Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE5231

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-06-2002
Datum publicatie
16-07-2002
Zaaknummer
AWB 99/9730
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Procesbelang / vluchtelingenstatus / vordering tot schadevergoeding.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep van eisers niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat zij thans in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Eisers betwisten verweerders standpunt en zijn van mening dat zij belang hebben bij een rechterlijke uitspraak over de bestreden besluiten omdat die besluiten onrechtmatig zijn en zij verweerder aansprakelijk stellen voor de schade die zij als gevolg van die onrechtmatige besluiten hebben geleden. Eisers verzoeken de rechtbank verweerder, onder gegrondverklaring van het beroep, op grond van artikel 8:73 Awb, te veroordelen tot vergoeding van hun schade.

Het is vaste jurisprudentie dat een bestuursorgaan tegenover een belanghebbende een onrechtmatige daad pleegt indien het een besluit heeft genomen dat door de rechter wordt vernietigd wegens strijd met een geschreven dan wel een ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel. Met het uitspreken van die vernietiging is de schuld van het bestuursorgaan, zoals bedoeld in artikel 6:162 BW, in beginsel gegeven. Ook als het bestuursorgaan geen enkel verwijt treft, dient er vanuit te worden gegaan dat deze onrechtmatige daad in beginsel voor rekening van dat bestuursorgaan komt. Immers met de vernietiging van een besluit is gegeven dat het bestuursorgaan onrechtmatig tegenover de belanghebbende heeft gehandeld en dat het bestuursorgaan verplicht is de schade die de belanghebbende daardoor lijdt, te vergoeden. De stelling van verweerder dat in gevallen als het onderhavige op grond van artikel 6:163 BW nimmer een verplichting tot schadevergoeding bestaat omdat de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen vermogensschade, is in zijn algemeenheid onjuist. Een verzoek tot schadevergoeding vormt derhalve een voldoende belang om een rechterlijk oordeel te geven over de betwiste rechtmatigheid van een besluit. Het beroep is ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73, geldigheid: 2002-06-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/278

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: AWB 99/9730

Datum uitspraak: 11 juni 2002

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1968,

en

B,

geboren op [...]1969,

van Afghaanse nationaliteit,

eisers,

gemachtigde mr. P.J. de Bruin,

tegen

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie en Naturalisatiedienst),

verweerder,

gemachtigde mr. G.M.H. Hoogvliet.

Het procesverloop

Op 28 november 1997 hebben eisers aanvragen om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf gedaan. Bij besluiten van 15 juni 1998 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd. Wel is aan eisers een voorwaardelijke vergunning tot verblijf verleend met ingang van 28 november 1997.

Eisers hebben daartegen bij bezwaarschrift van 22 juli 1998 bezwaar gemaakt. Op 30 maart 1999 zijn eisers gehoord door een ambtelijke commissie. Bij besluiten van 16 september 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 15 oktober 1999 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze besluiten.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 21 november 2001. De enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft op 30 november 2001 het onderzoek heropend en het beroep ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar de meervoudige kamer.

Openbare behandeling van het beroep door de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden ter zitting van 10 april 2002. Eisers zijn daarbij niet verschenen, maar vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De vaststaande feiten

1. Nadat eisers gedurende drie achtereenvolgende jaren in Nederland hun hoofdverblijf hebben gehad op grond van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf, is hun op grond van artikel 13a van de Vreemdelingenwet zoals die gold tot 1 april 2001 (hierna: de Vw), een vergunning tot verblijf zonder beperkingen verleend, geldig tot 28 november 2001. Vervolgens zijn eisers in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000).

De omvang van het geschil

2. Na de verlening van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen is het geschil beperkt tot de vraag of eisers vluchteling zijn in de zin van het Vluchtelingenverdrag en als zodanig toegelaten hadden moeten zijn op grond van artikel 15 van de Vw.

De ontvankelijkheid van het beroep

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers in deze procedure geen rechtens te honoreren belang meer hebben bij een rechterlijke uitspraak. Verweerder voert daartoe aan dat aan eisers met ingang van 28 november 2000 op grond van artikel 13a van de Vw een vergunning tot verblijf zonder beperkingen is verleend. Op de datum van inwerkingtreding van de Vw 2000 wordt deze vergunning ingevolge artikel 115, vierde lid, van de Vw 2000 van rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Eisers procederen in de onderhavige procedure voor een vluchtelingenstatus. Indien eisers voor 1 april 2001 zouden zijn toegelaten als vluchteling dan zou deze toelating op de voet van artikel 115, zevende lid, van de Vw 2000 eveneens zijn omgezet in een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. De materiële uitkomst van de procedure heeft derhalve geen effect op de aan eisers vanaf 1 april 2001 toekomende verblijfstitel.

