Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE5239

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-06-2002
Datum publicatie
16-07-2002
Zaaknummer
AWB 02/41485, 02/41489 VRONTN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AC-procedure / 48-uurstermijn.

Verzoekster is afkomstig uit China. Zij stelt dat haar asielaanvraag ten onrechte is afgedaan binnen de AC-procedure, omdat de 48-uurstermijn is overschreden. Een deel van de uren tussen het tijdstip van kennisgeving van de intentie asiel te willen vragen en de overbrenging naar het AC dient te worden aangemerkt als procesuren in de zin van artikel 1.1, aanhef en onder f, van het Vb 2000. De term uren dient te worden gelezen als uren die in een AC beschikbaar hadden dienen te zijn. Blijkens het mutatierapport van de Koninklijke marechaussee (KMAR) is aan de IND gemeld dat verzoekster een asielaanvraag wilde indienen, maar heeft de IND haar niet willen opnemen, omdat ze niet voorgemeld was en omdat er onvoldoende capaciteit was. Eerst dertig uur later is verzoekster naar het AC overgebracht. Gelet op het gestelde in hoofdstuk C3/12.2.3 Vc 2000 is, na een wachttijd van maximaal zes uren in verband met de grensbewakingstaken van de KMAR, de 48-uurstermijn automatisch aangevangen.

De rechtbank stelt vast dat de procedure in het AC feitelijk onbestreden minder dan 48 procesuren in beslag heeft genomen. De uren bij de KMAR als bedoeld in hoofdstuk C3/12.2.3 Vc 2000 zijn geen procesuren als bedoeld in artikel 1.1, aanhef en onder f, Vb 2000. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86, geldigheid: 2002-06-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Vreemdelingenkamer

Voorlopige voorziening

Uitspraak

artikel 8:81 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nrs.: AWB 02/41485 VRONTN (voorlopige voorziening)

AWB 02/41489 VRONTN (beroep)

inzake: A, geboren op [...] 1976, naar gesteld van Chinese nationaliteit, verblijvende op een onbekend adres, verzoekster,

gemachtigde: mr. F.W.P. Nederstigt, medewerker van de Stichting Rechtsbijstand Asiel (SRA) te Rotterdam,

IND-nummer: 0205.21.4099

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. R.H. Visser, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 29 mei 2002 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 28 mei 2002 waarbij de aanvraag van verzoekster om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is afgewezen. Op diezelfde datum is een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarbij is verzocht de uitzetting van verzoekster achterwege te laten totdat op het beroep zal zijn beslist.

2. Bij brief van 6 juni 2002 heeft verzoekster de gronden van het verzoek en het beroep ingediend.

3. Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 7 juni 2002. Verzoekster is aldaar vertegenwoordigd door mr. M.B. de Wit van de SRA te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. FEITEN

Verzoekster is op 17 mei 2002 via de luchthaven Schiphol Nederland ingereisd. Op 18 mei 2002 is haar de toegang geweigerd en is zij op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 geplaatst in het Passantenverblijf Triport. Op 23 mei 2002 is zij overgebracht naar het Grenshospitium te Amsterdam. Zij heeft op 24 mei 2002 te kennen gegeven een asielaanvraag te willen indienen, waartoe zij op 25 mei 2002 is overgebracht naar het AC Schiphol. Verzoekster beschikt niet over identiteitsdocumenten.

Verzoekster stelt dat zij afkomstig is uit China en dat zij te vrezen heeft voor gedwongen sterilisatie. Ook wil zij de aan haar opgelegde (derde) geldboete voor haar tweede kind niet betalen.

III. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of er gegeven de spoedeisendheid van het verzoek aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen dan wel het besluit van verweerder om de uitzetting niet achterwege te laten, te schorsen.

2. Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de rechtbank na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Verzoekster is tijdig op deze bevoegdheid gewezen.

3. De AC-procedure voorziet in afdoening van asielverzoeken binnen 48 uur. Deze procedure leent zich slechts voor die zaken waarvan verweerder, daarbij de vereiste zorgvuldigheid in acht nemend, binnen deze korte termijn kan beoordelen of de aanvraag op grond van artikel 30 of 31 van de Vw 2000 kan worden afgewezen.

