Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE4371

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-01-2002
Datum publicatie
19-06-2002
Zaaknummer
00/3207
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJK 2002, 13

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector civiel recht - kamer C

Vonnis in de zaak met rolnummer 00/3207 van:

1. [eiser1],

2. [eiser2] (echtgenote van [eiser1]),

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur: mr. G.L. Gijsberts,

tegen

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging

het NEDERLANDSE BUREAU DER MOTORRIJTUIGVERZEKERAARS,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur: mr. H.C. Grootveld.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stuk-ken.

RECHTSOVERWEGINGEN

Feiten

1.1 Op 21 februari 1996 heeft op Rijksweg A16 in de provincie Noord-Brabant een aanrijding plaatsgevonden tussen de auto van eisers en een Franse auto, met een Franse bestuurder. Door de aanrijding hebben eisers (lichamelijk) letsel opgelopen en is hun 3-jarig zoontje op de plek van het ongeval overleden.

1.2 Gedaagde, verder te noemen het NBM, is (als Nederlandse vertegenwoordiger van de Franse WAM-verzekeraar) op 19 maart 1996 aansprakelijk gesteld (ex art. 2 WAM) voor de schade als gevolg van de aanrijding.

1.3 Het NBM heeft geweigerd een aantal gevorderde schadeposten te vergoeden.

Vordering, grondslag en verweer

2.1 Eisers vorderen bij vonnis een verklaring voor recht, welke uit de volgende onderdelen bestaat:

primair: dat jegens hen onrechtmatig is gehandeld (art. 6:162 BW) en dat het NBM gehouden is de schade te vergoeden;

secundair: dat het NBM gehouden is de kosten van huishoudelijke hulp te vergoeden mocht in de toekomst een beroep worden gedaan op een thuiszorginstelling op basis van een indicatiestelling en dat het NBM gehouden is een passende vergoeding toe te kennen voor de familieleden (van eisers) welke de huishoudelijke hulp nu voor hun rekening nemen;

meer secundair: dat het NBM gehouden is eisers elk een bedrag van ƒ 30.000,-- te vergoeden als immateriële schadevergoeding voor shockschade doordat beide eisers van dichtbij geconfronteerd zijn geweest met de dood van hun zoontje en

voorts: dat het NBM gehouden is te vergoeden het verlies aan inkomsten door verlies van arbeidsvermogen van eiser sub 1;

met veroordeling van het NBM in de kosten van deze procedure.

2.2 Eisers baseren hun vordering op het navolgende. De aanrijding is veroorzaakt door de bestuurder van de Franse auto. Het NBM is ex art. 2 WAM voor de gevolgen hiervan aansprakelijk. Eiser sub 1 is als gevolg van het ongeval enige maanden arbeidsongeschikt geweest en vordert het verlies van verdienvermogen omdat hij een promotie heeft misgelopen. Eiseres sub 2 heeft bij de aanrijding letsel opgelopen en de blijvende functionele invaliditeit is vastgesteld op 7% van de gehele mens; zij heeft hierdoor huishoudelijke hulp nodig. Eisers vorderen ieder voor zich shockschade ex art. 6:106 BW omdat zij bij de aanrijding geconfronteerd zijn met hun overleden zoontje die op het wegdek lag. Deze confrontatie heeft zo'n impact op eisers dat er sprake is van shockschade.

2.3 Door het NBM is de aansprakelijkheid voor het ongeval niet betwist, doch het NBM bestrijdt dat zij gehouden is tot vergoeding van de gevorderde schadeposten.

Beoordeling

Aansprakelijkheid

3.1 Nu tussen partijen vaststaat dat de bestuurder van de Franse auto jegens eisers onrechtmatig heeft gehandeld en de aansprakelijkheid door het NBM niet betwist wordt zal de primaire vordering niet toegewezen worden bij gebrek aan belang van eisers bij toewijzing van dit onderdeel van de vordering, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen betreffende de gevorderde schadeposten.

Kosten huishoudelijke hulp

3.2 Gezien de stellingen van partijen en de overgelegde stukken staat het navolgende vast. Volgens eisers is ingevolge de verschillende rapportages van 16 september 1998 en van 17 december 1998, de blijvende functionele invaliditeit van eiseres sub 2 vastgesteld op 7% van de gehele mens. Door het Regionaal Indicatie Orgaan Dordrecht is de behoefte aan huishoudelijke hulp vastgesteld op 4 uren per week. Tot op heden is door eisers geen gebruik gemaakt van huishoudelijke hulp van een thuiszorginstelling (op grond van de indicatiestelling), doch wordt de huishoudelijke hulp binnen de familiekring opgevangen. Eisers sluiten echter niet uit dat in de (nabije) toekomst toch een beroep wordt gedaan op de hulp van een thuiszorginstelling.

