Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE1951

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-03-2002
Datum publicatie
26-04-2002
Zaaknummer
AWB 01/18103
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overgangsrecht / doorprocederen / procesbelang.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de aard van de rechtsbescherming, zoals die in Awb en de Vw 2000 ligt besloten, dat de rechtzoekende zich nu juist niet op het bestuursorgaan hoeft te verlaten, maar zich tot de onafhankelijke rechter kan wenden met de vraag of zijn aanspraken door het bestuursorgaan naar behoren zijn vastgesteld. Daarmee staat het belang van de rechtzoekende vast.

Dat het rechterlijk oordeel geen wijziging brengt in de materiële rechtspositie van de rechtzoekende leidt niet tot de conclusie dat de rechtzoekende daardoor geen belang zou hebben bij het instellen van beroep. In artikel 8:54 Awb is bepaald dat de rechtbank (in voorkomende gevallen) het beroep kennelijk ongegrond kan verklaren. Slechts indien buiten redelijke twijfel is dat appellant geen als rechtzoekende te beschermen belang kan hebben bij een oordeel van de rechter bestaat grond om het beroep (alsnog) niet-ontvankelijk te verklaren. Van een dergelijke uitzondering is niet gebleken.

De Vw 2000 gaat uit van een volgtijdelijk vergunningensysteem. Dit houdt voor asielzaken in dat in eerste instantie één soort vergunning bestaat, te weten de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die op verschillende gronden kan worden verleend. Daaraan verbonden is het voorzieningenniveau waarop verdragsvluchtelingen aanspraak kunnen maken, ongeacht de verleningsgrond. Hiermee wordt beoogd het doorprocederen voor een ‘betere’ status te voorkomen. Eerst op het moment dat een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt ingetrokken wordt beoordeeld of er een andere grond is waarop de vergunning moet worden verleend. Dit ligt in de wettelijke bepalingen en het systeem van de Vw 2000 besloten.

De bezwaren van eiser tegen het bestreden besluit kan in elk geval in het kader van het onderhavige beroep niet leiden tot het oordeel dat de door eiser aan de Vw 2000 te ontlenen aanspraken door verweerder niet op deugdelijke wijze zijn vastgesteld in het bestreden besluit.

Daarvan is ook overigens niet gebleken. In het bijzonder is niet gebleken dat het bestreden besluit in strijd is te achten met de verplichtingen die voortvloeien uit de naleving van het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 EVRM, artikel 3 Antifolterverdrag en artikel 7 Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:54
Vreemdelingenwet 2000 83
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/214
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sectorbestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 01/18103 VRWET

Inzake : A, eiser, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. H.C.Ch. Kneuvels, advocaat te Dordrecht,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. dr. J.P. Heinrich, advocaat te Den Haag.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1979, bezit de Burundese nationaliteit. Hij verblijft sedert 6 oktober 2000 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 9 oktober 2000 heeft hij een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Hierop is door verweerder op 9 april 2001 toewijzend beslist. Eiser is een vergunning tot verblijf asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 lid 1 sub d Vw 2000 toegekend.

2. Op 25 april 2001 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en ter zitting geconcludeerd tot het ontbreken van een procesbelang bij het beroep.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 20 december 2001. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig mevrouw Vellema, tolk in de Franse taal.

II. OVERWEGINGEN

1. Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000, hierna Vw 2000), Stb. 2000, 495.

Ingevolge artikel 83 Vw 2000 houdt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening met feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen procesbelang meer heeft nu hem een vergunning tot verblijf asiel voor bepaalde tijd is toegekend en hij geen andere titel kan verkrijgen dan hij reeds heeft, ook al zou zich mogelijk (ook) een andere grond voor toekenning voordoen.

Verweerder is van mening dat het primaire besluit voldoende is gemotiveerd.

3. De rechtbank zal allereerst treden in de beoordeling van de stelling van verweerder dat eiser geen belang heeft bij een uitspraak op het ingestelde beroep en deswege in dat beroep niet kan worden ontvangen.

3.1 Bij het bestreden besluit is eiser op grond van artikel 29, eerste lid onder d, van de Vw 2000 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend, ingaande 9 oktober 2000 en geldig tot 9 oktober 2003.

Partijen strijden over de vraag of verweerder in plaats daarvan tot verlening van een asielvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid onder a dan wel b, van de Vw 2000 had behoren over te gaan althans die weigering nader had moeten motiveren.

3.2 De rechtbank is van oordeel dat niet valt in te zien waarom eiser geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep door de rechtbank.

Eiser stelt immers dat zijn aan de Vw 2000 te ontlenen aanspraken door verweerder niet naar behoren zijn vastgesteld bij het bestreden besluit.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de aard van de rechtsbescherming, zoals die in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Vw 2000 ligt besloten, dat de rechtzoekende zich nu juist niet op het bestuursorgaan hoeft te verlaten maar zich tot de onafhankelijke rechter kan wenden met de vraag of zijn aanspraken door het bestuursorgaan naar behoren zijn vastgesteld.

Daarmee staat het belang van de rechtzoekende bij het instellen van beroep bij de rechter (op voorhand) vast, ongeacht het inhoudelijke oordeel van de rechter over het bestreden besluit.

