Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE3460

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-03-2002
Datum publicatie
31-05-2002
Zaaknummer
AWB 01/20992
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vvtv / contra-indicaties / bekendmaking beleid.

Aan eiser, een Afghaan, is een vvtv geweigerd omdat hij met een vrouw uit een van de de republieken van de voormalige Sovjet Unie is gehuwd. Deze specifieke contra-indicatie is opgenomen in werkinstructie 193. Werkinstructie 193 is komen te vervallen met de werkinstructie 220. Beide werkinstructies zijn nimmer met inachtneming van artikel 3:42, eerste lid, Awb bekendgemaakt.

Voormelde werkinstructies zijn niet gepubliceerd in de Staatscourant, of in een ander blad. Opname in het (ook) voor sommige derden toegankelijke gedeelte van het EDS-systeem van verweerder acht de rechtbank geen andere geschikte wijze van bekendmaking in de zin van artikel 3:42, eerste lid, Awb. Het EDS-systeem is immers geen openbaar systeem. Daaraan doet niet af dat de Stichtingen Rechtsbijstand Asiel, Amnesty International, VluchtelingenWerk en de griffies van de vreemdelingenkamers het voor derden toegankelijke gedeelte van EDS kunnen raadplegen en aan het gevondene ruchtbaarheid kunnen geven. Met de bedoelde werkinstructies is dit geschied overigens zonder de hier besproken specifieke contra-indicatie te vermelden.

Ingevolge artikel 4:84 Awb behoort een bestuursorgaan, behoudens toepasselijkheid van de inherente afwijkingsbevoegdheid, te handelen overeenkomstig de beleidsregel. Het rechtszekerheidsbeginsel staat eraan in de weg dat verweerder op structurele wijze een specifieke contra-indicatie gemengde huwelijken tegenwerpt die niet is opgenomen in een met inachtneming van artikel 3:42 Awb bekendgemaakt besluit tot wijziging c.q. aanvulling van de beleidsregel, nu dat nadeel oplevert voor de belanghebbenden.

Ten tijde van het bestreden besluit mocht verweerder de specifieke contra-indicatie gemengde huwelijken derhalve niet tegenwerpen. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:42
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/246
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: AWB 01/20992

Datum uitspraak: 16 maart 2002

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1961,

van Afghaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. G.E. Jans,

tegen

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

verweerder,

gemachtigde mr. D. Brugman.

Het procesverloop

Op 29 juli 1999 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Bij besluit van 7 januari 2000, bekendgemaakt op 21 februari 2000, heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan eiser geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen.

Eiser heeft daartegen bij bezwaarschrift van 16 maart 2000 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 27 maart 2001 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 20 april 2001 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen dit besluit.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 6 december 2001. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De standpunten van partijen.

1. Het vluchtrelaas van eiser komt op het volgende neer.

Eiser is afkomstig uit Afghanistan, waar hij tot 1991 in Kabul heeft gewoond. Vervolgens heeft eiser tot 1995 in Moskou verbleven om geschiedenis te studeren. Eind 1995 is eiser teruggekeerd naar Afghanistan. Hij was in Mazar-e-Sharif werkzaam op de universiteit, als verantwoordelijke voor de afdeling Communicatie en Documenten. Eind 1998 is eiser met zijn Russische echtgenote naar Kabul verhuisd omdat hij het in Mazar-e-Sharif niet meer veilig vond. In Kabul heeft hij tot juli 1999 gewoond. Daar heeft eiser met zijn vader een levensmiddelenwinkel geëxploiteerd. In een kamertje achter de winkel besprak eiser met diverse intellectuelen de politieke situatie in Afghanistan en de mensenrechtensituatie onder de Taliban. Eiser is vier dagen gevangen gehouden door de Taliban omdat hij werd beschuldigd van propaganda tegen de Taliban en de Islam. Ook werd hem verweten dat hij een satellietschotel had en dat hij in Rusland had gestudeerd. Eiser werd onder voorwaarden vrijgelaten. Een paar weken later werd eisers woning, in zijn afwezigheid, door tien gewapende mannen doorzocht. Bij deze huiszoeking zijn bijbels en andere – niet door de Taliban getolereerde – documenten gevonden. De neef en broer van eiser zijn meegenomen. Eiser heeft daarop het land direct verlaten.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat er onvoldoende grond is om ten aanzien van eiser tot vluchtelingschap te concluderen. Eiser heeft, zonder afdoende verklaring hiervoor, geen originele documenten overgelegd om zijn identiteit, nationaliteit, asielroute en asielrelaas te staven. Het asielrelaas van eiser bevat naar de mening van verweerder tegenstrijdigheden die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid ervan. Ook het reisverhaal van eiser wordt ongeloofwaardig geacht. Los van de geloofwaardigheid wordt het asielrelaas niet zwaarwegend genoeg geacht voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap. Er zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan eiser in het bezit dient te worden gesteld van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Eiser is een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) onthouden, omdat hij voorafgaand aan zijn komst naar Nederland heeft verbleven in een ander land dan het land van herkomst (te weten in Minsk in Wit Rusland) en omdat eiser volgens de gegevens van het ambtsbericht van 30 juli 1999 de mogelijkheid heeft een verblijfsvergunning in de Russische Federatie te verkrijgen op basis van het feitelijk deel uitmaken van het gezin van zijn echtgenote, die Russisch staatsburger is en in Machaskala in de Russische federatie woont.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in Afghanistan te vrezen heeft voor vervolging. Het ontbreken van originele documenten dient hem niet tegengeworpen te worden, omdat zijn woning en de woning van zijn vader zijn afgebrand. Verweerder twijfelt ten onrechte aan zijn reisverhaal. Eiser stelt voorts dat hij in bezit dient te worden gesteld van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf, omdat zijn huwelijk met een Russische onderdaan hem niet kan worden tegengeworpen.

De beoordeling

4. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit – de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen – te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden. Behoudens eventuele toepassing van artikel 83 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) zal getoetst worden aan het ten tijde van het besluit geldende recht.

5. Op grond van artikel 15 van de Vreemdelingenwet zoals deze gold tot 1 april 2001 (hierna: de Vw) in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

6. Vooropgesteld moet worden, dat niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Afghanistan zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling behoren te worden aangemerkt. Derhalve zal aannemelijk moeten zijn, dat met betrekking tot eiser persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan waardoor hij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.

7. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat eiser gegronde vrees voor vervolging heeft. Verweerder heeft eiser in redelijkheid tegen kunnen werpen dat zijn relaas niet gestaafd is met originele documenten die de door eiser gestelde studie, werkzaamheden, arrestatie en detentie kunnen bewijzen. Hiertoe is van belang dat eiser geen redelijke verklaring heeft gegeven voor het bevreemdende feit dat eisers tante in Pakistan wel de overgelegde gekopieerde documenten op kon sturen doch geen originele documenten. De gestelde plundering en verwoesting van de woningen van eiser en zijn familie vormen hier geen afdoende verklaring voor. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas. Van belang hierbij is dat dit relaas tegenstrijdige en wisselende verklaringen bevat. Tijdens het gehoor bij de ambtelijke commissie gaf eiser aan dat hij na de eerste huiszoeking naar Parwan is gegaan. Tijdens het nader gehoor verklaarde eiser echter dat hij pas na de tweede huiszoeking naar Parwan is vertrokken. Verder is door eiser tegenstrijdig verklaard over de wijze waarop eiser gewaarschuwd is voor de tweede huiszoeking. Tijdens het nader gehoor heeft hij verklaard dat zijn vader naar hem toe is gekomen om hem te waarschuwen. Tijdens het gehoor bij de ambtelijke commissie verklaarde eiser aanvankelijk dat hij telefonisch is gewaarschuwd en dat hij de Taliban door zijn snelle reactie en intellect heeft kunnen ontwijken. Nadat hij met deze tegenstrijdigheden is geconfronteerd, verklaarde eiser bij de ambtelijke commissie dat zijn vader met de auto naar hem toe was gekomen om hem te waarschuwen. Verder wekt bevreemding dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij aan de universiteit van Mazar-e-Sharif werkzaam was en dat hij ter zitting, op vragen van de rechtbank, verklaarde dat hij niet in Mazar-e-Sharif maar in Kabul aan de universiteit heeft gewerkt. In het eerste gehoor heeft eiser verklaard dat hij aan beide universiteiten verbonden is geweest. Ook bepaalde vaagheden in het asielrelaas van eiser doen afbreuk aan de aannemelijkheid van zijn asielrelaas. Eiser kon bijvoorbeeld bij het ambtelijk gehoor niet aangeven of en, zo ja, welke documenten er bij de eerste huiszoeking door de Taliban zijn meegenomen. Verder kan eiser geen concreet antwoord geven op de vraag hoe hij merkte dat hij tussen zijn vrijlating en de tweede huiszoeking door leden van de Taliban is gevolgd. Ook over zijn reisroute heeft eiser weinig concrete verklaringen afgelegd.

