Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE1987

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-02-2002
Datum publicatie
26-04-2002
Zaaknummer
AWB 02/13497 VRONTN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / verblijf in lounge.

De inhoud en strekking van de beschikking tot aanwijzing van de lounge als ruimte in de zin van artikel 6 Vw 2000 zijn niet in een voor eiser begrijpelijke taal meegedeeld. Het betoog van verweerder dat dit niet opgaat aangezien er een vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd, faalt. Er zijn aanwijzingen dat verweerder zelf van oordeel is dat de lounge-beschikking op vrijheidsontneming is gericht.

De koppen van de plaatsingsbeschikkingen van de lounge en het AC (waarvan aangenomen wordt dat dit vrijheidsontneming betreft) zijn gelijkluidend. Op de tweede pagina van de plaatsingsbeschikking in de lounge wordt bovendien gewezen op de mogelijkheid van instellen van beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel en dat deze maatregel binnen tien dagen door een rechter beoordeeld zal worden. Verweerder ziet de opgelegde maatregel dus zelf als vrijheidsontneming.

De omstandigheid dat rechtshulpverleners binnen de asielprocedure betrokkene op de hoogte kunnen stellen van de opgelegde maatregel en betrokkene door het niet meedelen van de strekking en inhoud van de opgelegde maatregel in een voor hem begrijpelijke taal, niet in zijn belangen geschaad is, doet niet af aan de zelfstandige verplichting dat artikel 5 EVRM aan de vrijheidsontnemende instantie oplegt om betrokkene onverwijld op de hoogte te stellen van de reden van de vrijheidsontneming en deze verplichting kan niet door de rechtshulp vervuld worden.

Verweerder wordt in overweging gegeven folders in alle wereldtalen beschikbaar te stellen. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/212
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 02 / 13497 VRONTN

inzake : A (alias A, geboren op [...] 1980),

geboren op 15 september 1981, van (gestelde) Libanese nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, eiser,

gemachtigde: mr. K. van Koutrik, advocaat te Amsterdam,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. H. Hanouman, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 17 februari 2002 is eiser op grond van artikel 3 van de Vw 2000 op de luchthaven Schiphol de verdere toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van eiser is op dezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 toegepast.

Verweerder heeft de rechtbank op 20 februari 2002 in kennis gesteld. Krachtens artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 wordt de vreemdeling daarmee geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Op 20 februari 2002 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Op 24 februari 2002 heeft eiser zijn asielaanvraag ingetrokken.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 27 februari 2002. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Ter zitting was tevens aanwezig A.S.M. Aamawandi, tolk in de Arabische taal.

Ter zitting heeft gemachtigde van eiser namens eiser opheffing van de maatregel gevorderd.

II. OVERWEGINGEN

De rechtbank overweegt het volgende.

Ter zitting is namens eiser betoogd dat de aan hem opgelegde maatregel onrechtmatig is omdat de inhoud van de beschikking van 17 februari 2002 waarbij eiser werd verplicht zich op te houden in de Lounge niet op een voor de vreemdeling begrijpelijke wijze is meegedeeld. In de beschikking wordt immers aangetekend dat er geen tolk in de Arabische taal beschikbaar was. Voorts zijn aan eiser folders uitgereikt in de Engelse taal na de uitreiking van de beschikking waarbij het Aanmeldcentrum als plaats is aangewezen. Deze taal beheerst eiser niet, zodat hij ook niet langs schriftelijke weg op begrijpelijke wijze over de inhoud van de maatregel is geïnformeerd.

Namens verweerder is ter zitting betoogd dat deze stelling niet opgaat reeds omdat hier geen sprake is van een vrijheidontnemende, maar van een vrijheidsbeperkende maatregel.

De rechtbank kan het betoog van verweerder niet volgen. Hiertoe is het volgende redengevend.

Artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 luiden als volgt:

"1. De vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd kan worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats.

2. Een ruimte of plaats, bedoeld in het eerste lid, kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek." Blijkens de wetgeschiedenis ziet het eerste lid op vrijheidsbeperking en het tweede lid in combinatie met het eerste lid op vrijheidsontneming.

Algemeen wordt aangenomen dat de beschikking waarbij het Aanmeldcentrum wordt aangewezen een vrijheidsontnemende maatregel inhoudt. De kop van de plaatsingsbeschikking van de Lounge (hierna: Loungebeschikking) luidt: "Model M19 Beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge art. 6 lid 1 of lid 1 en 2 van de Vreemdelingenwet 2000". De beschikking waarbij het Aanmeldcentrum Schiphol als zodanig wordt aangewezen is gelijkluidend. Het bovenstaande vormt reeds een aanwijzing dat verweerder zelf van oordeel is dat de Loungebeschikking op vrijheidsontneming is gericht.

