Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE3470

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-03-2002
Datum publicatie
05-06-2002
Zaaknummer
AWB 01/66078, 01/66079
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Onverwijld melden.

Verzoeker, van gestelde Kameroense nationaliteit, heeft zich niet onverwijld gemeld. Hij heeft eerst na circa drie maanden een asielaanvraag ingediend, nadat hij bij een poging tot uitreis is aangehouden wegens een vals paspoort. Blijkens de memorie van toelichting dient de jurisprudentie onder de oude Vw hierover zijn gelding te behouden onder de Vw 2000. Derhalve blijft het criterium voor onverwijlde melding 'omstreeks twee dagen'. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vreemdelingenwet 2000 1
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

zitting houdende te Dordrecht

__________________________________________________

UITSPRAAK

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 01/66078 en AWB 01/66079

Inzake : A, verzoeker, domicilie kiezend ten kantore van zijn gemachtigde, mr. P.J. Wapperom, advocaat te Dordrecht,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

te 's-Gravenhage,

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Verzoeker stelt de Kameroense nationaliteit te bezitten. Hij verblijft als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet2000 (Vw2000) in Nederland. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierop is door verweerder bij besluit van 5 december 2001 afwijzend beslist. Verweerder heeft verzoeker daarbij aangezegd Nederland binnen 24 uur te verlaten. Verzoeker heeft tegen dit besluit een beroepschrift ingediend, dat door de rechtbank is ontvangen op eveneens 5 december 2001.

2. Op 5 december 2001 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten, totdat op het beroep is beslist.

3. Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 15 maart 2002. Verzoeker is niet verschenen. Verweerder is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Ingevolge artikel 8:86 Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

3. Voor zover hier van belang luidt artikel 29 Vw 2000:

"1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;".

4. Voor zover hier van belang luidt artikel 1 Vw2000:

"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(...)

k. Vluchtelingenverdrag: het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76);

l. verdragsvluchteling: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn;".

5. Artikel 31, eerste lid Vw2000, luidt als volgt:

Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

6. Artikel 31, tweede lid aanhef en onder lid c en f Vw2000, luiden als volgt:

Bij het onderzoek naar de aanvraag wordt mede betrokken de omstandigheid dat:

..

c. de vreemdeling niet beschikt over een voor toegang tot Nederland vereist document voor grensoverschrijding, tenzij hij zich onverwijld onder opgave van de plaats waar of waarlangs hij Nederland is binnengekomen heeft vervoegd bij een ambtenaar, belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij asiel wenst;

..

f. de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen;

..

7. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, Vw2000 in samenhang met het tweede lid, onder c en f.

8. Verzoeker voert de navolgende grieven aan:

-hij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van documenten hem niet is toe te rekenen, althans verschoonbaar moet worden geacht.

-hij heeft heldere en consistente verklaringen afgelegd, met de nodige details doorspekt, hetgeen de geloofwaardigheid en aannemelijkheid van zijn verklaringen ten goede moet komen

-uit de stukken blijkt onder meer dat hij lid was van de SDF. Hij heeft pamfletten geschreven die op straat werden verspreid. Ongeacht zijn motieven moet worden vastgesteld dat verzoeker risicovolle werkzaamhedenheeft verricht, mede nu hij zijn naam onder deze teksten heeft gezet. Verzoeker heeft zeer gedetailleerd verklaard over de inhoud van de pamfletten. Naar aanleiding van de verspreiding van de pamfletten is de politie veelvuldig bij hem aan de deur geweest. Uit voorzorg heeft verzoeker tijdelijk op een ander adres verbleven. De teksten in de pamfletten werden steeds opruiender. Toen verzoeker zich in een café bevond vertelden vrienden hem dat de politie de kamer van verzoeker had doorzocht en naar verzoeker op zoek was. Verzoeker wist wat er met hem kon gebeuren als hij werd opgepakt, althans had dit in zijn omgeving waargenomen. Verzoeker is gevlucht toen hij bemerkte dat de situatie onhoudbaar was geworden.

9. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. De voorzieningenrechter onderschrijft het standpunt van verweerder in het bestreden besluit, dat geen sprake is van onverwijlde melding in zin van artikel 31, tweede lid sub c, Vw2000. Blijkens de Memorie van Toelichting is met dit artikellid geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de oude Vreemdelingenwet. Derhalve blijft de jurisprudentie over het gelijksoortige artikel 15b, eerste lid onder f, van de oude Vreemdelingenwet relevant. Deze jurisprudentie luidt dat, behoudens verschoonbare redenen, van onverwijlde melding geen sprake meer is bij melding na omstreeks twee dagen. Deze termijn is in casu ruimschoots overschreden en van verschoonbaarheid is niet gebleken. Verzoeker is Nederland ingereisd in augustus 2001 en hij heeft eerst een asielaanvraag ingediend op 12 november 2001, nadat hij was aangehouden omdat hij Nederland trachtte uit te reizen met een vals Frans paspoort. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker niet een deugdelijk heeft argument aangedragen waarom hem het ontbreken van papieren in de zin van artikel 31, tweede lid sub f, niet zou mogen worden toegerekend.

Voornoemde argumenten doen volgens verweerder ernstig afbreuk aan de geloofwaardigheid van het relaas van verzoeker. Omstandigheden om, anders dan verweerder, verzoeker niettemin in zijn relaas te volgen acht de voorzieningenrechter niet aanwezig. De voorzieningenrechter onderschrijft daartoe hetgeen door verweerder is gesteld in het bestreden besluit. Verweerder heeft daarin aangegeven dat het niet aannemelijk is dat verzoeker bereid was om grote risico's te nemen door opruiende teksten te schrijven, nu hij heeft verklaard dat hij slechts om economische redenen zich had aangesloten bij het SDF. Verweerder acht bovendien onaannemelijk dat verzoeker een fout zou hebben gemaakt door zijn naam te zetten onder de geschreven artikelen, nu van verzoeker verwacht mag worden in te zien wat de consequenties zijn van het schrijven van opruiende teksten. Daarnaast acht verweerder onaannemelijk dat verzoeker niet is ondergedoken indien het een fout van verzoeker was om zijn naam onder de artikelen te vermelden. Evenmin acht verweerder aannemelijk dat verzoeker thuis zou zijn gebleven nadat was gebleken dat de politie bij verzoeker aan de deur was geweest om hem te arresteren. Verweerder acht ook de reden waarom verzoeker is gevlucht - angst om dienst te moeten nemen in het leger teneinde te strijden tegen Nigeriaanse troepen- niet aannemelijk, omdat verzoeker nooit een oproep heeft ontvangen en hij zonder problemen te hebben ondervonden, heeft verbleven in Bakassi van mei 2001 tot ongeveer augustus 2001.

10. Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder terecht besloten heeft de uitzetting niet achterwege te laten. Nu voorts nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, wordt het beroep, met kenmerk AWB 01/66079, met toepassing van artikel 8:86 Algemene wet bestuursrecht ongegrond verklaard.

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht.

11. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de voorzieningenrechter niet gebleken.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep ongegrond;

2. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, en mr. W. van Moergastel, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2002.

afschrift verzonden op:

28 maart 2002.

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Men dient een afschrift van de uitspraak mee te zenden.