4. Verzoekster heeft in haar verzoek en in beroep primair aangevoerd dat haar aanvraag ten onrechte is afgedaan binnen de AC-procedure, nu de 48-uurstermijn voor de behandeling van een asielaanvraag is overschreden. Een deel van de uren tussen het tijdstip van kennisgeving van de intentie asiel te willen vragen en de overbrenging naar het AC dient te worden aangemerkt als procesuren in de zin van artikel 1.1, aanhef en onder f, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000. De term uren dient te worden gelezen als: uren die in een AC beschikbaar hadden dienen te zijn. Verzoekster verwijst naar uitspraken van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State (ABRS) van 20 en 21 december 2001 en 25 februari 2002, waarin is overwogen: "procesuren zijn (…) in beginsel alle uren die sedert de aanmelding van de vreemdeling tot de uitreiking van de beschikking verstrijken" en "dat in feite geen onderzoek plaatsvindt (…) is op zichzelf geen grond voor het oordeel dat de daarmee gemoeide tijd niet voor onderzoek beschikbaar was". Blijkens het mutatierapport van 24 mei 2002 van de Koninklijke Marechaussee (KMAR) is die dag aan de IND gemeld dat verzoekster een asielaanvraag wilde indienen, maar heeft de IND haar niet willen opnemen, omdat ze niet voorgemeld was en omdat er onvoldoende capaciteit was. Eerst dertig uur later is verzoekster naar het AC overgebracht. Gelet op het gestelde in C3/12.2.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 is, na een wachttijd van maximaal 6 uren in verband met de grensbewakingstaken van de KMAR, de 48-uurstermijn automatisch aangevangen. Capaciteitsproblemen van de IND zijn geen externe omstandigheden als genoemd in C3/12.2.3. Ook van een verhoogde instroom was op die dagen geen sprake.

Subsidiair stelt verzoekster dat verweerder niet op zorgvuldige wijze heeft beslist op de aanvraag, nu de zienswijze niet is afgewacht. Verzoekster heeft tijdig aangegeven een zienswijze te willen indienen, maar is daartoe door het veelvuldig overleg met de IND en het onvolledige dossier - een mutatierapport van de KMAR diende te worden afgewacht - niet in de gelegenheid geweest. Dit had voor verweerder aanleiding moeten zijn om zich te bezinnen op het voornemen om de asielaanvraag in het AC af te doen. Gelet op de door de IND gehanteerde eindtijd (12:10 uur op 29 mei 2002) valt niet in te zien waarom de zienswijze niet kon worden afgewacht. De hiervoor opgegeven redenen zijn niet valide.

5. Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster binnen 48 procesuren in het AC afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000.

De aanvraag van verzoekster is binnen de 48-uurstermijn behandeld. Deze termijn is na overbrenging van verzoekster naar AC Schiphol op 25 mei 2002 aangevangen. Weliswaar heeft verzoekster reeds op 24 mei 2002 aangegeven dat zij een asielaanvraag wilde indienen, doch zij is - zoals blijkt uit het mutatierapport van de KMAR - wegens capaciteitsgebrek eerst de volgende dag naar het AC gebracht, alwaar de proceduretijd (48 uur) is aangevangen. Deze omstandigheid valt onder de, niet limitatief genoemde, externe omstandigheden als genoemd in C3/12.2.3 van de Vc 2000. Overigens is sprake van een afwijkende situatie, zodat niet zonder meer kan worden aangesloten bij de in de Vc 2000 neergelegde regeling.

Met betrekking tot het niet afwachten van de zienswijze van verzoekster alvorens te besluiten verwijst verweerder naar de uitspraak van de ABRS van 3 mei 2002, nr. 200201462/1. Verzoekster heeft slechts formele bezwaren aangevoerd. Niet valt in te zien waarom het mutatierapport van de KMAR diende te worden afgewacht, alvorens een zienswijze met betrekking tot de inhoudelijke aspecten van de zaak te geven.

6. De rechtbank stelt met de ABRS (vide JV 2001/259) voorop, dat de Vw 2000 bepaalt dat het aantal uren dat beschikbaar is voor het behandelen van en het beslissen op een aanvraag in een aanmeldcentrum, bij algemene maatregel van bestuur (lees: het Vreemdelingenbesluit 2000; hierna Vb 2000) wordt bepaald. Van de daarbij gestelde termijn kan niet rechtsgeldig worden afgeweken in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

7. Ter beantwoording van de vraag of een aanvraag geschikt is om in een AC te worden afgewezen, heeft de wetgever een naar tijdsduur gemeten maatstaf voorgeschreven. De daarbij gekozen maatstaf is die van 48 procesuren. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder f, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000), wordt onder procesuren verstaan de uren die voor het onderzoek naar de aanvraag in het AC beschikbaar zijn, waarbij de uren van 22.00 uur tot 08.00 uur niet meetellen. De maatstaf dat binnen 48 procesuren afdoende kan worden beoordeeld of de aanvraag kan worden afgewezen, waarborgt dat slechts zaken in het AC worden afgehandeld, die geen tijdrovend onderzoek vergen.

8. De ABRS heeft in een uitspraak van 22 mei 2002 (nr 200201773/1) overwogen dat uit artikel 1.1, aanhef en onder f, van het Vb 2000 volgt, dat voor de vaststelling van de aanvang van de 48-uurs-termijn aansluiting moet worden gezocht bij de aanvang van het onderzoek in het AC, gericht op de beoordeling van de aanvraag.

9. De rechtbank stelt vervolgens vast dat de procedure in het AC feitelijk onbestreden minder dan 48 procesuren in beslag heeft genomen.

10. De stelling van verzoekster dat de procedure geacht moet worden eerder te zijn aangevangen ingevolge genoemde passages in de Vc 2000, wordt door de rechtbank niet gevolgd.