Het NBM betwist gehouden te zijn tot vergoeding van (toekomstige) kosten van huishoudelijke hulp, nu er tot op heden geen daadwerkelijke kosten zijn gemaakt en er enkel op basis van concreet geleden schade tot uitkering behoeft te worden overgegaan. Voorts betwist het NBM dat er behoefte is aan 4 uren huishoudelijke hulp per week; het NBM acht 2 uren per week alleszins redelijk.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

3.3 Op grond van art. 6:97 BW begroot de rechter de schade op de wijze die het meest in overeenstemming is met de aard van de schade. Dit betekent dus dat er naast concrete schadeberekening ook in het onderhavige geval plaats is voor abstracte schadeberekening (vgl. HR 28 mei 1999, NJ 1999, 564). Om hun moverende redenen hebben eisers nog geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid van huishoudelijke hulp via een thuiszorginstelling en worden zij momenteel met het huishouden geholpen door familie. De rechtbank gaat er van uit, gezien de stellingen en overgelegde stukken, dat eiseres sub 2 de zorg draagt voor het huishouden en onbetwist staat vast dat er bij haar sprake is van 7% functionele invaliditeit. Weliswaar is niet door een arbeidsdeskundige vastgesteld wat de behoefte van eiseres sub 2 is aan huishoudelijke hulp (waarbij de rechtbank terzijde opmerkt dat een indicatieorgaan bij het bepalen van de behoefte aan huishoudelijke hulp óók de hulp van de gezins- en familieleden betrekt, zodat de indicatiestelling in het algemeen lager zal uitvallen), doch het NBM betwist niet dát er (enige) behoefte is aan huishoudelijke hulp. De betwisting van het NBM dat er geen sprake is van behoefte aan 4 uren huishoudelijke hulp per week, is door het NBM onvoldoende feitelijk onderbouwd (mede gezien de vaststaande 7% functionele invaliditeit) zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat. Gezien het voorgaande zal de rechtbank het eerste onderdeel van de secundaire vordering toewijzen.

De vraag die thans nog rest is of het NBM gehouden is voor de hulp van de familieleden een passende vergoeding te geven. De rechtbank vermag niet in te zien dat nu vast staat dat er concrete behoefte bestaat aan huishoudelijke hulp zoals vastgesteld door het indicatieorgaan, maar deze hulp door familieleden wordt gegeven, het NBM zou ontslaan van haar vergoedingsplicht. Een redelijke vergoeding, op basis van bijvoorbeeld de tarieven in de thuiszorg voor huishoudelijke hulp, is naar het oordeel van de rechtbank op zijn plaats. De rechtbank merkt hierbij op dat deze vergoeding door het NBM enkel geldt voorzover er een indicatie voor huishoudelijke hulp is afgegeven. Dit alles leidt tot de conclusie dat ook het tweede onderdeel van de secundaire vordering kan worden toegewezen.

Shockschade

3.4 Uit de stellingen van eisers begrijpt de rechtbank dat zij de grondslag van hun vordering voor immateriële schadevergoeding baseren op art. 6:106 sub b BW, namelijk dat er sprake is van "aantasting van hun persoon". Zij stellen: "Het is een feit van algemene bekendheid dat het overlijden van een kind enorm ingrijpend is wat het hele verdere leven zijn gevolgen zal hebben zeker nu beide eisers de dood van hun zoon van dichtbij hebben meegemaakt". De rechtbank neemt als uitgangspunt, gezien zowel de parlementaire geschiedenis bij deze wetsbepaling als de jurisprudentie van de Hoge Raad (NJ 1997, 366 en NJ 1999, 145), dat er op grond van genoemde bepaling (aantasting in persoon) recht op schadevergoeding bestaat indien er sprake is van "geestelijk letsel" bij de gelaedeerde. Uit de parlementaire geschiedenis (PG Boek 6, MvA I op de Invoeringswet, p. 1274) blijkt verder dat de zogenaamde shockschade (dit is: "schade door een shock die het gevolg is van het waarnemen of geconfronteerd worden met een dodelijk ongeval") voor vergoeding ex art. 6:106 BW in aanmerking kan komen. Dat er sprake is van geestelijk letsel bij eisers wordt door het NBM betwist nu er geen stukken of rapporten (van een psychiater of psycholoog) zijn overgelegd waaruit dit zou blijken. De rechtbank gaat aan deze stelling voorbij nu als feit van algemene bekendheid kan worden aangenomen dat de confrontatie van ouders met hun bij een ongeval, waar zij ook zelf bij betrokken zijn, ter plaatse overleden 3-jarige kind, geestelijk letsel in de zin van genoemde wetsbepaling oplevert.

