Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE3455

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-03-2002
Datum publicatie
31-05-2002
Zaaknummer
AWB 00/5686
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / artikel 8 EVRM.

In casu is overgegaan tot ontzetting van het voortgezet verblijf en ongewenstverklaring van eiser. Eiser is in het kader van gezinshereniging op 16 juli 1989 Nederland binnengekomen. Op 8 september 1994 is eiser in het bezit gesteld van een vestigingsvergunning. Op 28 april 1999 is het vonnis onherroepelijk geworden waarin eiser onder meer ter zake van moord veroordeeld is tot twaalf jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Op 14 december 1999 is de vestigingsvergunning ingetrokken en is eiser ongewenst verklaard. Eerstens in beroep stelt eiser dat hij, gezien zijn arbeidsverleden, aanspraak maakt op bescherming krachtens het gestelde in artikel 6 en 14 van het Associatiebesluit 1/80. Verder stelt eiser dat de beslissing in strijd is met artikel 8 EVRM. Aan artikel 6 van het Besluit kan rechtstreekse werking niet worden ontzegd zodat ook eerst in de beroepsfase hierop een beroep kan worden gedaan. Nog daargelaten de vraag of een WSW-dienstverband is te beschouwen als arbeid in de zin van het Besluit, is de rechtbank van oordeel dat eiser geen vier jaar legale arbeid in Nederland heeft verricht, gelet op een periode van twee jaar arbeidsongeschiktheid. Perioden van afwezigheid wegens langdurige ziekte worden niet gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid. Ook anderszins ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor het ontstaan van een garantie op voortzetting van het recht op arbeid. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het bepaalde in artikel 14 van het Besluit in de weg staat aan de door eiser ontlenen van aanspraken aan artikel 6. De rechtbank is van oordeel dat een inmenging op het recht tot uitoefening van familie-en gezinsleven in Nederland gerechtvaardigd is. Het belang van de bescherming van de openbare orde en veiligheid en het voorkomen van strafbare feiten weegt zwaarder dan het belang van eiser om in Nederland betrokken te kunnen zijn bij de opleiding en opvoeding van de kinderen. Eiser kan zijn gezinsleven ook in Turkije uitoefenen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/229
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Reg.nr.: AWB 00/5686 VRWET H

UITSPRAAK van de meervoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken, inzake het beroep van:

A, geboren op [...] 1973, van Turkse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. A.J.J. Fraanje, advocaat te Dordrecht

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. P.J. de Vries, advocaat te Den Haag.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij beslissing van 25 mei 2000 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen zijn besluit van 14 december 1999 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de aan eiser verleende vergunning tot vestiging ingetrokken, eiser ongewenst verklaard en aan eiser voortgezet verblijf ontzegd. Eiser heeft tegen de beslissing van 25 mei 2000 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 27 maart 2001. Ter zitting, waar eiser niet is verschenen, hebben eiser en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

Onder toepassing van artikel 8:68 van de Awb heeft de rechtbank het onderzoek heropend en bepaald dat nader onderzoek diende te geschieden naar de betekenis van de bepalingen van Besluit 1/80 van 19 september 1980 van de Associatieraad, ingesteld bij de Associatieovereenkomst tussen de EEG en Turkije (hierna: Besluit).

Na daartoe van partijen toestemming te hebben verkregen op 22 februari 2002, respectievelijk 5 maart 2002, heeft de rechtbank bepaald dat het (nadere) onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

2. OVERWEGINGEN

In dit geding dient te worden beoordeeld of de ongegrondverklaring van het bezwaar in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of deze beslissing de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

Met ingang van 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) in werking getreden. Artikel 122 Vw bepaalt dat de tot dan geldende vreemdelingenwet wordt ingetrokken. Ingevolge artikel 119, eerste lid, Vw blijft het recht zoals het gold vóór 1 april 2001 van toepassing ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen een besluit op grond van de Vreemdelingenwet zoals die luidde tot 1 april 2001 (hierna: Vw (oud)), dat is bekend gemaakt vóór 1 april 2001, dan wel een handeling op grond van de Vw (oud) verricht vóór 1 april 2001.

Aangezien de bestreden beschikking dateert van vóór 1 april 2001 toetst de rechtbank het bestreden besluit inhoudelijk eveneens aan de Vw (oud).

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het bestreden besluit van de hierna volgende feiten en omstandigheden uit.