Daartoe overweegt de rechtbank dat de betreffende passage niet ziet op procesuren in het AC, maar op de wachttijd voorafgaande aan de overbrenging naar het AC. De regel dat de 48-uurstermijn automatisch aanvangt na de 6 uren bij de KMAR dient derhalve veeleer te worden beschouwd als een beleidsmatige fictie ter bepaling van het moment van aanvang van de AC-procedure, dan als een (al dan niet binnen de strekking van artikel 1.1, aanhef en onder f, van het Vb 2000 liggende) uitwerking van het begrip procesuren.

Waar, los van deze fictie, het onderzoek binnen het AC onbestreden niet meer dan 48 procesuren heeft geduurd, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de aanvraag van verzoekster binnen 48 procesuren is afgewezen.

11. Met betrekking tot de grief van verzoekster dat verweerder de zienswijze had moeten afwachten alvorens te beslissen, overweegt de rechtbank als volgt.

Verweerder heeft ter zitting de navolgende passages uit genoemde uitspraak van de ABRS van 3 mei 2002 aangehaald:

"2.5. Het ligt op de weg van de rechtshulpverlener om tijdig en gemotiveerd aan de staatssecretaris, die immers verantwoordelijk is voor het verloop van de procedure, kenbaar te maken dat meer tijd nodig is voor het uitbrengen van de zienswijze dan daarvoor in de regelgeving is voorzien. Geeft de rechtshulpverlener dit evenwel niet te kennen, dan kan de staatssecretaris in beginsel ook zonder dat na afloop van de drie procesuren een zienswijze is uitgebracht, de beschikking binnen de termijn van 48 procesuren geven. De verantwoordelijkheid van de staatssecretaris voor een zorgvuldige besluitvorming vergt echter wel dat hij zich bezint op zijn voornemen de aanvraag via de 48-uurs-procedure af te wijzen, gegeven de omstandigheid dat niet een zienswijze voorligt. De nadien in rechte voorgedragen gronden kunnen er onder omstandigheden blijk van geven dat de besluitvorming niet zorgvuldig is geweest.

2.6. (…) Appellant heeft niet binnen drie procesuren na uitreiking van de kopie van het nader gehoor en van het voornemen, (…) een zienswijze naar voren gebracht en heeft evenmin te kennen gegeven dat daarvoor meer tijd nodig is. (…) Nu appellant voor de rechtbank slechts formele bezwaren heeft aangevoerd, is niet gebleken dat kennisneming van een zienswijze noodzakelijk was voor een zorgvuldige besluitvorming op de aanvraag.".

12. Ook in het onderhavige geval ziet de rechtbank niet in dat het niet afwachten van de zienswijze alvorens op de aanvraag te beslissen onzorgvuldig is. De gemachtigde van verzoekster heeft wel aangegeven dat meer tijd nodig was voor het uitbrengen van een zienswijze, maar naar de rechtbank is gebleken was dit slechts vanwege het afwachten van het mutatierapport van de KMAR. Niet is gebleken, ook niet op navraag ter zitting, dat en waarom sprake was van belemmeringen om alvast op inhoudelijke punten een zienswijze op te stellen en in te dienen. Dit klemt te meer nu ook in beroep geen inhoudelijke punten zijn aangevoerd waarom het besluit geen stand zou kunnen houden.

13. In de door verzoekster gestelde schending van hoofdstuk C3/12.2.3 van de Vc 2000 ziet de rechtbank ten slotte evenmin aanleiding om te komen tot een gegrondverklaring van het beroep. Gesteld noch gebleken is dat die schending heeft geleid tot een onzorgvuldige of ondeugdelijk gemotiveerde besluitvorming op de asielaanvraag van verzoekster. Verzoekster is derhalve door die schending (wat daarvan overigens ook zij) niet in haar belangen getroffen, althans niet op een in deze procedure relevante wijze.

14. De rechtbank is mitsdien gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder in dit geval de aanvraag terecht binnen het AC heeft kunnen afdoen en voorts op goede gronden heeft geoordeeld dat de aanvraag kon worden afgewezen.

15. Uit het voorgaande volgt tevens dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan beoordeling van de hoofdzaak en dat deze slechts in ongegrondverklaring van het beroep kan eindigen. De rechtbank ziet derhalve aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk op dat beroep te beslissen. Het beroep tegen de afwijzende beschikking op de asielaanvraag van verzoekster zal dan ook ongegrond worden verklaard. Dat brengt mee dat het verzoek om een voorlopige voorziening wegens gebrek aan belang dient te worden afgewezen.

16. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is niet gebleken.

V. BESLISSING

De rechtbank

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 02/41489 VRONTN:

verklaart het beroep ongegrond;

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 02/41485 VRONTN:

wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2002 door

mr. H.J. Tijselink, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. I.H.H. Krajenbrink, griffier.

Afschrift verzonden op: 11 juni 2002

Conc.: HJ/IK

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, derde lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.