Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE1994

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-03-2002
Datum publicatie
26-04-2002
Zaaknummer
AWB 02/16508
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2002:AE8467
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Somalië / Reer Hamar / alleenstaande vrouw.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de ambtsberichten van 16 februari 2000 en 12 juni 2001 niet als grondslag dienen voor het oordeel dat alleenstaande Reer Hamar vrouwen een vestigingsalternatief hebben in het relatief veilige deel van Somalië.

De verwijzing van verweerder naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 januari 2002, waarin de Afdeling tot het oordeel komt dat minderheidsgroeperingen in zijn algemeenheid over een verblijfsalternatief beschikken in het veilige deel van Somalië, omdat dit in het ambtsbericht van 12 juni 2001 staat vermeld en er geen concrete aanwijzingen zijn op grond waarvan aan de juistheid van deze stelling moet worden getwijfeld, volgt de rechtbank niet. Dit omdat in dit zelfde ambtsbericht over vrouwen behorend tot de minderheidsgroepen wordt gesteld dat geen informatie is over hun positie en het ambtsbericht van 16 februari 2000 een concreet aanknopingspunt biedt voor de stelling dat een alleenstaande Reer Hamar vrouw geen verblijfsalternatief heeft in het noorden van Somalië.

De bestreden beschikking is gelet hierop niet deugdelijk gemotiveerd. Beroep gegrond

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Vreemdelingenkamer

[Procedurenummer b.v. 01/123456 BEPTDN A S2]AWB [Procedurenummer b.v. 01/123456 BEPTDN A S2]

Regnr.: AWB 02/16508 BEPTDN A S7

U I T S P R A A K

inzake: A,

geboren op [...] 1953,

van Somalische nationaliteit,

IND-dossiernummer: 0203.02.8003,

eiseres,

gemachtigde: mr. R. Kakes, advocaat te Zwolle,

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door: S. Raterink, ambtenaar ten departemente.

PROCESVERLOOP

Op 2 maart 2002 heeft eiseres een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft bij beschikking van 5 maart 2002 afwijzend op de aanvraag beslist.

Bij beroepschrift van 5 maart 2002 heeft eiseres tegen de hiervoor genoemde beschikking beroep ingesteld. Tevens is op 5 maart 2002 verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op het beroep is beslist.

De rechtbank heeft op grond van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het beroep versneld wordt behandeld. De openbare behandeling van zowel het beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden op 15 maart 2002. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

MOTIVERING

Standpunten partijen

Het vluchtrelaas van eiseres komt op het volgende neer. Eiseres behoort tot de Reer Hamar, substam, Abaa Jibil en is afkomstig uit Mogadishu. Op 22 september 1996 is de boerderij van eiseres door mannen behorend tot de Habar Gidir clan, subclan Saleban aangevallen, geplunderd en geconfisceerd. Hierbij is de echtgenoot van eiseres om het leven gebracht. Dezelfde dag is eiseres naar B gevlucht waar een tante van haar woonde. In 1999 is de schoonzoon van eiseres gedood door mannen eveneens behorend tot de Habar Gidir clan, subclan Saleban. Eiseres is hierop in juni 1999 naar Tanzania gevlucht, waar zij tot 15 februari 2002 heeft verbleven. Op 19 februari 2002 is eiseres per trein vanuit Frankrijk Nederland ingereisd.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Voorts meent verweerder dat de aanvraag binnen achtenveertig proces-uren kon worden afgewezen. Verweerder twijfelt aan de geloofwaardigheid van het relaas van eiseres nu eiseres ter staving van haar aanvraag geen reis-of identiteitspapieren, documenten of bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van haar aanvraag en zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van deze documenten niet aan haar is toe te rekenen. Daarenboven heeft eiseres wisselende en zeer bevreemdende verklaringen afgelegd en is verder haar vrees voor vervolging louter gebaseerd op vermoedens. Indien eiseres evenwel gevolgd dient te worden in haar verklaringen is naar het oordeel van verweerder niet gebleken dat de mannen behorend tot de eerdergenoemde clan specifieke belangstelling voor de persoon van eiseres hadden wegens een van de in het Vluchtelingenverdrag genoemde gronden. Veeleer ligt het in de rede dat eiseres willekeurig slachtoffer is geworden van banditisme. Evenmin kan de dood van de echtgenoot en schoonzoon leiden tot vluchtelingschap nu niet is gebleken dat eiseres daardoor in de negatieve belangstelling van de autoriteiten is komen te staan. Dat eiseres zich ten tijde van haar vertrek uit Somalië niet in een situatie bevond dat zij dringend en acuut bescherming nodig had blijkt volgens verweerder ook uit het feit dat zij geen bescherming heeft gevraagd in achtereenvolgend Tanzania, Ethiopië, Sudan en Frankrijk. Evenmin is aannemelijk dat sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard die eiseres aanspraak geven op verlening van een vergunning tot verblijf. Voorts heeft verweerder overwogen dat terugkeer in verband met de algehele situatie niet van bijzondere hardheid is. Verweerder verwijst daarvoor naar de ambtsberichten van 16 februari 2000 en 12 juni 2001 en een brief van de Staatssecretaris van Justitie van 24 september 2001.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat haar aanvraag ten onrechte in de AC-procedure is afgedaan. Eiseres bestrijdt dat zij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de eigendomspapieren. De opmerking dat eiseres tijdens het eerste gehoor zou hebben gezegd dat de eigendomspapieren in haar woning lagen heeft de gemachtigde van eiseres niet terug kunnen vinden in het rapport van eerste gehoor. Volgens de gemachtigde wordt in het eerste gehoor alleen iets gezegd over het paspoort dat in het huis is achtergebleven en van de overige documenten dat deze zijn achtergebleven. Als documenten bij de schoonvader zijn achtergebleven dan heeft eiseres daar volgens de gemachtigde niets tegenstrijdigs mee gezegd. Voorts is namens eiseres aangevoerd dat eiseres een alleenstaande vrouw is van de Reer Hamar. Volgens de gemachtigde blijkt uit de door verweerder aangehaalde ambtsberichten niet dat de positie van alleenstaande vrouwen van de Reer Hamar is verbeterd, maar blijkt daar juist uit dat over de positie van vrouwen behorend tot minderheidsgroeperingen weinig specifieke informatie beschikbaar is. Het standpunt van verweerder wordt dan ook niet gedragen door deze ambtsberichten.

Ten slotte is aangevoerd dat de beslissing niet binnen 48 procesuren is genomen. Volgens eiseres valt niet in te zien dat er onderscheid zou moeten worden gemaakt tussen de slagboomtijd en de VD tijd.

Beoordeling van het beroep

De in een AC-procedure beschikbare onderzoekstijd

De rechtbank ziet aanleiding allereerst in te gaan op de vraag of de onderhavige aanvraag om een verblijfsvergunning door verweerder door middel van de zogeheten AC-procedure kon worden afgedaan. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of de volgens de toepasselijke regelgeving voor een dergelijke afdoening (maximaal) beschikbare tijd is overschreden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 3.111, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt de vreemdeling niet eerder dan zes dagen na indiening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), aan een nader gehoor onderworpen.

Ingevolge artikel 3.112, eerste lid, aanhef en onder b, Vb 2000 is deze termijn niet van toepassing op de aanvraag van de vreemdeling ten aanzien van wie verweerder naar aanleiding van het in artikel 3.110 Vb 2000 bedoelde eerste gehoor overweegt de aanvraag binnen 48 procesuren af te wijzen.

Artikel 3.117, eerste lid, Vb 2000 bepaalt het volgende. Indien de Minister voornemens is de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 Vw 2000, af te wijzen binnen 48 procesuren, wordt het schriftelijk voornemen daartoe aan de vreemdeling uitgereikt. Artikel 3.115 Vb 2000 is niet van toepassing. Ingevolge het tweede lid van artikel 3.117 Vb 2000 bedraagt de termijn voor het indienen van een zienswijze dan maximaal drie uren.

Ingevolge artikel 1.1 onder f, Vb 2000 worden onder procesuren verstaan de uren die voor het onderzoek naar de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 in een aanmeldcentrum beschikbaar zijn, waarbij de uren van 22.00 tot 8.00 uur niet meetellen.

Noch uit de Vw 2000, noch uit de Vb 2000, noch uit de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 december 2001 (200105777/1) en van 25 februari 2002 (200200319/1), valt eenduidig af te leiden wat de aanvangstijd van de 48-uurstermijn is. In de uitspraken van de ABRS wordt in dit verband gemeld dat alle uren sedert de aanmelding van een vreemdeling tot aan de uitreiking van het besluit als procesuren zijn aan te merken. In hoofdstuk C3/12, paragraaf 2.2.3 Vc 2000 is opgenomen dat de 48-uurstermijn in, onder meer, het aanmeldcentrum Ter Apel aanvangt op het moment dat de vreemdelingendienst begint met het eerste onderzoek van de eerste fase. Tussen de aanmelding op afspraak, de zogenaamde slagboomtijd, en de hiervoor bedoelde feitelijke opname in de asielprocedure geldt volgens dezelfde paragraaf in de Vc een maximale wachttijd van vier uur.

