Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE1954

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-03-2002
Datum publicatie
26-04-2002
Zaaknummer
AWB 01/30858 BEPTDN C
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Amv / afwijzing asielaanvraag.

Eiser, met Guinese nationaliteit, heeft in oktober 2000 om asiel verzocht. De aanvraag is afgewezen. Tegen deze beschikking is beroep ingesteld. Gelet op de uitspraak van de ABRS van 15 februari 2002, behelst deze beschikking niet mede de weigering, aan eiser een verblijfsvergunning amv te verlenen. Er moet nog in eerste aanleg ambtshalve worden beslist over de toelating als amv. Verweerder heeft desgevraagd verklaard dat indien de weigering van een asielgerelateerde vergunning in rechte onaantastbaar wordt, van rechtswege de rechtsgevolgen intreden als bedoeld in artikel 45 Vw 2000, ook indien op dat moment nog ambtshalve moet worden beslist over de toelating als amv. Volgens verweerder ligt in het systeem van (artikel 8 van) de Vw 2000 niet besloten dat eiser de alsnog te nemen ambtshalve beslissing van rechtswege zal mogen afwachten. Naar het oordeel van de rechtbank ligt in de rede dat eiser in elk geval de primaire ambtshalve beslissing over de toelating als amv hier te lande mag afwachten. Het had immers in de rede gelegen dat deze primaire beslissing was genomen tegelijk met de beslissing op eisers aanvraag om een asielgerelateerde vergunning, terwijl ingevolge artikel 8, aanhef en onder f, Vw 2000 de aanvrager in afwachting van de beslissing op zo’n vergunning in Nederland rechtmatig verblijf heeft. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 8
Vreemdelingenwet 2000 45
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: Awb 01/30858 BEPTDN C

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A,

geboren op [...] 1983,

van Guinese nationaliteit,

IND-dossiernummer: 0010.05.8093,

eiser,

gemachtigde: mr. M.A. Buys, advocaat te Leeuwarden,

en DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ‘s-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr.ing. M.E. Minkes, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1 Op 5 oktober 2000 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikking van 22 juni 2001, heeft verweerder afwijzend op de aanvraag beslist.

1.2 Bij beroepschrift van 11 juli 2001 heeft eiser tegen de hiervoor genoemde beschikking beroep ingesteld.

1.3 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser toegezonden en hem in de gelegenheid gesteld een nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft op 15 maart 2002 een verweerschrift ingediend.

1.4 De rechtbank heeft verweerder bij brieven van 14 en 20 maart 2002 vragen gesteld. Bij brief van 26 maart 2002 heeft verweerder een reactie ingezonden. Overigens heeft verweerder in de brief van 26 maart 2002 abusievelijk vermeld dat de rechtbank vragen zou hebben gesteld op 14 en 15 maart jl. Dit moet zijn: 14 en 20 maart 2002.

1.5 Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 27 maart 2002. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. N.H. Fridsma, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Rechtsoverwegingen

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. Daarbij is van belang dat, ingevolge artikel 117, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), de aanvraag om toelating als vluchteling na de inwerkingtreding op 1 april 2001 van de Vw 2000 wordt aangemerkt als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van artikel 28 Vw 2000. Gelet op artikel 117, tweede lid, Vw 2000 zal de wijze waarop de aanvraag is behandeld en de wijze waarop de bestreden beschikking tot stand is gekomen, getoetst worden aan de hand van het recht zoals dat tot 1 april 2001 gold.

Feiten en standpunten van partijen

2.2 Eiser heeft ter ondersteuning van zijn aanvraag, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Eiser behoort tot de Sousou bevolkingsgroep en is afkomstig uit B, Guinee. In september 2000 is eiser naar een traditioneel feest in Fangnefore gegaan. Tijdens dit feest heeft eiser plotseling geweerschoten gehoord waarop iedereen is weggerend. Eiser is naar zijn dorp gevlucht. Aangekomen in zijn dorp zag eiser brandende huizen en vluchtende mensen. Hij heeft gezien dat het huis van zijn oma in brand stond en heeft zijn oma niet meer gezien. De militairen zijn vervolgens naar het dorp van eiser gegaan. Hij verkeerde in de veronderstelling dat de militairen hem zouden helpen, maar hij is – tezamen met anderen – door de militairen meegenomen vanwege het feit dat zij hem ervan verdachten een rebel te zijn. Hij is vervolgens door de militairen naar de burgergevangenis van Kindia en later naar de Surete overgebracht. In de gevangenis heeft eiser een nummer gekregen en zijn er foto’s van hem gemaakt. Later is een militair naar eiser toegekomen die hem heeft gevraagd wat hij in de gevangenis deed. De militair, die zijn buurman bleek te zijn, heeft beloofd eiser te helpen. Na twee dagen is de militair teruggekomen en heeft eiser uit de cel gehaald, waarna hij naar een militaire auto is gebracht. Met de militaire auto is eiser vervolgens naar de haven gebracht. In de haven aangekomen, is hij aan een onbekende man toevertrouwd. Eiser is in september 2000 per schip naar Europa gereisd.

2.3 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser ter staving van zijn aanvraag geen documenten heeft overgelegd waaruit zijn nationaliteit, identiteit en reisroute kunnen worden afgeleid. Nu eiser geen documenten heeft overgelegd en evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van deze documenten niet aan hem is toe te rekenen, is de oprechtheid van zijn asielrelaas op voorhand aangetast en wordt afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid van dit relaas. Voorts is niet aannemelijk dat eiser in Guinee gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiser is nimmer lid of sympathisant geweest van een politieke partij of beweging en hij heeft geen godsdienstige of maatschappelijke activiteiten ontplooid. Niet is gebleken dat zijn ouders of andere familieleden politiek actief zijn geweest. De verklaringen van eiser maken niet aannemelijk dat de militairen persoonlijke bezwaren tegen hem hadden dan wel dat hij door hen als opposant werd beschouwd. Uit eisers relaas blijkt niet dat er een arrestatiebevel tegen hem is uitgevaardigd. Eiser is kennelijk vanwege de algemene veiligheidssituatie in verband met de aanwezigheid van rebellen in zijn land met vele anderen opgepakt. Eiser is met anderen in de gevangeniscel geplaatst en is alleen geregistreerd. Hij is noch verhoord noch in staat van beschuldiging gesteld. Verder heeft eiser, onder het toeziend oog van de bewakers zonder enige controle, na enkele dagen detentie met behulp van een bevriende militair op eenvoudige wijze weten te ontsnappen. Dit duidt er op dat eiser niet als opposant wordt beschouwd.

2.4 Eiser stelt zich op het standpunt dat hij zelf nooit een ander identiteitsbewijs dan een schoolkaart in bezit heeft gehad. Eiser sluit niet uit dat er een geboorteakte was. Hij heeft echter nooit een geboortebewijs gezien of in handen gehad. Eiser heeft ook nooit een paspoort of ander reisdocument nodig gehad. Om die reden heeft hij een dergelijk reisdocument nooit aangevraagd of gekregen. Ook voor de reis vanuit zijn land van herkomst was geen paspoort of ander document nodig. Eiser meent dat het ontbreken van reis- of identiteitsdocumenten, documenten of andere bescheiden, niet aan eiser kan worden toegerekend. De omstandigheid dat eiser geen documenten kan overleggen rechtvaardigt overigens nog niet de conclusie dat het asielrelaas van eiser niet oprecht is en ongeloofwaardig zou zijn. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat uit zijn verklaringen blijkt dat hij door de militairen als rebel werd beschouwd. Het enkele feit dat eiser niet is verhoord dan wel dat er geen arrestatiebevel tegen hem is uitgevaardigd wil nog niet zeggen dat de militairen geen persoonlijke bezwaren tegen eiser hadden. Eiser is opgepakt omdat de militairen hem als rebel beschouwden. Gedurende eisers gevangenschap bleven de militairen hem als rebel beschouwen. Eiser heeft aangegeven dat er soms medegevangen, die tezamen met eiser zijn opgepakt en eveneens als rebel werden beschouwd, met geweld uit de cel werden gehaald en niet meer terug zijn gekomen. Eiser wil benadrukken dat het hier niet ging om vrijlatingen, zodat het dus duidelijk is wat er met deze mensen is gebeurd. Eiser heeft met de hulp van een militair weten te ontsnappen en hij is vervolgens naar een militaire auto gebracht. De ontsnapping van eiser heeft bij de bewakers geen argwaan gewekt, nu vaker mensen in de nacht zijn weggevoerd.

Eiser zal bij terugkeer naar Guinee een reëel gevaar lopen slachtoffer te worden van een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De Guinese autoriteiten hebben een slechte reputatie omtrent de behandeling van (vermeende) politieke tegenstanders.

Beoordeling van het beroep

2.5 De rechtbank merkt allereerst het volgende op.

Verweerder heeft, in reactie op vragen van de rechtbank, bij brief van 26 maart 2002 bericht dat gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 februari 2002 (reg. nr. 200200340/10), het bestreden besluit van 22 juni 2001 niet mede behelst de weigering, aan eiser ambtshalve een reguliere verblijfsvergunning te verlenen onder de beperking „voor verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv)“. Overigens heeft de gemachtigde van eiser ter zitting aangegeven dat ook zij meent dat dit voortvloeit uit de aangehaalde uitspraak van de Afdeling en dat het namens eiser op 11 juli 2001 ingestelde beroep moet worden aangemerkt als louter te zijn gericht tegen de weigering van een asielgerelateerde verblijfsvergunning.

