Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE3219

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-03-2002
Datum publicatie
30-05-2002
Zaaknummer
AWB 02/465 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Niet-openstelling van burgemeestersvacature is geen besluit in de zin van art. 1:3 Awb.

Verweerder heeft verzoeker bij schrijven van 6 december 2001 te kennen gegeven dat de niet-openstelling van de burgemeestersvacature in verzoekers gemeente wordt verlengd tot 13 juni 2002.

De voorzieningenrechter overweegt dat voormeld schrijven er uitsluitend op gericht om, in afwachting van het starten van een procedure in het kader van de Wet Arhi, de burgemeestersvacature in de gemeente Warmond voorlopig niet open te stellen. Verweerder heeft daarbij aangegeven, zodra blijkt dat het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland vóór 13 juni 2002 geen Arhi-procedure zal zijn gestart, bereid te zijn om met verzoeker te overleggen over de wenselijkheid van een spoedige openstelling van de burgemeestersvacature.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het schrijven van verweerder van 6 december 2001 niet gericht op rechtsgevolg maar op feitelijk gevolg. Immers, het enige gevolg van deze beslissing is dat de burgemeestersvacature niet wordt opengesteld, waardoor eventuele gegadigden, niet de mogelijkheid wordt geboden om te solliciteren naar het ambt van burgemeester en de Kroon niet tot een benoeming in de zin van art. 61 Gemeentewet kan overgaan.

Verweerders beslissing blokkeert derhalve de procedure die leidt tot een benoeming als in het voorgaande bedoeld; het opwerpen van deze blokkade is van feitelijke aard.

Derhalve is de voorzieningenrechter van oordeel dat het schrijven van verweerder geen besluit is in de zin van art. 1:3 van de Awb.

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, wegens ontbreken vereiste connexiteit.

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder.

De gemeenteraad van de gemeente Warmond, verzoeker;

Mr. J.W. Sentrop

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nr. AWB 02/465 BESLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

de gemeenteraad van de gemeente Warmond, verzoeker,

ten aanzien van het schrijven van 6 december 2001 van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder, waarbij verweerder te kennen heeft gegeven dat de niet-openstelling van de burgemeestersvacature in de gemeente Warmond wordt verlengd tot 13 juni 2002.

Zitting

Het verzoek om voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 13 maart 2002.

Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.B. Kloppenburg en mevrouw M.J. Vosjan, waarnemend burgemeester van Warmond.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J. Daalder en mr. A.J. Vos.

Belanghebbende, het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer H. Drewes.

Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Bij brief van 13 juni 2000 heeft verweerder besloten de burgemeestersvacature in de gemeente Warmond voorlopig niet open te stellen in verband met plannen voor een gemeentelijke herindeling.

Bij besluit van 8 juli 2000 heeft de Commissaris van de Koningin in Zuid-Holland mevrouw M.J. Vosjan met ingang van 16 augustus 2000 benoemd tot waarnemend burgemeester van Warmond.

In november 2001 heeft het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland de notitie “De bestuurlijke organisatie in de Leidse Regio en Duin- en Bollenstreek: grensoverschrijdende aanpak” vastgesteld. In deze notitie wordt met betrekking tot de gemeente Warmond geconcludeerd dat de blijvende zelfstandigheid van de gemeente Warmond zich niet laat verenigen met het belang van een bestuurlijk evenwicht in de regio en dat op korte termijn zal worden overgegaan tot een verdere verkenning van een aantal concreet genoemde samenvoegingsvarianten.

Bij brieven van 24 oktober 2001 en 23 november 2001 heeft de Commissaris van de Koningin in Zuid-Holland verweerder geadviseerd de niet-openstelling van de vacature te continueren.

Bij brief van 6 december 2001 heeft verweerder de niet-openstelling verlengd tot uiterlijk 13 juni 2002.