Uit de stukken is gebleken dat eiseres, conform de eerder gemaakte afspraak op 2 maart 2002 om 8.00 uur is aangekomen op het aanmeldcentrum Ter Apel. Dit is de zogenoemde slagboomtijd. Dezelfde dag, om 9.07 uur is door een bij het AC-Ter Apel werkzame ambtenaar een aanvang genomen met het onderzoek naar de aanvraag, mede door het indienen van de aanvraag door middel van het invullen van model M35-H. De bestreden beschikking is uitgereikt op 5 maart 2002 om 15.05 uur.

Tussen de slagboomtijd en de feitelijke aanvang van het onderzoek is niet meer dan vier uur gelegen.

Verweerder heeft aangegeven dat de vreemdeling na aankomst, in afwachting van het moment dat zij wordt opgehaald om de aanvraag in te dienen, in de wachtkamer verblijft. Er worden gedurende die periode geen onderzoekshandelingen verricht. De gemachtigde van eiseres heeft weliswaar gesteld dat er redelijkerwijs onderzoek plaats kan vinden gedurende deze periode, maar niet aangegeven dat het onderzoek naar de door eiseres nog in te dienen aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning de facto is aangevangen.

Gelet op de definitie van proces-uur, zoals gegeven in artikel 1.1 Vb 2000 en de in het bijzonder uit de artikelen 3.108 en 3.109 blijkende systematiek van het Vb 2000 moet worden geoordeeld dat de aanvangstijd van de 48 uurs-procedure in beginsel ingaat op het moment van het indienen van de aanvraag. Een uitzondering hierop kan worden gemaakt indien verweerder, voorafgaande aan de indiening van de aanvraag, reeds onderzoekshandelingen met betrekking tot die aanvraag verricht die het kader van artikel 3.109 Vb 2000 te buiten gaan. In de onderhavige situatie is dit echter gesteld, noch gebleken.

Uit het voorgaande volgt dat de aanvraag binnen 48 proces-uren is afgedaan zodat de rechtbank het beroep in zoverre ongegrond verklaart.

Beoordeling asielrelaas

Vervolgens is de vraag aan de orde of verweerder de onderhavige aanvraag zonder schending van eisen van zorgvuldigheid in het kader van de AC-procedure heeft kunnen afwijzen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling

die verdragsvluchteling is;

die aannemelijk heeft gemaakt dat zij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van haar vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat zij terugkeert naar het land van herkomst;

voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Op grond van artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag) worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde redenen hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd.

Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Somalië zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw in samenhang met artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a, b en c Vw 2000 moet worden verleend. Daarom zal aannemelijk moeten zijn dat met betrekking tot eiseres persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een dergelijke verblijfsvergunning moet worden verleend.

De rechtbank constateert dat eiseres geen documenten heeft overgelegd om haar nationaliteit, identiteit en reisroute te kunnen vaststellen en dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit niet aan haar is toe te rekenen. Dit neemt evenwel niet weg, dat het asielrelaas ook inhoudelijk moet worden beoordeeld. Uitgaande van de geloofwaardigheid van het asielrelaas overweegt de rechtbank dat niet aannemelijk is dat de aanval en plundering van eiseresses boederij, waarbij haar boerderij door plunderaars in beslag is genomen en haar echtgenoot is gedood samenhangen met haar afkomst. Veeleer is aannemelijk dat eiseres en haar familie slachtoffer zijn geworden van de algehele situatie in hun land van herkomst. Mitsdien zijn er onvoldoende persoonlijke feiten en omstandigheden die vluchtelingschap aannemelijk maken. Een beroep op de algehele situatie in het land van herkomst biedt onvoldoende aanknopingspunten voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap.

Eiseres kan derhalve niet aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 een aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

Het is, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet aannemelijk dat eiseres gegronde redenen heeft om aan te nemen dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, zodat eiseres aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 evenmin aanspraak op een verblijfsvergunning kan ontlenen.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of verweerder, die als uitgangspunt hanteert dat uit Somalië afkomstige vreemdelingen, behorend tot de zogenaamde minderheidsgroepen, niet naar het zuiden teruggezonden kunnen worden vanwege de daar heersende algemene toestand van onveiligheid, terecht heeft aangenomen dat eiseres een verblijfsalternatief heeft in het relatief veilige gebied van Somalië.

