Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE4373

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-06-2002
Datum publicatie
19-06-2002
Zaaknummer
01/1041
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

8/B

rolnummer : 01.1041

datum vonnis : 5 juni 2002

RECHTBANK ´s-GRAVENHAGE,

sector civiel recht - meervoudige kamer B.

Vonnis in de zaak met bovenvermeld rolnummer van :

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur : mr.N.A.de Leeuw,

tegen

de Staat der Nederlanden (ministerie van justitie),

zetelend te ´s-Gravenhage,

gedaagde,

procureur : mr.W.Heemskerk.

Partijen zullen hierna aangeduid worden als [eiser] en de Staat.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken van het geding, te weten :

- de conclusie van eis overeenkomstig de dagvaarding van 16 maart 2001, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de conclusie van repliek tevens wijziging/aanvulling van grondslag van eis, met producties;

- de conclusie van dupliek.

1. De feiten :

1.1. [betrokkene] heeft op 19 juni 1999 bij de politie regio Limburg Zuid aangifte gedaan van diefstal van haar personenauto, een grijze Mercedes 300 met het kenteken [nummer].

1.2. De Mercedes met kentekenbewijs deel I, overschrijvingsbewijs en sleutels is op 1 juli 1999 te Lelystad door een hoofdagent van politie van de politie Flevoland in beslag genomen onder [eiser].

1.3. Op een door [eiser] bij de arrondissementsrechtbank te Zwolle ingediend klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) strekkende tot opheffing van het beslag en het geven van een last tot teruggave van de Mercedes aan [eiser] heeft deze rechtbank bij beschikking van 21 september 1999 het beklag ongegrond geoordeeld.

1.4. Namens [betrokkene] is op 26 augustus 1999 bij de arrondissementsrechtbank te Maastricht een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv ingediend gericht tegen de inbeslagneming en het voortduren van het beslag. Dit klaagschrift is op 22 december 1999 behandeld. [eiser] was omtrent de indiening van dit klaagschrift niet in kennis gesteld, hem was geen afschrift daarvan gezonden en hem was niet meegedeeld dat ook hij een klaagschrift in kon dienen. Ook was [eiser] niet aanwezig bij de behandeling in raadkamer van het klaagschrift. De rechtbank te Maastricht heeft bij beschikking van 22 december 1999 het beklag van [betrokkene] gegrond geacht en aan de bewaarder last tot teruggave van de Mercedes aan [betrokkene] gegeven.

1.5. De officier van justitie bij de arrondissementsrechtbank te Maastricht heeft op 24 januari 2000 de bewaarder verzocht overeenkomstig de beschikking van 22 december 1999 de Mercedes aan [betrokkene] terug te geven. De bewaarder heeft op 26 januari 2000 de Mercedes aan [betrokkene] teruggegeven.

1.6. De officier van justitie te Maastricht heeft op 27 juni 2000 aan de advocaat van [eiser] geschreven :

"Er is nog geen beslissing genomen over een eventuele vervolging van uw cliënt, de heer [eiser].

Wel is besloten de Mercedes terug te geven aan mevrouw [betrokkene], aangezien de auto reeds is verkocht door de Dienst der Domeinen is in deze sprake van de waarde van de betreffende auto.

Uw cliënt kan binnen 14 dagen na dagtekening van dit schrijven bezwaar aantekenen bij de Griffie van de Rechtbank te Maastricht. Als hij dat doet, verzoek ik hem om de eigendomspapieren mee te (laten) brengen naar de requestenkamer zitting".

1.7. Namens [eiser] is vervolgens op 7 juli 2000 bij de griffie van de arrondissementsrechtbank te Maastricht een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv ingediend. Dit klaagschrift is op 26 september 2000 door de raadkamer van die rechtbank behandeld; daarbij zijn [eiser], diens advocaat en [betrokkene] gehoord. De raadkamer heeft bij beschikking van 26 september 2000 het klaagschrift niet ontvankelijk verklaard, waarbij is overwogen :

"Ter zitting is, na verklaring hieromtrent door belanghebbende [betrokkene], gebleken dat reeds bij beschikking d.d.22 december 1999 van de enkelvoudige raadkamer in het arrondissement Maastricht voornoemde auto aan belanghebbende mw.[betrokkene], toen klaagster ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering is teruggegeven.

De rechtbank is van oordeel dat, nu reeds op 22 december 1999 is beslist tot teruggave van de auto en de auto alsdan ook reeds aan de belanghebbende [betrokkene] werd teruggegeven, klager, die overigens, zoals gebleken uit de stukken, indertijd abusievelijk niet als belanghebbende werd opgeroepen, niet-ontvankelijk moet worden geacht in zijn klaagschrift".

2. De vorderingen en het verweer :

2.1. [eiser] vordert een verklaring voor recht dat door de Staat jegens hem een onrechtmatige daad is gepleegd, althans in strijd met artikel 6 van het EVRM is gehandeld en veroordeling aan hem te voldoen een bedrag van ƒ.18.000,=, te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten.

Hij legt aan die vorderingen ten grondslag dat de Staat jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld doordat de officier van justitie bij de arrondissementsrechtbank te Maastricht en/of de arrondissementsrechtbank te Maastricht jegens hem onrechtmatig hebben gehandeld.

Daartoe voert [eiser] aan :

a. dat de rechtbank te Maastricht bij beschikking van 22 december 1999 ten onrechte het beklag van [betrokkene] gegrond heeft geacht, omdat die rechtbank daartoe niet bevoegd was;

b. dat die rechtbank bij die beschikking ten onrechte heeft geconcludeerd dat op dat moment de identiteit van de verdachte bij justitie niet bekend was;

c. dat die rechtbank niet voldaan heeft aan het bepaalde in artikel 552a, vierde lid, Sv, namelijk dat de griffier onverwijld aan [eiser] een afschrift van het klaagschrift diende te zenden en hem diende mede te delen dat hij een klaagschrift in kon dienen, tengevolge waarvan er schending heeft plaatsgevonden van artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en/of fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd, waaronder het beginsel van hoor en wederhoor. Ook heeft de Staat gehandeld in strijd met het eigendomsrecht van [eiser].

[eiser] is door een fout van het openbaar ministerie danwel van de rechtbank te Maastricht niet op de hoogte gesteld van de indiening van het klaagschrift, de daarop gevolgde zitting en de gegeven beschikking.

2.2. De Staat voert gemotiveerd verweer.

3. De beoordeling van het geschil :

3.1. De rechtbank stelt voorop dat voor de beoordeling van het geschil van belang is of voor [eiser] tegen de beschikking van de raadkamer van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 22 december 1999 beroep in cassatie heeft opengestaan of openstaat. Als dat het geval is, dient de rechtbank van de rechtmatigheid van die beschikking uit te gaan, als dat rechtsmiddel niet is aangewend, onderscheidenlijk zolang dat rechtsmiddel niet tot vernietiging van de beschikking heeft geleid.

3.2. Volgens de tekst van artikel 552d Sv dient een ingevolge artikel 552a Sv gegeven beschikking aan de klager betekend te worden en kan tegen een dergelijke beschikking beroep in cassatie ingesteld worden door het openbaar ministerie en door de klager.

3.3. Door de Hoge Raad is in diens beschikking van 23 juni 1987, NJ 1988, 43 onder meer het volgende overwogen :

"5.3.3. Het wettelijk systeem -blijkende uit het eerste en het derde lid van art.118 Sv- volgens hetwelk het voorwerp aan de beslagene moet worden teruggegeven zodra het belang van de strafvordering de voortduring van het beslag niet langer vordert en dat teruggave aan een ander dan de beslagene niet kan geschieden zonder dat laatstgenoemde van het voornemen daartoe in kennis gesteld wordt en desgewenst zijn standpunt aan de rechter kan voorleggen, brengt voorts mede dat -hoewel een wettelijk voorschrift daartoe ontbreekt- de Rb. in een zodanig geval niet kan oordelen zonder de beslagene in de gelegenheid te stellen te worden gehoord".

3.4. Door de Hoge Raad is in diens beschikking van 15 februari 1994, NJ 1994, 476 onder meer het volgende overwogen :

"4.1. Te dezen doet zich het geval voor dat het Openbaar Ministerie het derde lid van art.118 Sv buiten toepassing heeft gelaten terwijl een ander dan de beslagene, stellende dat hem het inbeslaggenomen voorwerp in eigendom toebehoort, zich bij de Rechtbank beklaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave aan hem.

4.2.1. Tot de aan de Hoge Raad toegezonden stukken behoren processtukken in de strafzaak tegen de persoon onder wie het voorwerp in kwestie inbeslaggenomen is, in welke stukken het adres van deze persoon wordt vermeld terwijl uit niets kan blijken dat bedoelde persoon afstand heeft gedaan van het inbeslaggenomen voorwerp. Derhalve moet worden aangenomen dat te dezen de eerste volzin van het vierde lid van art.552a Sv van toepassing is zoals deze luidt sinds de inwerkingtreding op 1 januari 1992 van de Wet van 28 december 1989, Stb.616. Uit niets blijkt dat de Rechtbank een afschrift van het klaagschrift aan meergenoemde persoon heeft toegezonden onder mededeling dat hij zijnerzijds ook een klaagschrift kan indienen. Derhalve moet worden aangenomen dat de Rechtbank de eerste volzin van het vierde lid van art.552a Sv verzuimd heeft na te leven. Dit verzuim moet tot nietigheid van de bestreden beslissing leiden.

4.2.2. Bovendien kan uit het proces-verbaal van het onderzoek door de Raadkamer van 8 juli 1993 naar aanleiding van het beklag niet blijken dat de persoon onder wie het beslag is gelegd is gehoord, terwijl zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken ook geen oproeping van deze persoon bevindt. Het moet er daarom voor worden gehouden dat deze persoon niet in de gelegenheid is gesteld door de Raadkamer te worden gehoord. Op de gronden als vervat in ´s Hogen Raads beschikking van 23 juni 1987, NJ 1988, 43 -welke gronden ook na de invoering van de hiervoren genoemde wet, waarbij de eerste volzin van het vierde lid van art.552a Sv is komen te luiden zoals deze thans luidt, onverminderd gelden- leidt ook dit verzuim tot nietigheid van de bestreden beschikking".

3.5. Door de Hoge Raad is in diens beschikking van 15 februari 1994, NJ 1994, 689 onder meer het volgende overwogen beslist :

"4.4. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de op 1 maart 1993 in werking getreden Wet van 10 december 1992, Stb.1993, 11, waarbij -naast andere wijzigingen- aan het vierde lid van art.552a Sv de tweede volzin is toegevoegd, houdt onder "De procespositie van derden" onder meer in (Kamerstukken II 1989/1990, 21504 nr.3, blz.46) :

"De ondergetekende stelt voor (...) voor te schrijven dat door de griffier op last van de voorzitter van het gerecht dat tot afdoening bevoegd is, ook anderen die als belanghebbenden ter zake van het beslagen voorwerp waarop de klacht betrekking heeft gelden, worden geïnformeerd en in de gelegenheid worden gesteld te worden gehoord of zelf een klaagschrift in te dienen. De informatie op grond waarvan de voorzitter van het gerecht kan bepalen te wier aanzien hij een last tot de griffier zal richten, zal deze echter niet uit eigen waarneming bezitten; hij zal afhankelijk zijn van de naspeuringen die de officier van justitie in dezen ingevolge het voorgestelde art.552ca zal hebben verricht."

4.5. Het wettelijk systeem brengt mitsdien mee dat op het gerecht de plicht rust om, alvorens op een klaagschrift als bedoeld in art.552a Sv te beslissen, aan de hand van de hem ter beschikking staande gegevens na te gaan of een of meer anderen dan de klager als belanghebbend moet(en) worden aangemerkt, in welk geval het gerecht niet de teruggave van het in beslag genomen voorwerp aan de beslagene mag gelasten zonder dat die belanghebbende(n) -indien zijn/hun adres bekend is/zijn- in de gelegenheid is/zijn gesteld om te worden gehoord en om desgewenst zelf een klaagschrift in te dienen".

3.6. Door de Hoge Raad is in diens beschikking van 28 november 1995, NJ 1996, 383 onder meer het volgende overwogen :

"7.1. Het wettelijk systeem brengt mee dat op het gerecht de plicht rust om, alvorens op een klaagschrift als bedoeld in art.552a Sv te beslissen, aan de hand van de hem ter beschikking staande gegevens na te gaan of een of meer anderen dan de klager als belanghebbend moet(en) worden aangemerkt, in welk geval het gerecht niet de teruggave van het in beslag genomen voorwerp aan de beslagene mag gelasten zonder dat die belanghebbende(n) -indien zijn/hun adres(sen) bekend is/zijn- in de gelegenheid is/zijn gesteld om te worden gehoord en om desgewenst zelf een klaagschrift in te dienen (HR 15 februari 1994, NJ 1994, 689)".

