Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE1440

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-03-2002
Datum publicatie
15-04-2002
Zaaknummer
AWB 02/15940, 02/16231 VRONTN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / periode voor overbrenging.

Partijen verschillen van mening over de vraag of eiser in de periode liggend tussen het einde van het strafrechtelijk voortraject (28 februari 2002 om 13.00 uur te Hoogeveen) en eisers aankomst op de plaats bestemd voor verhoor (1 maart 2002 om 10.55 uur te Amsterdam), rechtmatig van zijn vrijheid is beroofd.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 15 januari 2002, nr. 200106222/1 heeft overwogen, stelt artikel 50, derde lid, Vw 2000 geen bijzondere eisen aan de overbrenging naar een plaats bestemd voor verhoor en wordt de duur van de periode van overbrenging door de Vw 2000 niet gemaximeerd.

Op 1 maart 2002 om 8.00 uur is begonnen met het vervoer van eiser naar Amsterdam. Om 10.55 uur diezelfde dag arriveerde eiser daar bij de vreemdelingendienst. Gedurende die uren is sprake van toepassing van artikel 50, derde lid, Vw 2000.

Ten aanzien van de periode, lopend van 28 februari 2002, 13.00 uur tot 1 maart 2002, 8.00 uur bestond geen titel voor de vrijheidsontneming. In deze periode heeft immers geen vervoer plaatsgevonden. Capaciteitsproblemen, wat daar ook van zij, leiden niet tot een ander oordeel. De vrijheidsontneming is derhalve vanaf 13.00 uur op 28 februari 2002 onrechtmatig geweest.

Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 50
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Reg.nr.: AWB 02/15940 VRONTN

AWB 02/16231 VRONTN

UITSPRAAK op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd, althans zich noemende:

A, geboren op [...] 1974, van Poolse nationaliteit, eiser,

verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Ter Apel,

gemachtigde: mr. A.J.C. Valkenaars, advocaat te Amsterdam,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: dhr. A.H. Kras, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Verweerder heeft op 1 maart 2002 aan eiser met het oog op de uitzetting de maatregel van bewaring ex artikel 59, eerste lid, onder a, Vw opgelegd.

Eiser heeft tegen het opleggen van de maatregel van bewaring op 3 maart 2002 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Dit beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding en is geregistreerd onder nummer AWB 02/15940 VRONTN. Voorts heeft verweerder op 4 maart 2002 de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, Vw in kennis gesteld van het opleggen van de maatregel van bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 02/16231VRONTN.

De rechtbank heeft beide beroepen als één beroep aangemerkt.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 11 maart 2002. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

1. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw verklaart de rechtbank het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan, indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

Eiser heeft de rechtbank verzocht de opheffing van de maatregel van bewaring te bevelen en schadevergoeding toe te kennen en voert daartoe het volgende aan. Eiser is op 28 februari 2002 om 13.00 uur heengezonden vanuit het strafrechtelijk voortraject door de Officier van Justitie. Pas de volgende dag om 10.55 uur is eiser gearriveerd op een plaats bestemd voor verhoor als bedoeld in artikel 50, derde lid, Vw. Eiser is van mening dat de overbrenging te lang heeft geduurd. Dit is aan verweerder toe te rekenen nu niet gebleken is dat verweerder inspanningen heeft verricht om eiser zo spoedig mogelijk over te brengen.

Verweerder heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Verweerder heeft hiertoe aangevoerd dat eiser op grond van artikel 50, derde lid, Vw vanaf 28 februari 2002, 13.00 uur, tot 1 maart 10.55 uur heeft vastgezeten. De reden voor dit tijdsverloop was gelegen in de omstandigheid dat het op 28 februari 2002 niet mogelijk was eiser vóór 17.00 uur diezelfde dag vanuit de Penitentiaire Inrichting De Grittenborgh te Hoogeveen te vervoeren naar het politiebureau te Amsterdam, dan wel naar enig ander politiebureau. Capaciteitsproblemen stonden aan dit vervoer in de weg. Om 8.00 uur op 1 maart 2002 deed zich de eerstvolgende gelegenheid voor om eiser te vervoeren. Verweerder voert aan dat niet onzorgvuldig gehandeld is en dat niet is gebleken dat eiser door deze gang van zaken in zijn belangen is geschaad. Verweerder heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 januari 2002, nr. 200106222/1.

