Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE1931

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-03-2002
Datum publicatie
25-04-2002
Zaaknummer
AWB 02/18786 VRONTN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / staandehouding.

Eiser is op straat door de politie staande gehouden, overgebracht naar het politiebureau en daar op grond van artikel 50 Vw 2000 staande gehouden. Vervolgens is eiser in bewaring gesteld.

Blijkens de uitspraak 200102627/1 van de ABRS d.d. 17 juli 2001 staat het politieambtenaren vrij in het kader van hun algemene politietaken, als bedoeld in artikel 2 Politiewet, personen aan te spreken en te vragen naar hun identiteitspapieren. In de zaak die ten grondslag ligt aan voornoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak worden twee personen na een onderzoek op grond van artikel 2 Politiewet staande gehouden op grond van artikel 50 Vw 2000. In onderhavige zaak wordt eiser, tezamen met een andere man, na een onderzoek staande gehouden op grond van artikel 2 Politiewet en vervolgens, naar de rechtbank aanneemt, tevens op grond van dat artikel overgebracht naar het politiebureau te Hilversum. Aldaar wordt eiser vervolgens staande gehouden op grond van artikel 50 Vw 2000. Een staandehouding maakt een dermate grote inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een persoon dat daarvoor een uitdrukkelijke wettelijke grondslag is vereist. Dit laatste heeft uitdrukking gevonden in artikel 50 Vw 2000 en artikel 52 Wetboek van Strafvordering. Artikel 2 Politiewet is in dermate algemene termen gesteld dat het artikel niet als wettelijke grondslag kan dienen. Het vorenstaande brengt met zich dat de staandehouding te Laren voor onrechtmatig moet worden gehouden en dat de op die staandehouding gevolgde vreemdelingrechtelijke staandehouding en inbewaringstelling evenmin rechtmatig worden geacht. Beroep gegrond, toekenning schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 50
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 02/18786 VRONTN

inzake : A, geboren op [...] 1970, van (gestelde) Algerijnse nationaliteit, verblijvende in het politiebureau te Hilversum, eiser,

gemachtigde: mr. W. de Vries, advocaat te Amsterdam,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: J.C.M. Weber, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 12 maart 2002 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Bij beroepschrift van 13 maart 2002 heeft de gemachtigde van eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij is opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd alsmede toekenning van schadevergoeding en veroordeling van verweerder in de proceskosten.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 20 maart 2002. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig F. Lahraoui als tolk in de Arabische taal.

Gebleken is dat het onderzoek ter zitting niet volledig is geweest. De rechtbank heeft bij beslissing van 20 maart 2002 het onderzoek geschorst en verweerder verzocht nadere inlichtingen te verstrekken. Verweerder heeft bij brief van 22 maart 2002 de rechtbank zijn reactie doen toekomen. Eisers gemachtigde heeft op deze reactie bij brief van 25 maart 2002 gereageerd. Met toestemming van partijen is nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna het onderzoek op 26 maart 2002 is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. Eiser is niet als verdachte op grond van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) aangehouden. Hij is zodanig ook nadien niet aangemerkt. Een proces-verbaal van aanhouding waaruit dat zou blijken, bestaat niet. Pas nadat eiser was overgebracht naar het politiebureau te Hilversum is toepassing gegeven aan artikel 50 van de Vw 2000.

Niet wordt vermeld in het proces-verbaal van 22 maart 2002 van brigadier Frieling wat de wettelijke basis voor de aanhouding van eiser is. Artikel 2 van de Politiewet kan geen grondslag vormen voor de aanhouding van eiser en overbrenging naar het politiebureau.

Verweerder heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. Op grond van artikel 2 van de Politiewet is eiser op zijn gedrag aangesproken en onderhouden. Vervolgens werd hij naar zijn naam gevraagd. Toen er onduidelijkheid bestond over zijn identiteit is hij overgebracht naar het politiebureau te Hilversum. Er wordt een datum gepland voor een presentatie bij de Algerijnse autoriteiten.

De rechtbank overweegt het volgende.