Eiser is op 16 juli 1989 Nederland binnengekomen en als minderjarige toegelaten in het kader van gezinshereniging. Hij werd in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf onder de beperking „verblijf bij ouders“. Op 8 september 1994 is eiser in het bezit gesteld van een vergunning tot vestiging (vtvest). Eiser is bij - op 28 april 1999 onherroepelijk geworden - arrest d.d. 13 april 1999 van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf jaren, ter zake van overtreding van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht (moord), en artikelen 151 en 47, eerste lid, aanhef en sub 1, van het Wetboek van Strafrecht (medeplegen van het verbergen en wegvoeren van een lijk met het oogmerk om het feit of oorzaak van het overlijden te verhelen). Op 4 december 1997 heeft de korpschef van de politieregio Zuid-Holland Zuid verweerder een voorstel gedaan de aan eiser verleende vtvest in te trekken alsmede eiser ongewenst te verklaren vanwege veroordeling voor moord. Eiser is met het oog op ongewenstverklaring op 1 juni 1999 gehoord.

Verweerder heeft bij besluit van 14 december 1999 de aan eiser verleende vtvest, met toepassing van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw (oud), ingetrokken. Bij datzelfde besluit heeft verweerder eiser, met toepassing van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw (oud), ongewenst verklaard. Voorts heeft verweerder eiser voortgezet verblijf ontzegd.

Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij verweerder. In bezwaar stelt eiser dat verweerder ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat eiser ingeburgerd is in de Nederlandse samenleving en hier te lande een gezin heeft. Het verlies van de vtvest betekent tevens verlies van de afhankelijke verblijfsvergunning van de echtgenote van eiser. Voorts is aangevoerd dat in casu sprake is van schending van artikel 8 EVRM. Eiser heeft nog wekelijks contact met zijn echtgenote en kinderen en dit contact zal niet meer mogelijk zijn wanneer eiser naar Turkije terug moet.

Verweerder heeft voornoemd bezwaar, onder handhaving van het overwogene in het primaire besluit en conform het advies van de Adviescommissie voor vreemdelingen-zaken, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. In beroep stelt eiser dat het bestreden besluit in strijd is met het Besluit. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij aanspraak maakt op de bescherming, die een Turkse werknemer geniet op grond van de artikelen 6 en 14 van het Besluit. In dit verband wijst eiser op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) van 10 februari 2000, nr. C-340/97 (arrest Nazli, gepubliceerd in JV 2000/81). Eiser is van mening dat de redenering van het Hof in die zaak ook in het onderhavige geval opgaat, zodat hij aanspraken kan ontlenen aan artikel 6 van het Besluit.

Voorts heeft het Hof bepaald dat artikel 14, eerste lid, van het Besluit pas van toepassing is „als het persoonlijk gedrag van de betrokkene een concreet gevaar voor nieuwe ernstige verstoringen van de openbare orde oplevert“. Eiser is van mening dat zonder kennisname van zijn strafdossier en de rapportage van de reclassering geen zorgvuldige beslissing kon worden genomen. In de bestreden beslissing volstaat verweerder met een zeer summiere motivering. Niet is ingegaan op de vraag of het persoonlijk gedrag van eiser een concreet gevaar oplevert voor nieuwe ernstige verstoringen van de openbare orde.

Ten slotte heeft eiser aangevoerd dat de bestreden beslissing in strijd is met artikel 8 EVRM.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser met betrekking tot het arbeidsverleden van eiser gesteld dat eiser sedert 15 juli 1992 in vast dienstverband werkzaam is geweest bij Drechtwerk te Dordrecht, een werkplaats voor Sociale Werkvoorzieningen. Dit dienst-verband is op 1 september 1996 beëindigd, nadat eiser gedurende een periode van twee jaar arbeidsongeschikt was. Nadien heeft eiser een uitkering ontvangen krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO), welke uitkering voor de duur van de detentie is opgeschort. Eiser is echter niet uitgeschakeld voor de arbeidsmarkt, omdat hij niet volledig arbeidsongeschikt werd geacht.

Verweerder heeft zich in het verweerschrift primair op het standpunt gesteld dat eiser eerst in de beroepsfase een beroep heeft gedaan op het Besluit, hetgeen betekent dat dit - gelet op de ex tunc-toetsing in beroep - buiten beschouwing dient te blijven.

Subsidiair stelt verweerder zich - kort samengevat - op het standpunt dat eiser geen aanspraken kan ontlenen aan het Besluit. Daartoe stelt verweerder dat anders dan in het arrest Nazli in het geval van eiser niet kan worden gesproken van een tijdelijke afwezigheid van de legale arbeidsmarkt, althans niet in de zin dat binnen een redelijke termijn daadwerkelijk opnieuw een arbeidsverhouding zal worden aangegaan, nu er sprake is van een veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf jaren, hetgeen langdurig in de weg staat aan het gebruikmaken van een eventueel recht op arbeid in loondienst. Voor zover moet worden aangenomen dat eiser aanspraken kan ontlenen aan artikel 6 van het Besluit, kunnen deze aanspraken op grond van artikel 14, eerste lid, van het Besluit aan eiser ontzegd worden.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw (oud) kan de vergunning tot vestiging van een vreemdeling worden ingetrokken indien hij bij rechterlijk gewijsde is veroordeeld wegens een opzettelijk begaan misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw (oud) kan een vreemdeling door Onze Minister ongewenst worden verklaard indien hij bij rechterlijk gewijsde is veroordeeld wegens een opzettelijk begaan misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd.