4. Eisers betwisten verweerders standpunt en zijn van mening dat zij belang hebben bij een rechterlijke uitspraak over de bestreden besluiten omdat die besluiten onrechtmatig zijn en zij verweerder aansprakelijk stellen voor de schade die zij als gevolg van die onrechtmatige besluiten hebben geleden. Eisers verzoeken de rechtbank verweerder, onder gegrondverklaring van het beroep, op grond van artikel 8:73 van de Awb, te veroordelen tot vergoeding van vermogensschade en immateriële schade. De vermogensschade bestaat volgens eisers uit het verschil tussen het bedrag gelijk aan de uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) waarop zij aanspraak zouden hebben gehad indien verweerder niet onrechtmatig zou hebben beslist, en de uitkering en de op geld waardeerbare voorzieningen die zij feitelijk genoten hebben.

5. Het is vaste jurisprudentie dat een bestuursorgaan tegenover een belanghebbende een onrechtmatige daad pleegt indien het een besluit heeft genomen dat door de rechter wordt vernietigd wegens strijd met een geschreven dan wel een ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel. Met het uitspreken van die vernietiging is de schuld van het bestuursorgaan, zoals bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk wetboek (BW), in beginsel gegeven. Ook als het bestuursorgaan geen enkel verwijt treft, dient er vanuit te worden gegaan dat deze onrechtmatige daad in beginsel voor rekening van dat bestuursorgaan komt.

6. Een vordering tot schadevergoeding vormt in beginsel een voldoende belang om een rechterlijk oordeel te geven over de betwiste rechtmatigheid van een besluit. Dit is slechts anders indien de vordering tot schadevergoeding nimmer toegewezen zal kunnen worden. Verweerder is, onder verwijzing naar artikel 6:163 van het BW, van mening dat de vordering van eisers nimmer toegewezen kan worden omdat de Vreemdelingenwet niet strekt tot bescherming van hun vermogensrechtelijke belangen. Daarbij heeft verweerder voorts gewezen op de uitspraken van deze rechtbank welke zijn gepubliceerd in JV 2000/86 en JV 2001/183.

7. De rechtbank deelt laatstgenoemd standpunt van verweerder niet. Immers met de vernietiging van een besluit is gegeven dat het bestuursorgaan onrechtmatig tegenover de belanghebbende heeft gehandeld en dat het bestuursorgaan verplicht is de schade die de belanghebbende daardoor lijdt, te vergoeden. De stelling van verweerder dat in gevallen als het onderhavige op grond van artikel 6:163 van het BW nimmer een verplichting tot schadevergoeding bestaat omdat de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen vermogensschade, is in zijn algemeenheid onjuist. Artikel 15 van de Vw strekt tot bescherming van het belang van de aanvrager van de verblijfsvergunning, namelijk het geldend maken van de rechten die zijn neergelegd in het Vluchtelingenverdrag. Deze rechten omvatten onder meer het recht om niet uitgezet of teruggeleid te worden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden, zoals omschreven in artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag, en het recht om, wat betreft de ondersteuning en bijstand van overheidswege ter voorziening in het levensonderhoud, op dezelfde wijze als onderdanen te worden behandeld, zoals neergelegd in artikel 23 van het Verdrag. Deze rechten zijn nader uitgewerkt in nationale wetgeving, zoals de Vreemdelingenwet en de Abw. Daarbij is, gelet op de artikelen 8c en 1b van de Vw en artikel 7 van de Abw, het besluit dat op grond van de Vreemdelingenwet wordt genomen bepalend voor het recht op een uitkering op grond van de Abw. Verweerders standpunt dat er, bij een onrechtmatig besluit ter zake van de toelating als vluchteling tot Nederland, op grond van artikel 6:163 van het BW nimmer sprake kan zijn van een verplichting tot vergoeding van vermogensschade, berust aldus op een onjuiste uitleg van die bepaling.

8. Gelet op het voorgaande hebben eisers belang bij een rechterlijke beoordeling van de bestreden besluiten en is het beroep ontvankelijk. De overige argumenten van eisers om hun procesbelang aan te tonen kunnen derhalve buiten bespreking blijven.