Voor dit oordeel zijn nog meer aanwijzingen beschikbaar. Op pagina twee van de Loungebeschikking staat: „Beroep tegen de opgelegde maatregel kan op grond van de Vreemdelingenwet 2000, schriftelijk worden ingesteld bij de rechtbank te ’s-Gravenhage, … Na indiening van een eerste beroep (of eerste kennisgeving van de IND) zult u – indien de maatregel niet voor die tijd opgeheven is – (uiterlijk) op de tiende dag na aanvang van de vrijheidsontneming door een rechtbank gehoord worden. …“ Verweerder duidt de maatregel derhalve zelf als vrijheidsontnemende maatregel aan onder de mededeling dat deze door de rechter wordt beoordeeld.

Verweerder, met het vorenstaande ter zitting geconfronteerd, heeft gesteld dat hier sprake is van de toepassing van een onjuist formulier en dat, onder verwijzing naar de bestaande jurisprudentie, de plaatsing in de Lounge toch als een vrijheidsbeperkende maatregel moet worden opgevat. De rechtbank, bekend met de jurisprudentie op dit punt, kan deze stelling van verweerder desalniettemin niet aanvaarden, omdat deze in strijd is met de rechtszekerheid. Nu verweerder zelf de Loungebeschikking in het vat van een vrijheidsontnemende maatregel heeft gegoten, moet hiervan worden uitgegaan. Dit is slechts anders indien het voor de betrokkene overduidelijk is dat hier materieel van een minder vergaande maatregel sprake is. Naar het oordeel van de rechtbank is van dit laatste geen sprake. Een en ander komt er op neer dat de Loungebeschikking als een vrijheidsontnemende maatregel moet worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient de vreemdeling wiens vrijheid conform het vorenstaande is ontnomen onverwijld in een taal die hij verstaat op de hoogte te worden gebracht van de redenen van zijn vrijheidsontneming. Er is niet betwist dat dit van overheidswege mondeling noch schriftelijk is geschied zodat aan deze bepaling geen gevolg is gegeven.

Namens verweerder is ter zitting nog gesteld dat eiser kort na uitreiking van de plaatsingsbeschikking rechtshulp heeft gekregen en langs die weg wel over de aard van de opgelegde maatregel zal zijn geïnformeerd. De rechtbank aanvaardt deze stelling niet, reeds omdat de verdragsbepaling een zelfstandige verplichting voor de vrijheidsontnemende instantie in het leven roept die niet door de rechtshulp kan worden vervuld.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder een essentiële rechtswaarborg heeft geschonden zodat het beroep gegrond is.

Ten overvloede wil de rechtbank nog het volgende naar voren brengen. Er is begrip voor het gegeven dat er bij het opleggen van een vrijheidsperkende of –ontnemende maatregel niet telkens een tolk in de betrokken taal beschikbaar is. Verweerder kan dit probleem echter ondervangen door een folder met de essentialia van de maatregel in de taal van de vreemdeling uit te reiken. In dit verband verbaast het dat slechts folders in een beperkt aantal talen zoals Engels en Frans beschikbaar zijn. Het is niet zinvol een vreemdeling van wie bekend is dat hij deze talen niet spreekt – in het onderhavige geval was bekend dat betrokkene slechts Arabisch spreekt – folders in deze talen uit te reiken. Verweerder wordt in overweging gegeven folders in alle wereldtalen beschikbaar te stellen.

Hieruit volgt dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van

17 februari 2002 in strijd is met de wet. Derhalve beveelt de rechtbank de onmiddellijke opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel

De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen en wel tot een bedrag van € 95,-- per dag dat eiser in de Lounge ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest en € 70,-- per dag dat eiser in het Aanmeldcentrum Schiphol ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, derhalve in totaal € 795,-.

Gelet op het vorenstaande is er voorts aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van eiser in verband met de behandeling van het beroep, welke zijn begroot op € 322,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING:

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat de vrijheidsontnemende maatregel ingaande 28 februari 2002 wordt opgeheven;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 795,- (zegge: zevenhonderd en vijfennegentig euro), te betalen door de griffier van de rechtbank aan eiser;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 322,-- (zegge: driehonderd en tweeëntwintig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Salomon, voorzitter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2002, in tegenwoordigheid van mr. D. Tajik-Smeets, griffier.

Afschrift verzonden op: 7 maart 2002

Conc.: FS/DT

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, derde lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.