8. Het voorgaande doet dermate afbreuk aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser, dat niet aannemelijk is geworden dat eiser gegronde vrees voor vervolging heeft.

9. Op grond van artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, geweigerd worden op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

10. Gelet op hetgeen bij de beoordeling van de asielaanvraag is overwogen, is niet aannemelijk, dat eiser bij gedwongen verwijdering naar Afghanistan een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling waartegen artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bescherming beoogt te bieden, zodat eiser aan die bepaling geen aanspraak op verlening van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen kan ontlenen.

11. Evenmin is aannemelijk dat sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard die eiser aanspraak geven op verlening van een vergunning tot verblijf.

12. Gezien het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen weigeren eiser een vergunning tot verblijf zonder beperkingen te verlenen.

13. Met betrekking tot de weigering eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf te verlenen overweegt de rechtbank het volgende.

14. Ingevolge artikel 12b van de Vw kan verweerder een vvtv verlenen aan een vreemdeling die zich in Nederland bevindt en een aanvraag om toelating heeft ingediend, indien naar het oordeel van verweerder gedwongen verwijdering naar het land van herkomst van bijzondere hardheid voor de vreemdeling zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

15. Volgens vaste jurisprudentie heeft verweerder bij het (niet) voeren van een vvtv-beleid beleidsvrijheid en een ruime beoordelingsmarge. De aanwending daarvan kan de toetsing in rechte slechts dan niet doorstaan, indien verweerder bij afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen en gegeven de feitelijke grondslag ervan, niet in redelijkheid tot een bepaalde invulling van zijn beleidsvrijheid en een bepaalde beoordeling van de algehele situatie in het land van herkomst heeft kunnen komen.

16. Verweerder heeft aan zijn beleidsvrijheid invulling gegeven middels de brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 18 december 1997, die is bekendgemaakt middels publicatie in de kamerstukken (TK 1997-1998, 19 637, nr. 308; daarmee is voldaan aan het bekendmakingsvereiste van artikel 3:42 van de Awb). In die brief heeft verweerder de toen bestaande contra-indicaties beschreven en twee nieuwe contra-indicaties ingesteld. In zijn brief van 20 november 1998 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (TK 1997-1998, 19 637, nr. 395) heeft verweerder als nieuwe contra-indicatie toegevoegd het hebben van een verblijfsalternatief wegens verblijf voorafgaand aan de komst naar Nederland in een ander land dan het land van herkomst. Deze contra-indicatie is nader uitgewerkt in het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire – hierna TBV – 1998/30 van 21 december 1998, gepubliceerd in de Staatscourant 1998 nr. 244, nadien opgenomen in de Vreemdelingencirculaire 1994, hoofdstuk B7, nr. 15.4.1, bevestigd in de brief van 14

januari 2000, TK 1999-2000, 19 637 nr. 491, en gewijzigd bij het TBV 2000/16 van 31 juli 2000, gepubliceerd in de Staatscourant 2000 nr. 148. Deze contra-indicatie is thans opgenomen in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder j, van de Vw 2000 en in de Vreemdelingencirculaire 2000 opgenomen in C1/12. De hiervoor aangeduide contra-indicaties zijn aldus opgenomen in beleidsregels.