De beoordeling

9. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank de bestreden besluiten - de motivering waarop deze besluiten berusten daaronder begrepen - te toetsen aan de hand van de tegen die besluiten aangevoerde beroepsgronden. Behoudens eventuele toepassing van artikel 83 van de Vw 2000 zal getoetst worden aan het ten tijde van die besluiten geldende recht.

9. Op grond van artikel 15 van de Vw in samenhang met artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

10. Vooropgesteld moet worden, dat niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Afghanistan zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling behoren te worden aangemerkt. Derhalve zal aannemelijk moeten zijn, dat met betrekking tot eisers persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan waardoor zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.

11. Eisers stellen dat zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging van de zijde van de Hezbe Islami en de Taliban vanwege het lidmaatschap van eiser van de jeugdafdeling van de Democratische Volkspartij van Afghanistan (DVPA). Op 29 april 1996 heeft eiser een dreigbrief van de Hezbe Islami ontvangen, waarna eisers zijn ondergedoken bij een oom. Op 6 september 1997 heeft de Taliban een huiszoeking gedaan in de ouderlijke woning van eiser, waarbij zijn vader is meegenomen en gedood, omdat foto’s en een lidmaatschapskaart van de jeugdafdeling van de DVPA van eiser in de woning waren aangetroffen.

12. Verweerder is van mening dat de vervolgingsvrees voor de Hezbe Islami en later de Taliban vanwege het lidmaatschap van eiser van de jeugdafdeling van de DVPA niet aannemelijk is geworden. Hun vrees voor vervolging is grotendeels gebaseerd op vermoedens zonder dat zij concreet kunnen aangeven waar deze vermoedens op zijn gebaseerd.

13. De rechtbank is van oordeel dat de tegen de bestreden besluiten aangevoerde gronden geen doel treffen. In verband met eisers lidmaatschap van de jeugdafdeling van de DVPA is van belang dat eiser tot 1990 lid is geweest, nimmer lid is geworden van de volwassenafdeling van de DVPA en na 1990 geen activiteiten meer heeft verricht voor de DVPA. Blijkens de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van 4 maart 1998, 3 november 1998 en 16 september 1999, hebben personen die enkel lid zijn geweest van de DVPA en nadien geen „anti-islamitisch“ gedrag tentoonspreiden weinig te vrezen van de zijde van de Taliban. Dit kan anders liggen voor personen die tot de top van de DVPA hebben behoord, maar vaststaat dat eiser daar niet toe behoort. Eiser heeft slechts marginale activiteiten verricht voor de jeugdafdeling van de DVPA. In eisers geval bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat in hun geval, anders dan op grond van voormelde algemene informatie kan worden aangenomen, wel gegronde vrees voor vervolging bestaat. Over de huiszoeking heeft eiser immers wisselende verklaringen afgelegd, waardoor getwijfeld wordt aan de aannemelijkheid daarvan; daarbij is mede in aanmerking genomen de neutrale positie van eisers vader die in het verleden nooit problemen heeft gehad met de Taliban. Daarenboven hebben eisers niet aannemelijk kunnen maken dat de gestelde dood van eisers vader verband hield met het lidmaatschap van eiser van de jeugdafdeling van de DVPA.

14. Ten aanzien van de gestelde vervolgingsvrees voor de Hezbe Islami overweegt de rechtbank dat de dreigbrief van 29 april 1996 geen aanleiding heeft gevormd voor eisers om Afghanistan te verlaten. Bovendien zijn de Hezbe Islami na de machtsovername van de Taliban geen feitelijke machthebbers meer, zodat niet aannemelijk is dat eisers van die zijde voor vervolging te vrezen hebben.

15. Uit het voorgaande volgt, dat eisers geen vluchteling zijn, zodat zij niet als zodanig kunnen worden toegelaten.

16. Het beroep van eisers op schending van de redelijke termijn van artikel 6 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) kan niet slagen, nu artikel 6 van het EVRM niet van toepassing is op procedures die betrekking hebben op de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen (zie ABRvS, 24 januari 2002, NAV 2002/92).

17. Het beroep is derhalve ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding zal dan ook worden afgewezen.

18. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht of veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank;

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. C. Lely-van Goch, W.P.C.G. Derksen en J.J. Catsburg en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2002 in tegenwoordigheid van mr. H. Siragedik als griffier.

de griffier de voorzitter

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden: 14 juni 2002