Het beleid van verweerder in dezen is –voor zover hier van belang- neergelegd in hoofdstuk A5/6.2 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc 1994). Bij toepassing van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, Vw kan tot ongewenstverklaring op deze grond worden overgegaan in geval van een veroordeling tot een straf die boven de in hoofdstuk A4/4.3.2.2 neergelegde glijdende schaal als beleidsnorm uitstijgt. Daarbij is het uitgangspunt dat een veroordeling tot een straf die boven de in de glijdende schaal aangegeven beleidsnorm uitstijgt, steeds tot ongewenstverklaring en ontzegging van voortgezet verblijf zal leiden.

In de glijdende schaal worden strafmaat en verblijfsduur tegen elkaar afgezet. De 'strafmaat' betreft de duur van (het onvoorwaardelijk gedeelte) van de opgelegde straf. Als 'verblijfsduur' geldt de periode dat de vreemdeling voorafgaand aan het begaan van het strafbare feit onafgebroken in Nederland heeft verbleven op grond van de art. 9, 9a en 10 Vw.

Artikel 6 van het Besluit luidt als volgt:

„1. Behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden, heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort:

- na een jaar legale arbeid in die lidstaat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;

- na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die lidstaat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die lidstaat;

- na vier jaar legale arbeid, in die lidstaat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze.

2. Jaarlijkse vakanties en perioden van afwezigheid wegens zwangerschap, arbeidsongeval of kortdurende ziekten worden gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid. Tijdvakken van onvrijwillige werkloosheid die naar behoren zijn geconstateerd door de bevoegde autoriteiten, alsmede perioden van afwezigheid wegens langdurige ziekte worden niet gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid, doch doen geen afbreuk aan de rechten die zijn verkregen uit hoofde van het voorafgaande tijdvak van arbeid.

3. De wijze van toepassing van leden 1 en 2 wordt geregeld in de nationale voorschriften.“

Artikel 14, eerste lid, van het Besluit bepaalt:

„De bepalingen van dit deel worden toegepast onder voorbehoud van beperkingen welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid.“

Tussen partijen is niet in geschil de wijze waarop verweerder toepassing heeft gegeven aan de nationaalrechtelijke bepalingen. Voorts is verweerder, uitgaande van een verblijfsduur van ten minste 7 jaar maar minder dan 8 jaar en een veroordeling tot 12 jaar gevangenisstraf onvoorwaardelijk, gelet op de zogeheten glijdende schaal in beginsel gerechtigd geweest toepassing te geven aan het geldende beleid op de wijze als in het onderhavige geval is geschied en bij het bestreden besluit is gehandhaafd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook geen bijzondere feiten of omstandigheden aangedragen op grond waarvan verweerder zich genoopt had moeten zien af te wijken van voormeld beleid. De mate van inburgering van eiser in Nederland is verdisconteerd in het beleid van verweerder. Ook de consequenties van het bestreden besluit voor de echtgenote van eiser en zijn kinderen leiden de rechtbank niet tot het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid geen overwegende betekenis heeft kunnen toekennen aan de, gelet op de aard en de ernst van het gepleegde misdrijf alsmede op de hoogte van de eiser opgelegde straf, verregaande inbreuk op de openbare orde.

Ook in de stelling dat een eventueel recidivegevaar niet is komen vast te staan, heeft verweerder terecht geen aanleiding behoeven te zien om de ongewenstverklaring van eiser achterwege te laten, alleen al gelet op de aard en de ernst van het door eiser gepleegde delict en de hoogte van de daarvoor opgelegde straf.

De rechtbank ziet zich echter vervolgens geplaatst voor de vraag of verweerder gelet op het recht, als vervat in het Besluit, gehouden was af te zien van intrekking van de vtvest en de ongewenstverklaring. De rechtbank neemt daarbij onder meer in ogenschouw het door partijen aangehaalde arrest Nazli van het HvJ EG. In dit arrest heeft het HvJ EG bepaald dat een Turkse onderdaan die meer dan vier jaar in een Lid-Staat legale arbeid heeft verricht, maar die in voorlopige hechtenis is genomen voor een strafbaar feit waarvoor hij nadien is veroordeeld tot een volledig voorwaardelijke straf, niet heeft opgehouden te behoren tot de legale arbeidsmarkt van de Lid-Staat van ontvangst, wanneer hij binnen een redelijke termijn na de vrijlating nieuw werk heeft gevonden.

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit gehouden was toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 6 van het Besluit, aangezien deze bepaling rechtstreekse werking niet valt te ontzeggen en aangenomen moet worden dat (de organen van) de bij de Overeenkomst betrokken Staten de volledige werking van dergelijke bepalingen dienen na te streven, zodat niet met vrucht kan worden betoogd dat eiser een beroep op het Besluit niet meer toekomt omdat terzake relevante bepalingen niet in bezwaar zijn ingeroepen.

In verband met het bepaalde in artikel 6 van het Besluit overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank verstaat hetgeen namens eiser is aangevoerd als een betoog dat eiser een voortzetting van het recht op arbeid toekomt vanwege de omstandigheid dat hij meer dan vier jaar legale arbeid in Nederland heeft verricht. Dienaangaande stelt de rechtbank vast dat eiser met het WSW-dienstverband over de periode van 15 juli 1992 tot 1 september 1996, daargelaten of WSW-arbeid is te beschouwen als arbeid in de zin van het Besluit, niet voldoet aan het vereiste van vier jaar legale arbeid, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, derde streepje, van het Besluit. Vaststaat dat eiser in die periode twee jaar arbeidsongeschikt is geweest. Gelet op het bepaalde in lid 2 van artikel 6 van het Besluit worden perioden van afwezigheid wegens langdurige ziekte niet gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid. Voorts stelt de rechtbank vast dat er kennelijk geen voorafgaande tijdvakken van legale arbeid zijn aan te wijzen, terwijl er ook na 1 september 1996 tot het moment van detentie geen tijdvakken van legale arbeid zijn gesteld of gebleken.

Ook anderszins ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor het ontstaan van een, voor het onderhavige geval relevante, garantie op voortzetting van het recht op arbeid als vervat in artikel 6, eerste lid, van het Besluit. Dit betekent dat de rechtbank niet behoeft te bezien of er sprake kan zijn van een verlies van status bij een langdurige detentie als in dit geval aan de orde en welke betekenis daaraan toekomt voor het verblijfsrecht.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat het bepaalde in artikel 14 van het Besluit in het onderhavige geval in de weg staat aan het door eiser ontlenen van aanspraken aan artikel 6 van het Besluit. Weliswaar blijkt uit het bestreden besluit onvoldoende duidelijk dat verweerder in het onderhavige geval is nagegaan of uit de omstandigheden die tot de strafrechtelijke veroordeling hebben geleid, naar voren komt een persoonlijk gedrag dat een actuele bedreiging van de openbare orde vormt. Dit gebrek aan motivering behoeft evenwel niet tot vernietiging van het bestreden besluit te leiden. Uit de bestreden beslissing blijkt wel genoegzaam dat verweerder rekening heeft gehouden met de door eiser gepleegde strafbare feiten. Niet kan worden gezegd dat het persoonlijk gedrag van eiser, gelet op de aard en de ernst van de door hem gepleegde strafbare feiten, geen actuele bedreiging vormt van de openbare orde.

Ook het beroep op artikel 8 EVRM faalt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de aard en de ernst van het misdrijf waarvoor eiser is veroordeeld, heeft verweerder in redelijkheid kunnen oordelen dat het belang van de bescherming van de openbare orde en veiligheid en het voorkomen van strafbare feiten in het onderhavige geval zwaarder weegt dan het belang van eiser om in Nederland betrokken te kunnen zijn bij de opvoeding en opleiding van zijn kinderen. Voorts kan niet worden gezegd dat van de echtgenote, die de Turkse nationaliteit heeft en lange tijd in Turkije heeft gewoond en derhalve geacht moet worden banden met Turkije te hebben, en van de kinderen vanwege hun jonge leeftijd, niet verwacht kan worden eiser naar Turkije te volgen. Eiser is derhalve in staat tot de uitoefening van zijn gezinsleven buiten Nederland. Derhalve was inmenging met betrekking tot de uitoefening van het recht op familie- en gezinsleven in Nederland gerechtvaardigd in het licht van het tweede lid van artikel 8 EVRM.

Aangezien ook overigens geen aanleiding bestaat om te oordelen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, wordt het beroep ongegrond verklaard.

Van omstandigheden op grond waarvan een van partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakt proceskosten, is niet gebleken.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.K. Nihot, voorzitter, en mrs. H.J.H. van Meegen en F.M.D. Aardema, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2002, in tegenwoordigheid van mr. M.L. Bressers als griffier.

afschrift verzonden op:

4 april 2002.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat ingevolge artikel 120 Vw geen hoger beroep open.