3.3 De omstandigheid dat het rechterlijk oordeel over het ingestelde beroep, gelet op de omstandigheden van het geval, geen wijziging brengt in de materiële rechtspositie van de rechtzoekende, zoals die door het bestuursorgaan is vastgesteld, kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot de conclusie dat de rechtzoekende daardoor geen belang zou hebben bij het instellen van beroep. Voor een dergelijke situatie heeft de wetgever in artikel 8:54 Awb een regeling getroffen. In dat artikel is bepaald dat de rechtbank (in voorkomende gevallen) het beroep kennelijk ongegrond kan verklaren.

3.4 Slechts indien buiten redelijke twijfel is dat in de stellingen van de rechtzoekende en/of in de omstandigheden van het geval besloten ligt, dat die appellant geen als rechtzoekende te beschermen belang kan hebben bij een oordeel van de rechter over het ingestelde beroep, bestaat naar het oordeel van de rechtbank grond om het beroep (alsnog) niet-ontvankelijk te verklaren. Hierbij wijst de rechtbank op misbruik van procesrecht of het geval waarin het aanvankelijke geschilpunt over het bestreden besluit tussen partijen tot een einde is gekomen voordat de rechter daarover tot een einduitspraak is gekomen.

3.5 Aangezien in het onderhavige geval dergelijke uitzonderingen zijn gesteld noch gebleken, is naar het oordeel van de rechtbank voor de door verweerder bepleite niet-ontvankelijkverklaring geen grond aanwezig.

4. De rechtbank overweegt voorts het navolgende.

De Vw 2000 gaat uit van een zogenoemd volgtijdelijk vergunningensysteem, hetgeen in asielzaken inhoudt dat in eerste instantie één soort vergunning bestaat, de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die op verschillende gronden kan worden verleend. Blijkens de wetsgeschiedenis staat de wetgever voor ogen dat aan deze vergunning, ongeacht de grond waarop deze is verleend, hetzelfde voorzieningenniveau is verbonden, te weten het voorzieningenniveau waarop verdragsvluchtelingen aanspraak kunnen maken. Met dit systeem wordt beoogd te voorkomen dat vreemdelingen aan wie een verblijfsstatus is verleend, doorprocederen voor een 'betere' status. In dit verband is in de wetsgeschiedenis in het bijzonder genoemd de onder de oude wet voorkomende situatie dat houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf doorprocederen voor een vluchtelingenstatus. Voorts wordt in de wetsgeschiedenis gesteld dat onder de Vw 2000 dit doorprocederen niet meer aan de orde is, omdat er slechts één soort vergunning bestaat, en dat door het gelijke voorzieningenniveau ook geen behoefte meer bestaat aan doorprocederen (Memorie van Toelichting, p. 5-6; Nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer, p. 36-39). De wetgever gaat er van uit dat eerst op het moment dat een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd eventueel wordt ingetrokken, omdat de grond voor verlening ervan is weggevallen, beoordeeld wordt of er een andere grond is waarop de vergunning moet worden verleend. Hierover wordt in de Nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer, p. 43, het volgende gesteld:

"Indien de vergunning voor bepaalde tijd is verleend op grond van het feit dat men verdragsvluchteling is, zal deze alleen kunnen worden ingetrokken op het moment dat het verdrag niet meer op betrokkene van toepassing is. Als de vergunning op een andere grond is verleend, is eerst op het moment van intrekking aan de orde of die intrekking terecht is. Als betrokkene dan stelt vluchteling te zijn en het verdrag nog op hem van toepassing is en de intrekking dus niet rechtmatig is, zal de rechter op dat moment, aan de hand van het dossier, vaststellen of betrokkene verdragsvluchteling is. Een en ander geschiedt op het moment van een eventuele intrekking, op welk moment er inderdaad een rechtens relevant belang is. Doordat dit eerst op het moment dat een en ander rechtens relevant is, en niet op het moment van het verlenen van de vergunning aan de orde komt, wordt het aantal procedures aanzienlijk beperkt omdat naar verwachting slechts in een beperkt aantal gevallen tot intrekking zal moeten worden overgegaan. Omdat zodoende altijd kan worden vastgesteld of betrokkene kan worden teruggestuurd naar het land van herkomst, kan er geen sprake zijn van schending van het internationale recht."

5. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat in de wettelijke bepalingen en het systeem van de Vw 2000 besloten ligt dat de vraag of een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op een van de andere in artikel 29 Vw 2000 vermelde gronden moet worden verleend, eerst wordt beoordeeld in geval de thans verleende vergunning wordt ingetrokken.

6. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen derhalve de bezwaren van eiser tegen het bestreden besluit - samengevat: een ondeugdelijke motivering en/of bewijsproblemen ten gevolge van tijdsverloop en/of onzekerheid over de toepassing van het leerstuk van de formele rechtskracht - in elk geval in het kader van het onderhavige beroep niet leiden tot het oordeel dat de door eiser aan de Vw 2000 te ontlenen aanspraken door verweerder niet op deugdelijke wijze zijn vastgesteld in het bestreden besluit.

Daarvan is ook overigens niet gebleken. In het bijzonder is niet gebleken dat het bestreden besluit in strijd is te achten met de verplichtingen die voortvloeien uit de naleving van het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM), artikel 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (AFV) en artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR).

7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het door eiser ingestelde beroep derhalve ongegrond is.

8. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

IV. RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Aldus gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2002, in tegenwoordigheid van de griffier.

de griffier is verhinderd te ondertekenen

afschrift verzonden op:

17 april 2002.