Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE3141

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-05-2002
Datum publicatie
23-05-2002
Zaaknummer
09.757.075/02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer : 09.757.075/02

's-Gravenhage, 23 mei 2002.

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting (de Schie) te Rotterdam.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 15 mei 2002.

De verdachte, bijgestaan door de raadsman mr. P.J.L.J. Duijsens, is verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. A.T. van Nederpelt heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding telastgelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij (bij wijze van voorschot) tot een bedrag van € 20.000,- en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige of meer gevorderde.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Hiertoe heeft de rechtbank het navolgende overwogen.

Weliswaar is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het hem telastgelegde dient te worden vrijgesproken, doch de rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat tussen verdachte en aangeefster meer heeft bestaan dan een zuiver zakelijk werkrelatie en in concreto dat sprake is geweest van seksuele handelingen tussen verdachte en aangeefster in de periode van 5 oktober 2001 tot Kerstmis 2001.

De rechtbank grondt dit oordeel op de aangifte, het grote aantal (28) privé-telefoontjes van verdachte naar aangeefster, het aanbieden van een lift, een om en nabij de 20 minuten durend bezoek van verdachte bij aangeefster thuis en het gegeven dat aangeefster in staat is gebleken gedetailleerd een aantal specifieke lichaamskenmerken van verdachte weer te geven.

De verklaring die verdachte -in een laat stadium- heeft gegeven voor de wetenschap van aangeefster van het litteken bij verdachte acht de rechtbank onaannemelijk.

Echter, de rechtbank is niet gebleken van wettig en overtuigend bewijs om welke seksuele handelingen van de telastlegging beschreven handelingen het in concreto gaat.

Daarenboven acht de rechtbank evenmin wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van gedwongen seksuele handelingen, waarbij de dwang telkenmale heeft bestaan uit het misbruiken van de positie van verdachte (en het daaruit voortvloeiende overwicht/gezag) door verdachte tegenover aangeefster.

De rechtbank heeft mede in haar oordeel betrokken dat aangeefster overigens zeer wel in staat is gebleken actie te ondernemen indien haar iets binnen de werksituatie niet beviel.

De rechtbank acht het onaannemelijk dat aangeefster, zoals zij in haar aangifte verklaart, bij de diverse seksuele handelingen op verschillende tijdstippen en plekken geen andere keuze heeft gehad dan deze te dulden.

De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

De vordering van de benadeelde partij.

[benadeelde partij], wonende te [woonplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 41.989,93.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij dagvaarding telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis;

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding en dat deze haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

Dit vonnis is gewezen door

mrs A.A. Kalk, voorzitter,

Ch.M. Derijks en O. van der Wind, rechters,

in tegenwoordigheid van E. Wagter, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 mei 2002, zijnde

mr. Van der Wind buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.