Tegen dit schrijven heeft verzoeker bij brief van 15 januari 2002 een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft verzoeker bij brief van 29 januari 2002 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verzoeker heeft aan zijn bezwaar- en beroepschrift - samengevat - de volgende overwegingen ten grondslag gelegd. Verzoeker voert aan dat, hoewel het bezwaarschrift is gericht tegen het besluit van 6 december 2001, dat niet wil zeggen dat verzoeker de juistheid van het oorspronkelijke besluit accepteert. Onder verwijzing naar verweerders circulaire van 21 november 2001 betreffende procedureregels bij burgemeestersbenoemingen voert verzoeker daartoe aan dat het besluit tot het voorlopig niet-openstellen van de burgemeestersvacature een maatregel is, die slechts in zicht zou behoren te komen op het moment dat de gemeentelijke herindeling zich in een vergevorderd stadium bevindt. Verzoeker benadrukt dat de regeling inzake het benoemen van een waarnemend burgemeester zoals opgenomen in artikel 78 van de Gemeentewet uitdrukkelijk een tijdelijk karakter heeft. De waarnemingsregeling is volgens verzoeker bedoeld als noodvoorziening om een bepaalde korte periode te overbruggen, in het geval van bijvoorbeeld ziekte of tussentijds vertrek van de burgemeester.

Verzoeker is voorts van mening dat het besluit tot het niet-openstellen van de vacature een besluit betreft dat vatbaar is voor bezwaar en beroep.

Er wordt immers, zo voert verzoeker aan, een juridische situatie gecreëerd en gelegaliseerd, waarbij de gemeente Warmond een door de Kroon benoemde burgemeester ontbeert, hetgeen een essentieel element is in ons democratisch bestel en een noodzakelijke voorwaarde voor een krachtig lokaal bestuur. Volgens verzoeker is het uitermate onwaarschijnlijk dat de verkenning naar de samenwerkingsvarianten vóór 13 juni 2002 zal zijn afgerond. Op grond hiervan is volgens verzoeker allerminst te verwachten dat de inzet van de Arhi-procedure vóór 13 juni 2002, derhalve binnen de genoemde termijnen, als aannemelijk valt te kwalificeren, en al helemaal niet dat binnen deze termijn een herindelingsontwerp gereed zal zijn. Verzoeker merkt in dit kader op dat verweerder onlangs nog een drietal vacatures in de desbetreffende regio heeft opengesteld, waarna inmiddels burgemeesters zijn benoemd. Volgens verzoeker is, indien reeds begin 2000 duidelijk was dat er binnen twee jaar sprake zou zijn van gemeentelijke herindeling, althans een herindelingsontwerp zou zijn vastgesteld, waarbij ook het voortbestaan van deze gemeenten onzeker was, het niet te verdedigen dat deze gemeenten wel een nieuwe, benoemde burgemeester hebben gekregen en de gemeente Warmond daarvan vooralsnog verstoken is gebleven. Verzoeker is van oordeel dat hier sprake is van een zekere mate van ongelijkheid en willekeur. Verzoeker heeft er belang bij dat ten aanzien van voornoemd besluit met toepassing van artikel 8:81 van de Awb een voorlopige voorziening wordt getroffen aangezien enkel tijdsverloop op dit moment verder afbreuk kan doen aan de positie van de gemeente Warmond. De gemeente Warmond heeft er belang bij zo spoedig mogelijk te beschikken over een door de Kroon benoemde burgemeester, teneinde in de onderhandelingen omtrent de bestuurlijke reorganisatie in de Leidse Regio en de Duin- en Bollenstreek een gelijkwaardige positie in te kunnen nemen naast de overige gemeenten.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 8 van de Wet algemene regels herindeling (hierna: de Wet Arhi) stellen Gedeputeerde Staten burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten in de gelegenheid met hen overleg te voeren over de wens tot grenscorrectie of tot wijziging van de gemeentelijke indeling.

Artikel 6 van de Ambtsinstructie commissaris van de Koning bepaalt dat, wanneer het ambt van burgemeester van een gemeente openvalt, de commissaris binnen vier maanden nadat de gelegenheid tot sollicitatie voor deze functie is opengesteld, een met reden omklede aanbeveling van tenminste twee personen aan onze Minister van Binnenlandse Zaken zendt.

Artikel 6 van de Gemeentewet bepaalt dat in elke gemeente een raad, een college van burgemeester en wethouders en een burgemeester is.