Eiseres heeft gesteld dat zij een alleenstaande vrouw is afkomstig uit de bevolkingsgroep van de Reer Hamar. Door verweerder is deze stelling niet weersproken, zodat de rechtbank hiervan bij zijn verdere beoordeling van de zaak uitgaat.

In het bestreden besluit heeft verweerder onder verwijzing naar de ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken van 16 februari 2000 en 12 juni 2001, de brief van de staatssecretaris van Justitie van 24 september 2001 en een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 januari 2002 geoordeeld dat eiseres zich aan dreigende of zich voordoende problemen met andere stammen kan onttrekken door zich in de relatief veilige gebieden van Somalië te vestigen, te weten Somaliland, Galgudud, Hiiran en Puntland. Volgens verweerder is in dit gedeelte van Somalië, ook voor leden van minderheidsgroepen, een verblijfsalternatief aanwezig.

De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel ondeugdelijk is gemotiveerd en overweegt daartoe als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de hiervoor genoemde ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken van 16 februari 2000 en 12 juni 2001 niet als grondslag dienen voor het oordeel dat alleenstaande Reer Hamar vrouwen, zoals eiseres, een vestigingsalternatief hebben in het relatief veilige deel van Somalië.

De passage uit het ambtsbericht van 16 februari 2000 over alleenstaande vrouwen vermeldt: “De positie van vrouwen behorend tot minderheidsgroepen wijkt af van het bovenstaande, daar de minderheden geen clanstructuur kennen en een lagere status hebben. Weduwen of gescheiden vrouwen behorend tot de Reer Hamar of de Reer Brava die geen naaste familie in het relatief veilige deel van Somalië hebben zouden het, indien zij zich in dat gebied vestigen, zeer moeilijk hebben. Zij zouden feitelijk uitgestotenen blijven, voor wie weinig anders openstaat dan te leven van de prostitutie“. (pag. 51)

Naar aanleiding van deze informatie voerde verweerder tot 24 september 2001 het, in de brief van de Staatssecretaris van Justitie van 3 april 2000 en werkinstructie 224 neergelegde, beleid dat aan alleenstaande Reer Hamar vrouwen een verblijfsvergunning zonder beperkingen werd toegekend.

Voorts wordt in het ambtsbericht van juni 2001 over de positie van alleenstaande vrouwen uit de minderheidsgroepen slechts vermeld: „Over de positie van vrouwen behorend tot minderheidsgroepen is weinig specifieke informatie beschikbaar“ (pag. 52). Op grond van deze informatie kan niet tot het oordeel worden gekomen dat thans wel duidelijk is (geworden) dat de positie van een alleenstaande Reer Hamar vrouw zodanig is dat haar thans wel een verblijfsalternatief in het noorden van Somalië kan worden tegengeworpen.

De verwijzing van verweerder naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 januari 2002 volgt de rechtbank niet. De Afdeling komt in deze uitspraak tot het oordeel dat minderheidsgroeperingen in zijn algemeenheid over een verblijfsalternatief beschikken in het veilige deel van Somalië, omdat dit in het ambtsbericht van 12 juni 2001 staat vermeld en er geen concrete aanwijzingen zijn op grond waarvan aan de juistheid van deze stelling zou moeten worden getwijfeld. In ditzelfde ambtsbericht wordt daarentegen ten aanzien van de vrouwen behorend tot de minderheidsgroepen gesteld dat geen informatie beschikbaar is over hun positie. Dit terwijl het vorige ambtsbericht een concreet aanknopingspunt biedt voor de stelling dat de alleenstaande Reer Hamar vrouw geen verblijfsalternatief heeft in het noorden van Somalië.

Gezien het voorgaande heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat aan eiseres een verblijfsalternatief in het noorden van Somalië kan worden tegengeworpen. De bestreden beschikking is gelet hierop niet deugdelijk- want niet voldoende draagkrachtig- gemotiveerd en moet wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd. Het beroep van eiseres zal dan ook gegrond worden verklaard.

De rechtbank is tenslotte van oordeel dat aanleiding bestaat verweerder in het kader van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad EUR 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet voldoen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van „hoger beroep vreemdelingenzaken“, postbus 16113, 2500 BC te ‘s-Gravenhage Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Aldus gegeven door mr. B.I. Klaassens , en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.B.A. Mensink als griffier op 22 maart 2002

Afschrift verzonden op: 22 maart 2002