Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE5235

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-03-2002
Datum publicatie
16-07-2002
Zaaknummer
AWB 00/8734 VRWET, 01/37494, 01/37495 OVERIN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verlenging vtv / paspoortvereiste.

Verzoekster, afkomstig uit Noord-Irak, heeft een aanvraag ingediend om verlenging van de vtv met als doel verblijf bij echtgenoot. Haar echtgenoot is hier te lande erkend als vluchteling en is tevens genaturaliseerd. De aanvraag om verlenging is niet ingewilligd, omdat verzoekster niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding. De hier aan de orde zijnde situatie is opgenomen in artikel 3.83 Vb 2000 onder b. Artikel 3.83 Vb 2000 biedt voldoende grondslag om de aanvraag om verlenging niet af te wijzen wegens het ontbreken van genoemd document. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster heeft aangetoond dat zij vanwege de Centraal-Iraakse autoriteiten niet in het bezit gesteld kan worden van een geldig document voor grensoverschrijding. Uit het door verweerder zelf als deskundigenbericht gehanteerde ambtsbericht van april 2001, blijkt dat de uitgifte van documenten in Noord-Irak problematisch is terwijl de regering van Noord-Irak hier te lande geen vertegenwoordiging heeft. Het langs legale weg verkrijgen van een paspoort door verzoekster van de Centraal-Iraakse autoriteiten is zo goed als onmogelijk.

Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vreemdelingenbesluit 2000 3.83
Vreemdelingenwet 2000 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

nevenzittingsplaats Rotterdam

__________________________________________________

UITSPRAAK

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 00/8734 VRWET & 01/37494 OVERIN &

01/37495 OVERIN

Inzake: A, verzoekster,

Gemachtigde mr. J. Hemelaar, advocaat te Hoofddorp,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. J. J. Hofland, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Verzoekster, geboren op [...] 1971, bezit de Iraakse nationaliteit en verblijft als vreemdeling in de zin van de vreemdelingenwetgeving in Nederland. Op 16 januari 1997 is verzoekster Nederland ingereisd met een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv). Verzoekster heeft op 11 februari 1997 een aanvraag ingediend om een vergunning tot verblijf (hierna: vtv) met als doel "verblijf bij echtgenoot B", waarna zij in het bezit is gesteld van de gevraagde vergunning met een geldigheidsduur tot 16 januari 1998. Op 8 december 1997 is deze vergunning tot verblijf verlengd tot 16 januari 1999. Laatstelijk is deze vergunning op 11 januari 1999 verlengd tot 1 maart 1999. In verband met de geldigheidsduur van het paspoort van verzoekster is de geldigheidsduur slechts met twee maanden verlengd.

Op 13 april 1999 heeft verzoekster een aanvraag ingediend ter verlenging van de geldigheidsduur van de aan haar op 11 februari 1997 verleende vergunning tot verblijf. Bij beschikking van 30 mei 2000 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Verzoekster heeft op 26 juni 2000 bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van de aanvraag. Bij schrijven van 10 juli 2000 heeft verweerder bepaald dat verzoekster de beslissing op het bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten. Verzoekster heeft hangende dat bezwaar op 19 juli 2000 verzocht om verweerder te verbieden haar hangende dat bezwaar uit te zetten (zaaksnr. AWB 00/8734). Bij beschikking van 2 augustus 2001 is het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard; verzoekster is om die reden niet gehoord. Tegen die beslissing heeft verzoekster op 9 augustus 2001 beroep ingesteld (zaaksnr. AWB 01/37495).

2. Op 8 augustus 2001 heeft verzoekster de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten, totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en ongegrondverklaring van het beroep (zaaksnr. AWB 01/37494).

3. De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden 12 maart 2002. Verzoekster is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter zal zich daarbij een voorlopig oordeel vormen over de rechtmatigheid van het bestreden besluit inzake de weigering verlenging.

2. Verzoekster stelt dat zij in aanmerking komt voor verlenging van de geldigheidsduur van haar vtv. Daartoe heeft zij - kort weergegeven - het volgende aangevoerd. Er is aanleiding om in haar geval ontheffing te verlenen van het paspoortvereiste. Van verzoekster kan niet worden gevergd dat zij zich wendt tot de Iraakse ambassade omdat haar man hier te lande erkend is als vluchteling en genaturaliseerd is. Dienaangaande verwijst verzoekster naar de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 3 september 1999 (AWB 98/8580), JV 2000/11 en de uitspraak van 16 december 1999 (AWB 99/2136), voor zover van belang. Voorts stelt verzoekster dat zij bij haar inreis in 1997 de Nederlandse overheid er op geattendeerd heeft dat haar paspoort vals is en dat zij in 1999 in de Vreemdelingendienst hiervan mededeling heeft gedaan.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de verlenging van de geldigheidsduur van de vtv van verzoekster terecht is geweigerd.