De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat de gevorderde immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Wat de hoogte van het gevorderde bedrag betreft slaat de rechtbank acht op de aard van de aansprakelijkheid, de aard van de overtreden norm en de aard van de schade. In casu is sprake van schending van een verkeersnorm, waarvoor het NBM aansprakelijk gehouden kan worden ex art. 6:162 BW jo art. 2 WAM en zijn de bij het ongeval betrokken ouders geconfronteerd met hun ter plaatse overleden kind. Al deze omstandigheden in aanmerking nemend stelt de rechtbank de schadevergoeding naar redelijkheid vast op elk ƒ 10.000,00 (€ 4.537,80).

Verlies arbeidsvermogen eiser sub 1

3.5 Door eiser sub 1 is tenslotte nog aangevoerd dat er als gevolg van het ongeval bij hem sprake is van een fors verlies aan inkomsten uit arbeid. Eiser sub 1 zou de dag na de aanrijding een hogere functie gaan vervullen, doch hij is enkele maanden arbeidsongeschikt geweest vanwege het ongeval. In plaats van hem is er een andere medewerker aangesteld in de functie die hij zou gaan uitoefenen. Tot op heden oefent hij nog steeds zijn oude functie uit. Eiser sub 1 onderbouwt zijn stelling met een verklaring van zijn werkgever d.d. 17 april 2000. Het NBM bestrijdt gehouden te zijn tot uitkering over te gaan tot vergoeding van het verlies aan inkomsten, mede gezien het (gesloten) stelsel van de artikelen 6:107-108 BW. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

3.6 Eiser sub 1 baseert zijn vordering uitdrukkelijk op eigen geleden schade ex art. 6:162 jo art. 6:96 BW (en niet op grond van art. 6:108 BW). Deze stelling heeft eiser sub 1 echter onvoldoende onderbouwd. Immers, in de hierboven genoemde verklaring van zijn werkgever wordt tot twee maal toe aangegeven dat eiser sub 1 "in februari 1996 niet benoemd [is] tot administratief medewerker vanwege het feit dat hij een aantal maanden uit de roulatie is geweest door het overlijden van zijn zoon" en dat hij "vanwege de persoonlijke omstandigheden (…) in verband met het verlies van zijn zoon, (…) hij dit carrièrepad niet [heeft] kunnen volgen."

Door eiser sub 1 zijn geen nadere feiten en omstandigheden gesteld waaruit afgeleid zou kunnen worden dat hijzelf als gevolg van het ongeval (en niet als gevolg van het overlijden van zijn zoon bij het ongeval) arbeidsongeschikt is geweest en daardoor de gestelde inkomensschade heeft geleden. Dit leidt er toe dat dit onderdeel van de vordering, door gebrek aan feitelijke onderbouwing, zal worden afgewezen.

3.7 Het NBM zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart voor recht dat het NBM jegens eiseres sub 2 gehouden is de kosten van huishoudelijke hulp te vergoeden mocht in de toekomst een beroep worden gedaan op een thuiszorginstelling op basis van een indicatiestelling;

- verklaart voor recht dat het NBM jegens eiseres sub 2 gehouden is een passende vergoeding toe te kennen voor de familieleden van eisers welke de huishoudelijke hulp nu voor hun rekening nemen;

- verklaart voor recht dat het NBM gehouden is eisers een bedrag van elk € 4537,80 te vergoeden als immateriële schadevergoeding voor shockschade;

- veroordeelt het NBM in de kosten van dit geding, die aan de zijde van eisers tot dusver in totaal worden begroot op € 999,51 en veroordeelt het NBM mitsdien om te voldoen:

a. aan de griffier van deze rechtbank:

€ 29,50 voor kosten inleidende dagvaarding, exclusief b.t.w.,

€ 780,50 voor salaris van de procureur van eisers,

in totaal derhalve € 809,00, met welk bedrag de griffier zal dienen te handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 57b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering,

b. aan eisers:

€ 181,51 voor niet in debet gesteld griffierecht.

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.M. Willink, R.A. Dozy en G. Tangenberg en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 januari 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.