Artikel 61 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester bij Koninklijk Besluit op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken wordt benoemd. De tweede en volgende leden van artikel 61 Gemeentewet geven de procedure die moet worden gevolgd. Het besluit tot openstelling van de vacature gaat aan deze procedure vooraf.

Artikel 78 van de Gemeentewet bepaalt dat, indien de commissaris van de Koning het in het belang van de gemeente nodig oordeelt, voorziet hij in afwijking van artikel 77 in de waarneming. Alvorens daartoe over te gaan hoort hij de raad, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.

De procedureregels bij burgemeestersbenoemingen zijn verder uitgewerkt in een circulaire. Deze circulaire is opnieuw vastgesteld op 12 juli 2001, Stct. 2001, 145, welke circulaire is ingetrokken en vervangen door de circulaire van 21 november 2001. Op grond van punt I onder 5.2 kan de Minister op voorstel van of na overleg met de commissaris van de Koning, die daarover het college van gedeputeerde staten raadpleegt, beslissen dat een vacature in een gemeente voorlopig niet wordt opengesteld indien:

5.2.1 het college van burgemeester en wethouders op grond van de Wet algemene regels herindeling is uitgenodigd tot het voeren van overleg over de wens tot wijziging van de gemeentelijke indeling.

5.2.2 aannemelijk is dat binnen een jaar het college van burgemeester en wethouders tot het overleg, bedoeld onder a, zal worden uitgenodigd.

5.2.3 aannemelijk is dat binnen twee jaar de raad van de betrokken gemeente, te samen met de raad c.q. raden van een of meer andere gemeente(n), met toepassing van artikel 5 van de Wet algemene regels herindeling een herindelingsontwerp zal vaststellen.

Ingevolge 5.3 geldt de beslissing de vacature niet open te stellen voor een jaar en kan deze eenmaal voor een jaar worden verlengd.

De voorzieningenrechter ziet zich allereerst gesteld voor de beantwoording van de vraag of de brief van verweerder van 6 december 2001 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Is dat niet het geval, dan staat ingevolge artikel 7:1 van de Awb, niet de mogelijkheid open daartegen een ontvankelijk bezwaarschrift in te dienen.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is het schrijven van verweerder van 6 december 2001 er uitsluitend op gericht om, in afwachting van het starten van een procedure in het kader van de Wet Arhi, de burgemeestersvacature in de gemeente Warmond voorlopig niet open te stellen. Verweerder heeft daarbij aangegeven, zodra blijkt dat het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland vóór 13 juni 2002 geen Arhi-procedure zal zijn gestart, bereid te zijn om met verzoeker te overleggen over de wenselijkheid van een spoedige openstelling van de burgemeestersvacature.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is, mede gelet op de bovengenoemde wetsartikelen in onderling verband bezien, het schrijven van verweerder van 6 december 2001 niet gericht op rechtsgevolg maar op feitelijk gevolg. Immers, het enige gevolg van deze beslissing is dat de burgemeestersvacature niet wordt opengesteld, waardoor eventuele gegadigden, niet de mogelijkheid wordt geboden om te solliciteren naar het ambt van burgemeester en de Kroon niet tot een benoeming in de zin van artikel 61 van de Gemeentewet kan overgaan.

Verweerders beslissing blokkeert derhalve de procedure die leidt tot een benoeming als in het voorgaande bedoeld; het opwerpen van deze blokkade is van feitelijke aard.

Op grond van bovenstaande overwegingen komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het schrijven van verweerder van 6 december 2001 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Tegen het schrijven van 6 december 2001 kan geen ontvankelijk bezwaarschrift worden ingediend zodat het verzoek om voorlopige voorziening wegens het ontbreken van de vereiste connexiteit niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De voorzieningenrechter komt derhalve aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil niet toe. De vraag of een beslissing als de onderhavige rechtmatig is zal door de civiele rechter beoordeeld moeten worden.

Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de president niet gebleken.

Beslist dient derhalve te worden als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. J.W. Sentrop, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2002, in tegenwoordigheid van de griffier mr. G.M. Keizer.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: