Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE3268

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-03-2002
Datum publicatie
12-08-2002
Zaaknummer
AWB 01/1531 ABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 87
Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid XVI
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2002, 86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 01/1531 ABW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

A, wonende te B, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Naaldwijk, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Eiser heeft over de periode 4 juni 1994 tot 1 maart 1999 een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet (Abw) ontvangen.

Bij uitspraak van 2 april 1998 heeft de kantonrechter te Delft vastgesteld dat eiser over de perioden 1 februari 1994 tot en met 30 april 1994, 1 februari 1995 tot en met 31 maart 1995 en 1 maart 1996 tot 1 april 1996 wegens verzwegen inkomsten ƒ 2.399,29 teveel uitkering heeft ontvangen. Er is een aflossingsverplichting vastgesteld van ƒ 60,- per maand.

Verweerder heeft bij besluit van 11 januari 1999 over de periode van oktober 1996 tot en met december 1996 van eiser een bedrag aan teveel uitgekeerde bijstand teruggevorderd van ƒ 5.440,24. Eiser heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 13 september 1999 heeft verweerder over de periode 1 januari 1997 tot 1 januari 1999 een bedrag van ƒ 41.066,73 aan teveel uitbetaalde bijstand van eiser teruggevorderd. Eiser heeft tegen dit besluit evenmin bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij besluit van 13 januari 2000 de aflossingscapaciteit van eiser vastgesteld op ƒ 184,44 per maand.

Tegen dit besluit heeft eiser op 31 januari 2000 een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaar is door verweerder bij besluit van 15 maart 2000 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld.

Bij besluit van 19 februari 2001 heeft verweerder de aflossingscapaciteit van eiser gewijzigd in ƒ 203,89.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 21 februari 2001 en nader aangevuld bij brief van 7 maart 2001, een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Bij besluit van 2 maart 2001, verzonden op 14 maart 2001, heeft verweerder het bezwaar van eiser (kennelijk) ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 25 april 2001 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 29 mei 2001 een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 29 januari 2002 ter zitting behandeld.

Eiser noch zijn gemachtigde mr. M.H. van 't Hof zijn verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw H. den Besten-van der Elst.

Motivering

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit van 2 maart 2001 waarbij het bezwaar tegen de hoogte van de aflossings-capaciteit ongegrond is verklaard in rechte gehandhaafd kan blijven.

Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de openstaande vorderingen niet weersproken worden en vaststaan. De aflossingscapaciteit van ƒ 203,89 per maand is conform het gemeentelijk beleid vastgesteld en na herberekening zijn geen fouten geconstateerd.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij onvoldoende draagkracht heeft om aan een aflossingscapaciteit van ƒ 203,89 te kunnen voldoen.

Hij is van mening dat het maandbedrag niet correct is berekend. Tevens is hij het niet eens met de hoogte van de totale schuld, aangezien hij een grote periode gescheiden heeft geleefd van zijn echtgenote. De helft van zijn uitkering werd maandelijks overgemaakt aan zijn echtgenote, terwijl zijn echtgenote zelfstandig recht had op een alleenstaande uitkering.

Ten slotte is eiser van mening dat verweerder hem in zijn belangen heeft geschaad, aangezien bij het bestreden besluit op zijn bezwaar van

20 februari 2001 is beslist, zonder dat verweerder op het aanvullend bezwaar van gemachtigde van eiser heeft gewacht. Gemachtigde van eiser heeft bij brief van 7 maart 2001 een aanvullend bezwaarschrift ingediend. Het bestreden besluit is op 2 maart 2001 genomen, maar pas op 14 maart 2001 verzonden. Verweerder was derhalve reeds geruime tijd voor verzending van het bestreden besluit in het bezit van het aanvullend bezwaarschrift.

In reactie op hetgeen eiser heeft gesteld, voert verweerder in zijn verweerschrift aan dat het niet relevant is dat eiser gedurende een bepaalde periode gescheiden heeft geleefd van zijn echtgenote. Eiser heeft verzuimd deze informatie door te geven. Voorts heeft eiser de termijn tegen de hoogte van de vorderingen ongebruikt laten verstrijken, waardoor een beroep tegen de hoogte van de vorderingen geen kans van slagen heeft. Het aanvullende bezwaarschrift heeft geen aanleiding gevormd om terug te komen op het genomen besluit.

De rechtbank overweegt als volgt.