Daartoe heeft verweerder - kort weergegeven - het volgende aangevoerd. Verzoekster heeft gebruik gemaakt van een vals paspoort om haar toelating en toegang tot Nederland te realiseren en om de geldigheid van haar vergunning te verlengen. Daarbij heeft verzoekster bij binnenkomst - blijkens het proces-verbaal d.d. 13 april 1999 - noch de ambtenaren belast met de grensbewaking, noch de ambtenaren van de vreemdelingendienst op de hoogte gesteld van het bezit van een vervalst paspoort. Indien verweerder hiervan eerder op de hoogte was geweest dan had dit tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag dan wel verlenging daarvan geleid. Bovendien heeft verzoekster niet voldoende aannemelijk gemaakt waarom in haar specifieke geval niet van haar geëist kan worden dat zij zich tot de autoriteiten van haar land wendt ter verkrijging van een geldig reisdocument Zij heeft zich in het kader van de huwelijkssluiting - n  de toelating van haar echtgenoot als vluchteling - wel tot die autoriteiten gewend.

4. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

Het verzoek om voorlopige voorziening met het nummer AWB 00/8734 is niet "omgebouwd" tot een verzoek om voorlopige voorziening hangende beroep. Verzoekster heeft op 8 augustus 2001 een nieuw verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Geconcludeerd moet worden dat het verzoek d.d. 19 juli 2000 thans niet meer ontvankelijk kan worden geacht; er is immers op het bezwaar tegen de beslissing van 23 mei 2000 beslist. Derhalve is er geen connex bezwaar meer zodat het verzoek op grond van het bepaalde in art. 8:81 van de Awb niet ontvankelijk moet worden verklaard.

Ingevolge artikel 18, eerste lid onder b en c Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van die wet worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, respectievelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

Ingevolge artikel 3.83 Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, niet op grond van artikel 18, eerste lid, onder b van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling niet naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.

Het staat in voldoende mate vast dat verzoekster eerst bij de onderhavige verlenging van haar vergunning heeft gemeld dat haar paspoort vals is (volgens verweerder betreft het een authentiek Iraaks paspoort dat is vervalst, pv 7 mei 1999).

Art. 18 voornoemd bevat een discretionaire bevoegdheid van verweerder.

Indien de onder (hier relevant) b. of c. genoemde situaties zich voordoen kan verweerder de gevraagde verlenging afwijzen.

Vaststaat dat de onder b. genoemde situatie zich hier voordoet: verzoekster beschikt niet over een geldig document voor grensoverschrijding.

Op grond van art. 3.83 Vb 2000 wordt de aanvraag om verlenging echter niet afgewezen wegens het ontbreken van genoemd document indien de vreemdeling, naar het oordeel van de minister, heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. Dit oordeel van de minister kan door de rechter slechts marginaal worden getoetst.

Verzoekster heeft in dit kader aangevoerd dat van haar niet kan worden verlangd dat zij zich tot de Centraal-Iraakse autoriteiten wendt. Haar man is in Nederland toegelaten als vluchteling. Verweerder is van opvatting dat zij met die stelling onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een situatie als bedoeld in art. 3.83 Vb 2000 voornoemd aan de orde is. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat verzoekster zich in juni 1996 nog wel tot de Iraakse autoriteiten heeft gewend om haar (met de handschoen gesloten) huwelijk te laten registreren.

Impliciet blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat verweerder van mening is dat verzoekster zich tot de Centraal-Iraakse autoriteiten moet en kan wenden. Dat lijkt ook logisch omdat uit het ambtsbericht d.d. april 2001 over de situatie in Noord-Irak (blz. 41) blijkt dat de uitgifte van documenten in Noord-Irak problematisch is en die autoriteiten geen vertegenwoordiging alhier hebben. Tevens blijkt uit de bladzijden 41 en 42 van voornoemd ambtsbericht dat voor personen uit Noord-Irak de procedures voor verkrijgen van een paspoort gecompliceerd en langdurig zijn en dat men rekening moet houden met een antecedentenonderzoek door de Centraal-Iraakse geheime dienst. Letterlijk staat onderaan blz 41: "Uiteraard is afgifte van documenten in Centraal-Irak langs legale weg in beginsel niet mogelijk indien aanvragers (of hun familieleden) bekend staan als politieke activisten of om andere redenen voorkomen in registers van instanties van politie, justitie en veiligheidsdiensten en dergelijke".

Het lijkt onwaarschijnlijk dat dit anders zou liggen in geval van aanvraag van documenten bij de Iraakse autoriteiten alhier. Vaststaat dat verzoekster afkomstig is uit Noord-Irak en dat haar echtgenoot in Nederland is toegelaten als vluchteling. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit het door verweerder zelf als deskundigenbericht gehanteerde ambtsbericht blijkt dat het langs legale weg verkrijgen van een paspoort door verzoekster van de Centraal-Iraakse autoriteiten zo goed als onmogelijk is. Verweerders argument dat verzoekster haar huwelijk wel bij deze autoriteiten heeft laten registreren gaat niet op. Dat huwelijk is immers geregistreerd door de autoriteiten van Arbil, niet zijnde de Centraal-Iraakse.

Verweerder heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat verzoekster niet heeft aangetoond dat zijn geen geldig paspoort kan krijgen vanwege de regering van het land waarvan zij onderdaan is. De bestreden beslissing is in zoverre in strijd met het beginsel dat deze moet berusten op een draagkrachtige motivering.

Ten aanzien van de c. grond van art. 18 Vw 2000 wordt het volgende overwogen. Het is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voldoende aannemelijk dat als reeds bij de aanvraag van de mvv in 1996 duidelijk was geweest dat verzoekster niet over een geldig paspoort beschikte, die aanvraag zou zijn afgewezen.

Het is de voorzieningenrechter ambtshalve bekend dat bij visumverlening aan personen uit Irak via de ambassades in Syrië en Turkije nogal eens creatief te werk werd gegaan omdat genoemde personen vaak niet konden beschikken over geldige paspoorten. Deze werkwijze blijkt ook in onderhavig dossier uit het faxbericht van mevr. Guerin d.d. 7 oktober 1996. Dat de identiteit van de betrokken persoon vaststond was van groter belang dan dat hij een geldig document voor grensoverschrijding kon tonen. Deze handelwijze vindt ook onderbouwing in het feit dat aan de zoon van de echtgenoot van verzoekster in november 1994 een mvv is verleend eveneens op basis van een vals paspoort; uit het stuk nr. 25 van verweerders dossier blijkt dat dat paspoort is ingenomen en dat aan deze zoon een A-status is verleend onder bijplaatsing op het paspoort van de vader.

Relevant is in dit kader ook nog dat de identiteit van verzoekster wel vaststaat; verzoekster heeft een huwelijksakte overgelegd waarin haar persoonsgegevens zijn opgenomen.

Tevens is relevant dat ten tijde van de vergunningverlening aan verzoekster in februari 1997 uitzetting naar Noord-Irak niet plaatsvond; verweerder voerde toen nog een vvtv-beleid ten aanzien van Irakezen.

Onder deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk dat het beschikken over een vals paspoort destijds tot afwijzing van de vergunning tot verblijf zou hebben geleid. Ook in zoverre is de beslissing in strijd met het beginsel dat deze moet berusten op een voldoende draagkrachtige motivering.

5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van deze zaak en zal met toepassing met het bepaalde in artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

6. Het bestreden besluit tot afwijzing van het verzoek d.d. 13 april 1999 om verlenging van de tot 1 maart 1999 geldige verblijfsvergunning kan niet in stand blijven en moet worden vernietigd; verweerder zal opnieuw op het bezwaar d.d. 26 juni 2000 moeten beslissen.

Het verzoek om voorlopige voorziening d.d. 19 juli 2000 moet niet-ontvankelijk worden verklaard. Het verzoek om voorlopige voorziening d.d. 8 augustus 2001 kan, gelet op de beslissing in de hoofdzaak, worden afgewezen.

7. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644 (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep tegen de beslissing d.d. 2 augustus 2001 gegrond en vernietigt die beslissing (zaaks nr. 01/37495);

2. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift d.d. 26 juni 2000;

3. wijst af het verzoek af om een voorlopige voorziening d.d. 8 augustus 2001 (zaaksnr. 01/37494);

4. verklaart het verzoek om voorlopige voorziening d.d. 19 juli 2000 niet-ontvankelijk (zaaksnr. 00/8734);

5 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan verzoekster dient te vergoeden;

6. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door verzoekster betaalde griffierecht ad € 204,20,- vergoedt.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr. E,R. Houweling en uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2002, in tegenwoordigheid van mr. R. Simi, griffier.

afschrift verzonden op: 5 april 2002