17. In de nimmer met inachtneming van artikel 3:42, eerste lid, van de Awb bekendgemaakte interne IND-Werkinstructie nr. 193 van 15 februari 1999 is in nr. 2.3.7 een specifieke contra-indicatie gemengde huwelijken opgenomen, die als volgt is omschreven:

"Aanvragen van Afghaanse asielzoekers, die gehuwd zijn met een vreemdeling van een andere nationaliteit en in het betreffende land van de nationaliteit van de echtgeno(o)t(e) hebben verbleven, dienen overeenkomstig terzake algemeen geldend beleid te worden afgedaan. Het komt veelvuldig voor dat Afghaanse asielzoekers gehuwd zijn met een onderdaan van een van de republieken van de voormalige Sovjet Unie en aldaar langere tijd hebben verbleven. (...) Gelet op algemene informatie d.d. 19 juni 1998 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken kunnen Afghaanse vreemdelingen op grond van hun huwelijk met een onderdaan van een van de republieken van de voormalige Sovjet Unie in het algemeen aanspraak maken op verblijf aldaar. (…) Indien betrokkene niet in aanmerking komt voor verlening van een vluchtelingenstatus of de verlening van een vtv op andere gronden, komt betrokkene in het algemeen echter niet voor verlening van een vvtv in aanmerking, omdat niet gebleken is dat betrokkene niet in het land van de echtgeno(o)t(e) kan verblijven."

Werkinstructie nr. 193 is komen te vervallen met de, ook niet met inachtneming van artikel 3:42 van de Awb bekendgemaakte, IND-werkinstructie nr. 220 van 24 februari 2000. In nr. 4.2 is de contra-indicatie als volgt omschreven:

"Tot slot wordt erop gewezen dat als er sprake is van een huwelijk met een onderdaan uit een derde land, zoals de republieken van de voormalige Sovjet Unie (…), en indien aangenomen mag worden dat de betrokkene zich bij zijn/haar echtgenoot kan voegen in het desbetreffende derde land, geen vvtv dient te worden verleend. Het doel van de vvtv is immers de asielzoeker bescherming te bieden omdat terugzending naar het land van herkomst van onevenredige hardheid is. In deze gevallen is terugzending echter niet aan de orde.

"Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft in het ambtsbericht van 30 juli 1999, over Staatsburgerschaps- en Vreemdelingenwetgeving in de republieken van de voormalige Sovjet-Unie en in Afghanistan, aangegeven in hoeverre Afghaanse vreemdelingen op grond van hun huwelijk met een onderdaan van een van deze andere republieken aanspraak kunnen maken op verblijf aldaar."

18. De rechtbank stelt vast, dat verweerder aan eiser de specifieke contra-indicatie gemengde huwelijken heeft tegengeworpen die in voormelde werkinstructies is opgenomen.

19. Bekendmaking in de zin van artikel 3:42, eerste lid, van de Awb vooronderstelt een actieve handeling van de overheid waardoor wordt bewerkstelligd dat de onbepaalde groep van personen voor wie kennisneming van een besluit met een algemene strekking van belang is, daarvan kennis kan nemen. De rechtbank stelt vast, dat voormelde werkinstructies zijn opgenomen in het (ook) voor sommige derden toegankelijke gedeelte van het (interne) elektronische documentatiesysteem (hierna: EDS) van verweerder. Zij zijn niet gepubliceerd in de Staatscourant (de eerste daarin opgenomen werkinstructie is nummer 226 van 8 juni 2000), een van overheidswege uitgegeven blad of een ander dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad. Opname in het EDS—systeem acht de rechtbank geen "andere geschikte wijze" van bekendmaking in de zin van artikel 3:42, eerste lid, van de Awb. Het EDS-systeem is immers geen openbaar systeem. Daaraan doet niet af dat, zoals van algemene bekendheid is, de Stichtingen Rechtsbijstand Asiel, Amnesty International, VluchtelingenWerk en de griffies van de Vreemdelingenkamers het voor derden toegankelijke gedeelte van EDS kunnen raadplegen en aan het gevondene ruchtbaarheid kunnen geven, bijvoorbeeld door deze te signaleren in de Nieuwsbrief Asiel- en Vluchtelingenrecht van VluchtelingenWerk, zoals met de bedoelde werkinstructies is geschied (nummers 1999/3 p. 186 en 2000/4, p. 251), overigens zonder de hier besproken specifieke contra-indicatie te vermelden.

20. Ingevolge artikel 4:84 van de Awb behoort een bestuursorgaan, behoudens toepasselijkheid van de inherente afwijkingsbevoegdheid, te handelen overeenkomstig de beleidsregel. Een structurele afwijking in door de beleidsregel voorziene gevallen betekent materieel een wijziging van de beleidsregel. Een tot wijziging van de beleidsregel strekkend besluit treedt ingevolge artikel 3:40 van de Awb niet in werking voordat het is bekendgemaakt. Het rechtszekerheidsbeginsel staat er aan in de weg dat verweerder op – zoals blijkt uit voornoemde werkinstructies –structurele wijze, in aanvulling op de contra-indicaties die in de in rechtsoverweging 16 genoemde besluiten zijn neergelegd, een specifieke contra-indicatie gemengde huwelijken tegenwerpt die niet is opgenomen in een met inachtneming van artikel 3:42 van de Awb bekendgemaakt besluit tot wijziging c.q. aanvulling van de beleidsregel, nu dat nadeel oplevert voor de belanghebbenden.

21. Ten tijde van het bestreden besluit mocht verweerder de specifieke contra-indicatie gemengde huwelijken derhalve niet tegenwerpen. Aangezien ter zitting is medegedeeld, dat verweerder de contra-indicatie eerder verblijf in een ander land dan het land van herkomst niet langer tegenwerpt en ten tijde van het bestreden besluit met betrekking tot Afghanistan een vvtv-beleid werd gevoerd, is de weigering van een vvtv niet voldoende draagkrachtig gemotiveerd.

22. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep gegrond. Wegens schending van de artikelen 3:40, 3:42, 4:84 en 7:12, eerste lid, van de Awb alsmede het rechtszekerheidsbeginsel dient het bestreden besluit te worden vernietigd voor zover aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf is onthouden. Aangezien de rechtbank de in voornoemde werkinstructies toegevoegde contra-indicatie niet heeft aangetroffen in de Vreemdelingencirculaire 2000 en het vvtv- c.q. categoriaal beschermingsbeleid met betrekking tot Afghanistan nog niet is beëindigd, bestaat geen grond voor instandlating van de rechtsgevolgen. Verweerder zal voor het vernietigde gedeelte een nieuw besluit moeten nemen.

23. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op ? 644 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt €  322 en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

24. De rechtbank wijst met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die aan eiser het betaalde griffierecht ad ƒ 50,-- (€  22,69) dient te vergoeden.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit, voor zover verweerder daarbij heeft geweigerd aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf te verlenen;

draagt verweerder op voor het vernietigde gedeelte van het besluit een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad €  644,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier te betalen;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om aan eiser €  22,69 te betalen ter vergoeding van het door hem betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T.M. Nijenhof, voorzitter, mr. J.H. Keuzenkamp en mr. A.W.M. van Hoof, en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2002 in tegenwoordigheid van mr. M. de Kroon als griffier.

de griffier de voorzitter

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden: 20 maart