Eiser heeft in zijn bezwaarschrift van 21 februari 2001 aangegeven dat hij een kopie van het bestreden besluit aan zijn advocaat heeft gezonden. Gemachtigde van eiser heeft bij brief van 7 maart 2001, bij verweerder binnengekomen op 8 maart 2001, een aanvullend bezwaarschrift ingediend. Het bestreden besluit is op 2 maart 2001 genomen en op 14 maart 2001 verzonden. Verweerder heeft in reactie op de brief van gemachtigde van eiser bij brief van 16 maart 2001 aangegeven dat hij op 14 maart 2001 een beslissing op bezwaar heeft genomen en dat er beroep tegen dit besluit openstaat.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder er, gezien de opmerking van eiser in zijn bezwaarschrift van 21 februari 2001, op bedacht had moeten zijn dat eiser zich in het kader van dit bezwaar zou laten bijstaan door een advocaat en met een aanvulling van de gronden van het bezwaar zou kunnen komen. Door te beslissen op het bezwaar van eiser zonder bij hem te informeren naar de betekenis van bedoelde opmerking in het bezwaarschrift en er zonder meer van uit te gaan dat geen aanvulling van de gronden van het bezwaar zou volgen, heeft verweerder bij het nemen van het bestreden besluit niet de daarbij vereiste zorgvuldigheid in acht genomen. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit komt om die reden voor vernietiging in aanmerking.

In verband hiermee ziet de rechtbank zich thans gesteld voor de vraag of voldoende grond aanwezig is om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de vaststelling van de aflossingscapaciteit alle vorderingen tezamen betreft en derhalve mede de vordering die bij beschikking van 2 april 1998 door de kantonrechter te Delft is vastgesteld.

Het terugvorderingbesluit van deze vordering is op 26 september 1996 bekendgemaakt, derhalve voor de inwerkingtreding van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Wet boeten). De rechtbank stelt vast dat, gelet op de strekking van artikel XVI, tweede lid, Wet boeten, ten aanzien van besluiten die bekend zijn gemaakt vóór 1 juli 1997 de voor deze datum geldende procedureregels van toepassing blijven. De rechtbank is van oordeel dat een redelijke toepassing van deze bepaling in het onderhavige geval met zich brengt dat tegen een nader besluit van verweerder ter zake van de aflossing van de vordering waarop het terugvorderingsbesluit van 26 september 1996 en de uitspraak van de kantonrechter te Delft van 2 april 1998 betrekking hebben geen rechtsmiddelen op grond van de Awb openstaan en dat verweerder bij de eventuele niet-nakoming daarvan een rechtsvordering bij die kantonrechter moet instellen. Een andere benadering leidt immers tot de uit een oogpunt van rechtszekerheid voor de belanghebbende ongewenste situatie dat verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 87, eerste lid, van de Abw, uit hoofde van het nadere besluit over de wijze van betaling van de desbetreffende vordering van rechtswege een nieuwe executoriale titel zou verkrijgen, terwijl onduidelijk is hoe deze titel zich verhoudt tot de executoriale titel uit hoofde van het vonnis van de kantonrechter ter zake van dezelfde vordering waarover verweerder reeds de beschikking had.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit de uit genoemd overgangsrecht voortvloeiende procedurele gevolgen voor de vaststelling van de aflossingscapaciteit van eiser miskend door geen onderscheid te maken tussen enerzijds de vordering waarop het terugvorderingsbesluit van

26 september 1996 en de uitspraak van de kantonrechter van 2 april 1998 betrekking hebben en anderzijds de overige vorderingen waarop de na 1 juli 1997 aan eiser bekendgemaakte terugvorderingsbesluiten betrekking hebben. In verband met bedoelde gevolgen had verweerder bij de berekening van de draagkracht in het kader van de vaststelling van de aflossingscapaciteit aan moeten geven welk deel van het het totale bedrag van f. 203,89 eerstgenoemde vordering bestrijkt en welk deel betrekking heeft op de andere vorderingen. Nu verweerder dit heeft nagelaten is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd en genomen in strijd met het artikel 7:12, eerste lid, eerste volzin van de Awb, waarin is bepaald dat de beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Ook om deze reden wordt het beroep gegrond verklaard.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder opnieuw moet beslissen op het bezwaar van eiser met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Verweerder zal bij de te nemen beslissing alsnog vorengenoemd onderscheid moeten maken en vervolgens het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit, voorzover dit betrekking heeft op het gedeelte van het bedrag van de aflossingscapaciteit dat ziet op de vordering uit 1996, gelet op vorengenoemd overgangsrecht, niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het primaire besluit, voorzover dit betrekking heeft op het gedeelte van genoemd bedrag dat de andere vorderingen bestrijkt, zal verweerder op grond van de daartegen door eiser aangevoerde bezwaren opnieuw in heroverweging moeten nemen. Daarbij merkt de rechtbank op dat, anders dan eiser kennelijk veronderstelt, de vordering als zodanig niet ter discussie kan worden gesteld.

In het vorenstaande ziet de rechtbank voorts aanleiding verweerder op grond van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte proceskosten. Met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank de voor vergoeding in aanmerking komende kosten vast op € 322,-. Daarbij is in aanmerking genomen een punt voor het indienen van het beroepschrift in een zaak van gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1) en een waarde per punt van € 322,-.

Aangezien ten behoeve van eiser ter zake van dit beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eiser met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat de gemeente Naaldwijk als rechtspersoon aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 27,23 vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 322,-, welke kosten voormelde rechtspersoon aan de griffier van de rechtbank dient te vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. S.C. Stuldreher en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2002, in tegenwoordigheid van de griffier mr. C. Rouw.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op:

??