Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE3453

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-02-2002
Datum publicatie
31-05-2002
Zaaknummer
AWB 02/10513
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / strafrechtelijk voortraject .

De vreemdeling bevond zich ter zake van verdenking van diefstal in bewaring. Daarna is de vreemdeling overgebracht naar het politiebureau. De vreemdeling is dienaangaande gehoord en hem is de vreemdelingenrechtelijke maatregel van bewaring uitgereikt. Daarbij is bepaald dat de ingangsdatum daarvan is 10 februari 2002 te 08.00 uur, zijnde de einddatum van de preventieve hechtenis. Bij de beoordeling van het onderhavige beroep dient als uitgangspunt te worden genomen dat de voorlopige hechtenis heeft voortgeduurd tot 10 februari 2002 te 08.00 uur.

De rechtbank overweegt dat verweerder de maatregel van bewaring heeft opgelegd met ingang van een later moment dan het besluit daartoe. Onder verwijzing naar de AWB 01/68677 van de rechtbank Utrecht d.d. 2 januari 2002 ziet de rechtbank daarin geen grond dat besluit aan te merken als een voorlopige maatregel van bewaring als bedoeld in de hoofdstuk A5/5.3.7.1 Vc 2000. Daarover is in de uitspraak 200104443/1 van de ABRS van 2 november 2001 geoordeeld dat voor een dergelijke maatregel een wettelijk vereiste grond ontbreekt in de Vw 2000 en dat derhalve zo’n maatregel rechtens niet aanvaardbaar is. In TBV 2002/2 van 17 januari 2002 is bepaald dat voortaan na ommekomst van een strafrechtelijke detentie toepassing gegeven dient te worden aan het bepaalde in artikel 50, derde lid, Vw 2000.

Het onderhavige besluit heeft naar het oordeel van de rechtbank een definitief karakter in plaats van een voorlopig. Dat besluit is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet in strijd te achten met het bepaalde in artikel 59 Vw 2000. De omstandigheid dat de gang van zaken in dit geval - overbrenging naar een politiebureau nog ten tijde van de voorlopige hechtenis - een andere is geweest dan de werkwijze zoals beschreven in voormelde TBV leidt niet tot het oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/213
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

beroep vrijheidsontnemende maatregel

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 02/10513 VRWET

Inzake : [A], crv nummer [crv nummer], thans verblijvende in het politiebureau te Rotterdam-Noord, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. W.A. Venema, advocaat te Rozenburg,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. B. Perels, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1976 en de Bosnische nationaliteit te hebben.

2. Op 10 februari 2002 heeft de rechtbank een beroepschrift op grond van artikel 93 Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) van de vreemdeling ontvangen. Het beroep is gericht tegen het besluit van verweerder van 9 februari 2002 waarbij de vreemdeling de maatregel van bewaring is opgelegd. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

Op 11 februari 2002 heeft verweerder bij kennisgeving op grond van artikel 94 Vw2000 de rechtbank eveneens bericht dat de vreemdeling met ingang van 9 februari 2002 de maatregel van bewaring is opgelegd.

3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 18 februari 2002. De vreemdeling is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt vast dat de vreemdeling in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw2000.

2. Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

3. De gemachtigde van de vreemdeling heeft aangevoerd dat de rechter-commissaris bepaald heeft dat de voorlopige hechtenis van rechtswege zal worden beëindigd indien de betrokkene niet in een Huis van Bewaring wordt geplaatst. Nu de vreemdeling nog tijdens de voorlopige hechtenis is overgeplaatst naar een politiebureau, is de gemachtigde van mening, zo verstaat de rechtbank diens uitlatingen, dat de vreemdeling ten tijde van de vreemdelingrechtelijke bewaring niet op rechtmatige wijze van zijn vrijheid was beroofd en dat daardoor de daaropvolgende bewaring niet rechtmatig is.

4. De beschikking van de rechter-commissaris, waarnaar de gemachtigde van de vreemdeling heeft verwezen, is door deze gemachtigde noch door verweerder overgelegd aan de rechtbank. De rechtbank ziet geen grond te bepalen dat die beschikking alsnog aan de rechtbank wordt overgelegd.

Op grond van de uitlatingen ter zitting van de gemachtigde van de vreemdeling, bezien in samenhang met de maatregel van bewaring (model M 110-A), gedateerd 9 februari 2002 en het gestelde in de rapportage vreemdelingenbewaring (model M 119), gedateerd 10 februari 2002, gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Op 8 februari 2002 is de vreemdeling overgebracht naar het politiebureau Noord te Rotterdam. Onmiddellijk daaraanvoorafgaande bevond de vreemdeling zich ter zake van verdenking van diefstal in de Stadsgevangenis te Rotterdam in bewaring met als einddatum 10 februari 2002.

