Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE1431

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-02-2002
Datum publicatie
12-04-2002
Zaaknummer
AWB 01/70106
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / zicht op uitzetting.

De asielaanvraag van de vreemdelinge is afgewezen. Ter beantwoording van de vraag of feitelijke afreis naar Noord-Irak ter vestiging aldaar mogelijk is en de maatregel, bij gebreke van een verwijderingsmogelijkheid, moet worden opgeheven, heeft de rechtbank verweerder een aantal vragen voorgelegd. Verweerder heeft ter beantwoording hiervan onder meer gesteld dat terugkeer/afreis van afgewezen asielzoekers met begeleiding en ondersteuning van het IOM na 1 september 2001 niet is stilgevallen. Na de inwerkingtreding van het REAN+-programma voor Irak per 1 april 2001 zijn er onder dit programma zes personen vertrokken. Vanaf juni 2001 is het vertrek naar Irak via Turkije op verzoek van de Turkse autoriteiten opgeschort tot januari 2002. Het IOM Ankara heeft aangegeven vanaf 15 januari 2002 weer terugkerende personen te begeleiden. Een gedwongen feitelijke uitzetting naar Noord-Irak van afgewezen asielzoekers is niet mogelijk.

Zoals in eerdere uitspraken is overwogen, mag van vreemdelingen, als eiseres, wier asielaanvraag is afgewezen en aan wie een verblijfsalternatief in Noord-Irak wordt tegengeworpen, worden verwacht dat zij meewerken aan vrijwillige afreis met ondersteuning van de IOM naar Noord-Irak. Uit de door verweerder verstrekte informatie moet worden afgeleid dat de terugkeermogelijkheid met ondersteuning van IOM via Turkije thans aanwezig is. De vreemdelinge heeft deze feitelijke informatie niet weerlegd. De rechtbank ziet, onder verwijzing naar de uitspraak van 15 november 2001, geen grond voor de conclusie dat afreis ter vestiging naar Noord-Irak alleen mogelijk is voor personen van Koerdische afkomst. Bij deze stand van zaken mag van de vreemdelinge worden verlangd dat zij afreis met ondersteuning van IOM in gang zet en is voortduring van de maatregel om haar de toegang tot Nederland te beletten nog gerechtvaardigd. Dat de vreemdelinge tot heden nog geen stappen in die richting heeft ondernomen, moet in de belangenafweging voor haar risico komen. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenvestigingsplaats Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

ex artikel 96 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 01 / 70106 VRONTN D

inzake: A ook geschreven als: A en als: A, geboren op [...]1974, van Iraakse nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, hierna te noemen: de vreemdelinge,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gevestigd te ’s-Gravenhage, verweerder.

Zitting: 7 januari 2002.

De vreemdelinge is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. S. Spans, advocaat te Utrecht.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. Y.P. Ong.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Op 9 november 2001 is de vreemdelinge ex artikel 3 Vw op de luchthaven Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van de vreemdelinge is op diezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw toegepast.

1.2 Bij uitspraak van 26 november 2001 met kenmerk AWB 01/59821 VRONTN J heeft deze rechtbank en nevenvestigingsplaats Haarlem een eerder beroep tegen de maatregel ex artikel 6 Vw ongegrond verklaard.

1.3 Bij kennisgeving ex artikel 96, eerste lid, Vw van 27 december 2001, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op gelijke datum, heeft verweerder de rechtbank in kennis gesteld van het voortduren van de vrijheidsontneming zonder dat de vreemdelinge beroep tegen de maatregel heeft ingesteld. Bij schrijven van 28 december 2001 heeft de gemachtigde van de vreemdelinge de rechtbank verzocht tot het doen horen van de vreemdelinge ter zitting.

1.4 Nadat het onderzoek ter zitting in deze zaak op 7 januari 2002 was gesloten, heeft de rechtbank besloten het onderzoek te heropenen omdat het voor de beslissing van belang werd geacht dat ten aanzien van een aantal punten nadere informatie door verweerder werd verschaft. Verweerder heeft op 24 januari 2002 informatie verstrekt. De gemachtigde van de vreemdelinge heeft hierop bij schrijven van 1 februari 2002 gereageerd. Met instemming van partijen is het onderzoek vervolgens zonder het houden van een nadere zitting gesloten.

2. Overwegingen

2.1 In dit beroep moet worden beoordeeld of verdere toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de wet of anderszins niet meer gerechtvaardigd is.

2.2 Uitgangspunt daarbij is dat de asielaanvraag van de vreemdelinge bij inmiddels onherroepelijk geworden besluit van 14 november 2001 is afgewezen. Het rechtsgevolg daarvan is dat zij Nederland moet verlaten. Alle bezwaren van de vreemdelinge tegen de maatregel die samenhangen met de door haar gestelde onjuistheid van dat besluit moeten daarom worden gepasseerd.

2.3 Daarnaast heeft de vreemdelinge aangevoerd dat de feitelijke afreis naar Noord-Irak ter vestiging aldaar niet mogelijk is en dat de maatregel, bij gebreke van een verwijderingsmogelijkheid, moet worden opgeheven.

2.4 De rechtbank heeft verweerder in verband met deze grief de volgende vragen voorgelegd:

1. Is het juist dat terugkeer/afreis van afgewezen, uit Centraal-Irak afkomstige asielzoekers met begeleiding en/of ondersteuning van het Internationaal Instituut voor Migratie (IOM) via Turkije naar Noord-Irak na juni 2001, althans na 1 september 2001 is stilgevallen?

Zo neen, hoeveel personen zijn via Turkije na juni 2001 en na 1 september 2001 met begeleiding van IOM naar Noord-Irak ter vestiging/hervestiging afgereisd? Hoeveel personen hebben in dat kader gebruik gemaakt van het terugkeerprogramma REAN (vide gedingstuk 46)?