3.7. Door de Hoge Raad is in diens beslissing van 3 december 1996, NJ 1997, 387 onder meer het volgende overwogen :

"5.1. De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 12 april 1995 tot wijziging van enige bepalingen in het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten inzake de bewaring en teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen (Stb.254), waarbij onder meer art.116, derde lid (nieuw), Sv in het Wetboek is opgenomen, houdt onder meer in (Kamerstukken II, 1993-1994, 23 692, nr.3, blz.3) :

"Dit wetsvoorstel is er niet op gericht de regeling van bewaring en teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen op wezenlijk andere leest te schoeien. Wel wordt op de uitgangspunten een belangrijke nuance aangebracht : ik ben van oordeel dat in de bestaande regeling onvoldoende rekening wordt gehouden met de belangen van rechthebbenden-anderen dan de beslagene (...)."

5.2. Bij art.116, derde lid (nieuw), in verbinding met het tweede lid onder a (nieuw), Sv is aan de officier van justitie -behoudens beklag door de beslagene- de bevoegdheid verleend om een inbeslaggenomen voorwerp te doen teruggeven aan een ander dan degene bij wie het is inbeslaggenomen indien die ander redelijkerwijze als rechthebbende kan worden aangemerkt. Bij de tweede in genoemd derde lid voorkomende volzin is op het beklag Titel IX van het Vierde Boek van overeenkomstige toepassing verklaard.

5.3. Mede gelet op het hiervoren onder 5.1 overwogene dient art.116, derde lid, tweede volzin (nieuw), Sv aldus te worden verstaan,

(A) dat het bij art.552d, eerste lid, Sv gegeven voorschrift tot onverwijlde betekening van een ingevolge art.552a Sv gegeven beschikking tevens noopt tot onverwijlde betekening daarvan aan de hiervoren onder 5.1 bedoelde "ander" aan wie de officier van justitie mededeling heeft gedaan van zijn voornemen tot teruggave van het voorwerp aan hem; en

(b) dat de bij art.552d, tweede lid, Sv aan de klager gegeven bevoegdheid, om tegen een ingevolge art.552a Sv gegeven beschikking binnen veertien dagen na de betekening daarvan cassatieberoep in te stellen, tevens toekomt aan de "ander", bedoeld onder (A).

5.4. Gelet op het evenoverwogene vloeit uit de stukken van het geding voort dat M. in zijn cassatieberoep ontvankelijk is.

6. Ambtshalve beoordeling van de bestreden beschikking

Uit de stukken kan niet blijken dat de hiervoren onder 4 sub G bedoelde oproeping is verzonden aan M. aan het adres waarop deze blijkens mededeling door de afdeling bevolking van de gemeente Houten stond ingeschreven. Het moet er mitsdien voor worden gehouden dat zulks niet is geschied, en dat derhalve het voorschrift vervat in art.552a, vierde lid, tweede volzin, Sv -ingevolge art.116, derde lid, laatste volzin, Sv te dezen van overeenkomstige toepassing- niet is nageleefd. Dit verzuim moet tot nietigheid van de bestreden beschikking leiden".

3.8. De rechtbank trekt de door de Hoge Raad in voormelde beschikkingen uitgezette lijnen aldus door, dat uit het daar beschreven systeem van de wet volgt dat het bij artikel 552d, tweede lid, Sv aan de klager gegeven bevoegdheid om tegen een ingevolge artikel 552a Sv gegeven beslissing casssatieberoep in te stellen mede toekomt aan degene onder wie het inbeslaggenomen voorwerp in beslag is genomen. Niet valt immers in te zien waarom degene onder wie een voorwerp in beslag is genomen minder bescherming zou genieten dan de in de rechtsoverweging 5.3 van de hiervoor onder 3.7. vermelde beschikking bedoelde "ander".

3.9. Nu voor [eiser] beroep in cassatie openstond of openstaat en voormelde beschikking van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 22 december 1999 (nog) niet is vernietigd, dient de rechtbank (evenals de arrondissementsrechtbank te Maastricht bij haar op 26 september 2000 gegeven oordeel over het klaagschrift van [eiser]) van de rechtmatigheid van die beschikking uit te gaan. De vorderingen van [eiser] dienen daarom te worden afgewezen.

3.10. Hoewel de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen, vindt de rechtbank in de omstandigheid dat [eiser] tot de onderhavige procedure is gebracht door onsamenhangend en onduidelijk optreden zijdens de Staat aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren.

4. De beslissing :

De rechtbank :

wijst de vorderingen van [eiser] af;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mrs R.A.C.van Rossum, J.Kramer en A.V.van den Berg en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juni 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.