Voorts heeft verweerder in de brief van 26 maart 2002 bericht dat naar het oordeel van verweerder, in de situatie dat de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van een asielgerelateerde verblijfsvergunning ongegrond verklaart dan wel in de situatie dat eiser dat beroep intrekt, van rechtswege de rechtsgevolgen intreden als bedoeld in artikel 45 Vw. Dit is niet anders indien op dat moment nog in eerste aanleg ambtshalve moet worden beslist op de mogelijke aanspraak op een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking „voor verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling“. Wel plaatst verweerder hierbij de kanttekening dat in Vc 2000 C5/24.12.1 is bepaald dat onder omstandigheden een alleenstaande minderjarige vreemdeling in aanmerking komt voor opvang totdat het vertrek wordt geëffectueerd. Verweerder acht zich ook om in casu gebonden aan deze geformuleerde gedragslijn, aldus verweerder in de brief.

Ten aanzien van de overige van rechtswege aan de bestreden beschikking verbonden rechtsgevolgen is verweerder van oordeel dat deze ook in de geschetste twee situaties zullen intreden. Hierbij wijst verweerder er nog op dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking „verblijf als amv“ niet op aanvraag, maar ambtshalve wordt verstrekt. Dientengevolge ligt in het systeem van (artikel 8 van) de Vw 2000 niet besloten dat eiser in de geschetste twee situaties de alsnog te nemen ambtshalve beslissing van rechtswege zal mogen afwachten. Overigens is verweerder van oordeel dat voornoemde situatie zich niet zal voordoen, aangezien verweerder op zo kort mogelijke termijn, doch voordat de rechtbank uitspraak zal hebben gedaan in de onderhavige beroepsprocedure, de ambthalve beslissing al hebben genomen, aldus verweerder in de brief.

Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat in het systeem van (artikel 8 van) de Vw 2000 niet ligt besloten dat eiser in de geschetste twee situaties de alsnog te nemen ambtshalve beslissing van rechtswege zal mogen afwachten, merkt de rechtbank, volledig ten overvloede, op dat naar haar oordeel in de rede ligt dat eiser (in elk geval) de primaire ambtshalve beslissing met betrekking tot eisers mogelijke aanspraak op een amv-verblijfsvergunning hier te lande mag afwachten. Het had immers in de rede gelegen dat deze primaire beslissing was genomen tegelijk met de beslissing op eisers aanvraag om een asielgerelateerde verblijfsvergunning, terwijl ingevolge artikel 8, aanhef en onder f, Vw 2000 de aanvrager in afwachting van de beslissing op een aanvraag om een asielgerelateerde verblijfsvergunning in Nederland rechtmatig verblijf heeft.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het beroep van eiser tegen de weigering, hem een asielgerelateerde verblijfsvergunning te verlenen, als volgt.

2.6 Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, en c Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

2.7 Op grond van artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag) worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde redenen hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige of politieke overtuiging of hun nationaliteit dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd.

2.8 Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Guinee zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 moet worden verleend. Daarom zal aannemelijk moeten zijn dat met betrekking tot eiser persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een verblijfsvergunning op die grond moet worden verleend.

2.9 Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat, nu eiser ter staving van zijn aanvraag geen reis- en identiteitspapieren, documenten of bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag en niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van deze documenten niet aan hem is toe te rekenen, de oprechtheid van zijn asielrelaas op voorhand is aangetast. Aldus wordt afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

Ook overigens geeft de inhoud van het relaas geen aanleiding om te concluderen tot vluchtelingschap. Eiser is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Guinese autoriteiten. De rechtbank acht in dit verband van belang dat eiser heeft verklaard geen lid dan wel sympathisant te zijn geweest van enige politieke beweging die zich tegen het regime heeft verzet. Eiser heeft eveneens verklaard niet politiek actief te zijn geweest en geen activiteiten te hebben verricht die gericht waren tegen de Guinese autoriteiten. Verder acht de rechtbank van belang dat eiser heeft verklaard dat hij vóór september 2000 nooit problemen van de zijde van de Guinese autoriteiten heeft ondervonden. Dit duidt er naar het oordeel van de rechtbank niet op dat eiser als opposant werd beschouwd.

Eisers verklaringen over zijn arrestatie, gevolgd door detentie leiden niet tot een ander oordeel. Uitgaande van die verklaringen is eiser bij een algemene actie opgepakt, samen met anderen. Niet gebleken is dat daarbij de aandacht van de Guinese autoriteiten specifiek op eiser was gericht. Verder is van belang dat eiser relatief kort is gedetineerd geweest, en na twee dagen met behulp van een militair die zijn buurman bleek te zijn, op eenvoudige wijze uit de gevangenis is ontsnapt.

Eiser kan derhalve niet aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 een aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

2.10 Het is, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet aannemelijk dat eiser gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, zodat eiser aan artikel 29, aanhef en eerste lid, onder b, Vw 2000 evenmin aanspraak op een verblijfsvergunning kan ontlenen.

2.11 Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van zodanige klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van eiser kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst. Eiser kan derhalve aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 evenmin aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

2.12 Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag terecht afgewezen. Het beroep is dan ook ongegrond.

2.13 Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. R. Depping en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E.A. Ruiter als griffier op 29 maart 2002.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van „hoger beroep vreemdelingenzaken“, postbus 16113, 2500 BC te ‘s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: 3 april 2002