Vaststaat dat eiser op 12 maart 2002 is staande gehouden op de Brink te Laren. Daaraanvolgend is hij overgebracht naar het Politiebureau te Hilversum en aldaar staande gehouden op grond van artikel 50 van de Vw 2000. Gevraagd naar de grondslag van het staande houden te Laren heeft verweerder bij brief van 22 maart 2002 een proces-verbaal van bevindingen aan de rechtbank doen toekomen, waarin het volgende staat vermeld:

„Op maandag, 11 maart 2002 wordt er door een vrouwspersoon in de leeftijd van 16 jaar, melding gemaakt van niet gewenste gedragingen cq bedreigingen, gepleegd door 2 manspersonen, ten opzichte van haar en haar vriendinnen. (zie bijgevoegd proces-verbaal van bevindingen)

Artikel 285 van het WvSr is op grond van het bovenstaande van toepassing.

Het feit dat de meisjes hevig geschrokken waren van hetgeen hen is overkomen, zeker mede gelet op de jeugdige leeftijd, is voor hen aanleiding geweest om daarvan melding te maken bij de Politie om herhaling te voorkomen.

Op grond van artikel 2 van de Politiewet heeft de Politie de taak te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.

Bij de staandehouding op grond van artikel 2 van de Politiewet hebben beide eerdere genoemde collega’s, Achgar en Van Viersen, de eerder aangewezen manspersonen, op hun gedrag aangesproken en onderhouden. (…)

Om duidelijkheid te verkrijgen in de onduidelijkheid omtrent de identiteit werd dienaangaande een onderzoek ingesteld, waarbij beide manspersonen overgebracht werden naar het bureau van Politie te Hilversum.“

Blijkens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 juli 2001 (registratienummer 200102627/1) staat het politieambtenaren vrij in het kader van hun algemene politietaken, als bedoeld in artikel 2 van de Politiewet personen aan te spreken en te vragen naar hun identiteitspapieren. In de zaak die ten grondslag ligt aan voornoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak worden twee personen na een onderzoek op grond van artikel 2 van de Politiewet staande gehouden op grond van artikel 50 van de Vw 2000. In onderhavige zaak wordt eiser, tezamen met een andere man, na een onderzoek staande gehouden op grond van artikel 2 van de Politiewet en vervolgens, naar de rechtbank aanneemt, tevens op grond van dat artikel overgebracht naar het bureau van politie te Hilversum. Aldaar wordt eiser vervolgens staande gehouden op grond van artikel 50 van de Vw 2000. Een staandehouding maakt een dermate grote inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een persoon dat daarvoor een uitdrukkelijke wettelijke grondslag is vereist. Dit laatste heeft uitdrukking gevonden in artikel 50 Vw 2000 en artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering. Artikel 2 van de Politiewet is in dermate algemene termen gesteld dat het artikel niet als wettelijke grondslag kan dienen. Het vorenstaande brengt met zich dat de staandehouding te Laren voor onrechtmatig moet worden gehouden en dat de op die staandehouding gevolgde vreemdelingrechtelijke staandehouding en inbewaringstelling evenmin rechtmatig worden geacht.

Hieruit volgt dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de wet. Derhalve wordt het beroep gegrond verklaard en wordt de opheffing van de bewaring bevolen, ingaande 28 maart 2002.

De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen en wel tot een bedrag van EUR. 95,-- per dag dat eiser op een politiebureau ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest en EUR. 70,-- per dag dat eiser in het Huis van Bewaring ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, derhalve in totaal EUR. 1370,--.

Gelet op het vorenstaande is er voorts aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van eiser in verband met de behandeling van het beroep, welke zijn begroot op EUR. 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING:

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat de bewaring ingaande 28 maart 2002 wordt opgeheven;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot EUR. 1370,-- (zegge: dertienhonderdzeventig euro), te betalen door de griffier van de rechtbank aan eiser;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot EUR. 644,-- (zegge: zeshonderdenvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. van de Ven, voorzitter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2002, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Lee, griffier.

Afschrift verzonden op: 4 april 2002

Conc.: JL

Coll:

Bp:-

D:B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, derde lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.