Op 9 februari 2002 is de vreemdeling dienaangaande gehoord en is de vreemdelingrechtelijke maatregel van bewaring uitgereikt. Daarbij is bepaald dat de ingangsdatum daarvan is 10 februari 2002 te 08.00 uur, zijnde de einddatum van de preventieve hechtenis.

5. Aan de grief dat het strafvorderlijk traject voorafgaande aan de vreemdelingrechtelijke bewaring niet rechtmatig is, gaat de rechtbank voorbij wegens de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (vergelijk onder meer JV 2002/ 9). Daarin is immers geoordeeld dat de rechter in vreemdelingenzaken niet kan oordelen over de aanwending van een niet bij of krachtens de Vw2000 voorziene bevoegdheid. Slechts indien de onrechtmatigheid van die aanwending rechtens is vastgesteld, kan de vreemdelingenrechter zich gesteld zien voor de vraag naar de consequenties daarvan voor de rechtmatigheid van de inbewaringstelling. Van een dergelijke situatie is geen sprake in het onderhavige geval. Derhalve dient bij de beoordeling van het onderhavige beroep als uitgangspunt te worden genomen dat de voorlopige hechtenis heeft voortgeduurd tot 10 februari 2002 te 08.00 uur.

6. De rechtbank overweegt ambtshalve het navolgende. Verweerder heeft de maatregel van bewaring opgelegd met ingang van een later moment dan het besluit daartoe. Onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank (zittingsplaats Utrecht) van 2 januari 2002 (Awb 01/68677) ziet de rechtbank daarin geen grond dat besluit aan te merken als een voorlopige maatregel van bewaring als bedoeld in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) hoofdstuk A5/5.3.7.1., waarover in een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 november 2001 (nr. 200104443/1) is geoordeeld dat voor een dergelijke maatregel een wettelijk vereiste grond ontbreekt in de Vw2000 en dat derhalve zo'n maatregel rechtens niet aanvaardbaar is (vergelijk JV 2002/11). Naar aanleiding van deze uitspraak is in TBV 2002/2 van 17 januari 2002 bepaald dat voortaan na ommekomst van een strafrechtelijke detentie toepassing gegeven dient te worden aan het bepaalde in artikel 50, derde lid, Vw2000.

Het onderhavige besluit heeft naar het oordeel van de rechtbank een definitief in plaats van een voorlopig karakter. Dat besluit is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet in strijd te achten met het bepaalde in artikel 59 Vw2000.

De omstandigheid dat de gang van zaken in dit geval - overbrenging naar een politiebureau nog ten tijde van de voorlopige hechtenis - een andere is geweest dan de werkwijze zoals beschreven in voormelde TBV leidt niet tot het oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard.

5. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder op goede gronden de vreemdeling krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw2000 in het belang van de openbare orde en met het oog op de uitzetting, in bewaring heeft gesteld. De vreemdeling heeft geen vaste mond- of verblijfplaats, beschikt niet over een geldige titel tot verblijf en is niet in het bezit van een geldig identiteitsbewijs. Bovendien wordt de vreemdeling verdacht van het plegen van een strafbaar feit. Gelet hierop bestaat ten aanzien van hem het ernstige vermoeden dat hij zich aan uitzetting zal onttrekken.

6. De rechtbank is tevens van oordeel dat voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. Na onderzoek is gebleken dat de vreemdeling eerder in 1998 onder de naam [A] is gepresenteerd bij de Bosnische autoriteiten. Dit heeft geleid tot een negatief resultaat omdat de vreemdeling zich bediende van een vals identiteit.

Gelet op de omstandigheid dat de identiteit en nationaliteit nog niet vast staat - mede naar aanleiding van de verklaring van de vreemdeling ter zitting dat [A] zijn ware naam is - alsmede in aanmerking genomen de korte duur van de bewaring tot dusverre, is de rechtbank van oordeel dat verweerder enige tijd gegund moet worden om zich te bezinnen op de te volgen aanpak om tot uitzetting te komen.

7. Niet is gebleken dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring ten aanzien van de vreemdeling in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

8. Het beroep is derhalve ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding de opheffing van de maatregel te bevelen. Er bestaat geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

9. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep ongegrond;

2. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

IV. RECHTSMIDDEL

Krachtens artikel 95 Vw2000 staat tegen deze uitspraak voor zover het betreft het beroep tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel voor partijen hoger beroep open. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag.

Voor zover in deze uitspraak is beslist op het verzoek om schadevergoeding staat daartegen krachtens artikel 84 aanhef en onder d Vw2000 geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens en uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2002, in tegenwoordigheid van C.K. Wong, griffier.

afschrift verzonden op: