het destijds door verweerder gevoerde beleid. De door eiser overgelegde rapporten van Amnesty International en de UNHCR bieden geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het gevoerde beleid onredelijk was dan wel dat verweerder op een eerder moment had moeten overgaan tot het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid.

De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat de ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning op een eerder tijdstip had moeten zijn gelegen. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29, geldigheid: 2002-06-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 01/31517 OVERIO

inzake: A, geboren op [...] 1979, van Sierraleoonse nationaliteit, wonende te B,

eiser,

gemachtigde: mr. P.J. Schüller, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. A. van Dijck, juridisch medewerker bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, advocaten en notarissen te 's-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 3 oktober 1998 heeft eiser een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling, aan te merken als een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Bij besluit van 17 november 1998 heeft verweerder de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd vanwege de kennelijke ongegrondheid ervan en heeft verweerder ambtshalve overwogen geen aanleiding te zien een vergunning tot verblijf vanwege klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Bij bezwaarschrift van 4 december 1998 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 18 januari 1999. Het bezwaar is bij besluit van 18 januari 1999 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden. Het daartegen gerichte beroep van 11 februari 1999 is door de rechtbank bij uitspraak van 1 december 2000 gegrond verklaard. Op 12 juli 2001 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar door verweerder. Bij besluit van 27 juli 2001 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en aan eiser een vergunning tot verblijf asiel voor bepaalde tijd verleend met ingangsdatum 1 juni 2001.

2. Bij beroepschrift van 24 augustus 2001 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 4 september 2001. Op 11 februari 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 16 april 2002 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2002. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Eiser legt aan het beroep ten grondslag dat de ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op een eerder tijdstip gelegen had moeten zijn. Eiser voert hiertoe aan dat ingevolge de uitspraak van de Rechtseenheidkamer van 1 februari 2001 verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom vanaf 1 december 1997 geen vvtv-beleid is gevoerd ten aanzien van Sierra Leone, maar een uitstel van vertrek beleid. Eiser komt in aanmerking voor een status met ingang van 3 oktober 1998.

2. Verweerder volgt de stelling van eiser niet dat de aan hem verleende verblijfsvergunning een eerdere ingangsdatum had moeten hebben. In de periode tussen 3 januari 2000 en 1 juni 2001 werd immers geen categoriaal beschermingsbeleid gevoerd. Vanaf 1 juni 2001 kwamen asielzoekers uit Sierra Leone in aanmerking voor categoriale bescherming.

III. OVERWEGINGEN

1. Allereerst stelt de rechtbank vast dat verweerder na de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 1 december 2000, eerst op 27 juli 2001 een beslissing op bezwaar heeft genomen en dat derhalve de in artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000 neergelegde beslistermijn van zes maanden was verstreken. Niet is gebleken dat de termijn op grond van artikel 42, vierde of vijfde lid, dan wel artikel 43 van de Vw 2000 is verlengd. Derhalve wordt geconcludeerd dat niet tijdig op het bezwaar is beslist.

3. Ingevolge artikel 6:2 van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijk gesteld. Vastgesteld wordt dat het beroep niet onredelijk laat is ingesteld (artikel 6:12, derde lid, van de Awb).

4. Onder deze omstandigheden is het beroep, voor zover het is gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar, kennelijk gegrond.

5. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder, hoewel aanvankelijk van mening dat eiser geen procesbelang had, ter zitting heeft erkend dat eiser wel een belang heeft bij de onderhavige procedure. Het geschil spitst zich derhalve toe op de vraag of de ingangsdatum van de op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, van de Vw 2000 aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met ingang van 1 juni 2001 op een eerder tijdstip had moeten zijn gelegen. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

6. Verweerder heeft, afgaande op informatie afkomstig uit de ambtsberichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, eerst met ingang van 1 juni 2001 besloten tot het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid. Een ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken omtrent de situatie in een land kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het ambtsbericht op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding - voor zover mogelijk en verantwoord - van de bronnen, waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. In dat geval zal verweerder het ambtsbericht niet dan na het instellen van nader onderzoek terzake en bevestiging van de desbetreffende informatie aan het besluit ten grondslag mogen leggen. In de onderhavige procedure heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht het bestaan van dergelijke aanknopingspunten niet aangenomen. Blijkens de informatie uit de ambtsberichten bestond er in de betreffende periode geen aanleiding tot het voeren van ander beleid dan het destijds door verweerder gevoerde beleid. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar rapporten van Amnesty International en de UNHCR. De rechtbank is van oordeel dat de aangehaalde rapporten onvoldoende aanknopingspunten bieden om tot de conclusie te komen dat het gevoerde beleid onredelijk was dan wel dat verweerder op een eerder moment had moeten overgaan tot het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat de ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning op een eerder tijdstip had moeten zijn gelegen.

7. Op grond van het voorgaande dient het beroep voor zover het betrekking heeft op de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ongegrond te worden verklaard.

8. Gelet op het hiervoor overwogene onder rechtsoverweging IV.4 is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 80,50 als kosten van verleende rechtsbijstand.

10. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

IV. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep, voor zover het is gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar, kennelijk gegrond;

2. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

3. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 80,50 (zegge: tachtig euro en vijftig eurocent), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 102,10 (zegge: honderdentwee euro en 10 eurocent).

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2002, door mr. J.P. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. Ekkelenkamp, griffier.

Afschrift verzonden op:

Conc.: MEk

Coll:

Bp: -

D: C

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.