De rechtbank overweegt als volgt.

Niet in geschil is dat eiser op 28 februari 2002 om 13.00 uur uit de voorlopige hechtenis is ontslagen. Eiser bevond zich op dat moment in de Penitentiaire Inrichting De Grittenborgh te Hoogeveen. Evenmin in geschil is dat de volgende dag op 1 maart 2002 om 8.00 uur begonnen is met het vervoer van eiser naar Amsterdam. Om 10.55 uur arriveerde eiser daar bij de Dienst Vreemdelingenpolitie.

Partijen verschillen van mening over de vraag of eiser in de periode liggend tussen het einde van het strafrechtelijk voortraject en eisers aankomst op de plaats bestemd voor verhoor, rechtmatig van zijn vrijheid is beroofd.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Indien de identiteit van de staande gehouden persoon onmiddellijk kan worden vastgesteld en indien blijkt dat deze persoon geen rechtmatig verblijf geniet, dan wel niet onmiddellijk blijkt dat hij rechtmatig verblijf heeft, mag hij, ingevolge artikel 50, derde lid, Vw , worden overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna verder te noemen de Afdeling) in haar uitspraak van 15 januari 2002, nr. 200106222/1 heeft overwogen, stelt artikel 50, derde lid, Vw geen bijzondere eisen aan de overbrenging naar een plaats bestemd voor verhoor en wordt de duur van de periode van overbrenging door de Vw 2000 niet gemaximeerd.

Niet in geschil is dat eiser onrechtmatig in Nederland verbleef en dat zijn identiteit bekend was.

In het onderhavige geval is op 1 maart 2002, om 8.00 uur vanuit Hoogeveen, begonnen met het vervoer van eiser met als doel overbrenging naar een plaats voor verhoor. Om 10.55 uur diezelfde dag kwam eiser aan op de plaats bestemd voor verhoor te Amsterdam. Ten aanzien van deze periode kan derhalve geoordeeld worden dat sprake was van toepassing van artikel 50, derde lid, Vw.

Ten aanzien van de periode voorafgaand aan het vervoer van eiser bestond evenwel geen titel voor de vrijheidsontneming. Immers, in deze periode, lopend van 28 februari 2002, 13.00 uur tot 1 maart 2002 8.00 uur, heeft helemaal geen vervoer plaatsgevonden, terwijl eiser reeds strafrechtelijk was heengezonden. Dat, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, vanwege capaciteitsproblemen het niet mogelijk was eiser te vervoeren, kan (wat daar overigens ook van zij) niet leiden tot een ander oordeel. Voor zover verweerder naar voren heeft willen brengen dat er handelingen zijn verricht om het vervoer van eiser te realiseren door bijvoorbeeld het versturen van een transportorder, kan hieraan niet de conclusie worden verbonden dat vanaf 13.00 uur op 28 februari 2002 sprake was van overbrenging in de zin van artikel 50, derde lid, Vw.

Gelet hierop kan geen andere conclusie volgen dan dat de vrijheidsontneming vanaf 13.00 uur op 28 februari 2002 onrechtmatig is geweest.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het vorenoverwogene, de maatregel van bewaring ten aanzien van eiser vanaf 1 maart 2002 onrechtmatig is te achten.

Het beroep dient derhalve gegrond verklaard te worden. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 12 maart 2002.

Ten aanzien van het door eiser gedane verzoek om schadevergoeding overweegt de rechtbank dat het onderzoek daaromtrent niet volledig is geweest. Bij afzonderlijke uitspraak zal over dit verzoek geoordeeld worden. Hiertoe wordt het onderzoek heropend.

De rechtbank ziet in dit geval tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322 en wegingsfactor 1).

Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier.

3. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang 12 maart 2002;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten dient te vergoeden aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2002, in tegenwoordigheid van mr. M. Balkema, als griffier.

afschrift verzonden op: 12 maart 2002

RECHTSMIDDEL

Ingevolge artikel 95 Vw staat tegen deze uitspraak, binnen een week na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen deze uitspraak te bevatten.