2. Is het waar dat Turkije het IOM heeft gevraagd tot 15 januari 2002 geen terugkeer van afgewezen Iraakse asielzoekers naar Noord-Irak via Turkije te laten plaatsvinden?

Betekent bevestigende beantwoording van deze vraag dat vrijwillige terugkeer van afgewezen asielzoekers naar Noord-Irak ter vestiging/hervestiging via Turkije thans feitelijk onmogelijk is?

3. Wat is het reële perspectief voor de met IOM gefaciliteerde terugkeer ter vestiging/hervestiging in Noord-Irak via Turkije?

4. Verlenen thans andere landen dan Turkije toestemming voor doorreis ter vestiging/hervestiging van afgewezen Iraakse asielzoekers naar Noord-Irak?

Zo ja, sinds wanneer en in welke omvang?

5. Is gedwongen feitelijke uitzetting naar Noord-Irak door de Nederlandse autoriteiten van afgewezen Iraakse asielzoekers ter hervestiging aldaar mogelijk?

Zo ja, hoeveel personen kunnen door Nederland daadwerkelijk per maand worden uitgezet?

6. Kan de vreemdelinge in onderhavige zaak, mede gelet op haar inreisdatum, gebruik maken van het terugkeerprogramma REAN, dat haar blijkens gedingstuk 46 als faciliteit is aangeboden?

7. Welke consequentie heeft het antwoord op bovenvermelde vragen voor de beoordeling van de rechtmatigheid van voortduring van de vrijheidsbeneming van de vreemdelinge in het licht van de stelling van de vreemdelinge dat een verwijderingsmogelijkheid naar Noord-Irak niet bestaat?

2.5 Verweerder heeft deze vragen als volgt beantwoord:

Beantwoording vragen 1 tot en met 3:

De terugkeer/ afreis van afgewezen asielzoekers met begeleiding en ondersteuning van het IOM is na 1 september 2001 niet stilgevallen. Na de inwerkingtreding van het zogenoemde REAN + programma voor Irak per 1 april 2001 zijn er onder dit programma zes personen vertrokken. Hiervan zijn er twee personen in april 2001 vertrokken met als bestemming Suleymania en Baghdad, en drie personen zijn in mei 2001 vertrokken naar Arbil. Vanaf juni 2001 is het vertrek naar Irak via Turkije op verzoek van de Turkse autoriteiten opgeschort tot januari 2002. In september 2001 is een zesde persoon om humanitaire redenen via Turkije teruggekeerd naar Irak. Het IOM Ankara heeft aangegeven vanaf 15 januari 2002 weer terugkerende personen te kunnen begeleiden. Verwacht wordt dat een zevende persoon nog in de maand januari 2002 via Turkije terug zal keren naar Irak. Wellicht ten overvloede doe ik u hierbij een uit het digitale bestand gescande versie van de brief van de Staatssecretaris van Justitie aan de Tweede Kamer toegezonden brief van 21 november 2001 toekomen (productie 1).

Beantwoording vraag 4:

Via Syrië zijn er in november 2001 twee personen met behulp van het IOM teruggekeerd naar Irak. Op dit moment is er geen belangstelling voor terugkeer via Syrië. Het IOM kan nog steeds een rol spelen in de terugkeer via Syrië.

Beantwoording vraag 5:

Een gedwongen feitelijke uitzetting naar Noord-Irak van afgewezen Iraakse asielzoekers is niet mogelijk.

Beantwoording vraag 6:

De vreemdeling in de onderhavige zaak kan, gelet op haar inreisdatum geen gebruik maken van het REAN + programma. Zij kan echter wel gebruik maken van de reguliere IOM faciliteiten. Een kopie van dit terugkeerprogramma treft u hierbij aan (productie 2).

Beantwoording vraag 7:

De voortduring van de maatregel is in ieder geval rechtmatig. Op betrokkene rust, gelet op het bepaalde in artikel 5, eerste lid, Vw 2000 de rechtsplicht om Nederland te verlaten. Zij kan daarbij bovendien gefaciliteerd worden door het IOM. Het feit dat betrokkene aangegeven heeft dat zij Nederland niet wil verlaten (productie 51 en 52 uit het dossier) bevestigt te meer dat de maatregel proportioneel is.

Voor de inhoud van de producties verwijst de rechtbank naar het dossier.

2.6 De rechtbank overweegt als volgt.

2.7 Zoals de rechtbank in uitspraken van onder meer 11 juli 2000 (AWB 00/5812) en 15 november 2001 (AWB 01/54235) heeft geoordeeld, mag van vreemdelingen, als eiseres, wier asielaanvraag is afgewezen en aan wie een verblijfsalternatief in Noord-Irak wordt tegengeworpen, worden verwacht dat zij meewerken aan vrijwillige afreis met ondersteuning van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) naar Noord-Irak.

2.8 Uit de door verweerder verstrekte informatie moet worden afgeleid dat de terugkeermogelijkheid met ondersteuning van IOM via Turkije thans aanwezig is. De vreemdelinge heeft deze feitelijke informatie niet weerlegd. Zij heeft weliswaar de vraag opgeworpen of alleen mensen met een Koerdische achtergrond kunnen terugkeren, maar deze vraag niet beantwoord. Na de beoordeling in de zaak die geleid heeft tot de uitspraak van 15 november 2001 (AWB 01/54235) ziet de rechtbank thans geen grond voor de conclusie dat afreis ter vestiging naar Noord-Irak alleen mogelijk is voor personen van Koerdische afkomst.

2.9 Bij deze stand van zaken mag van eiseres worden verlangd dat zij afreis met ondersteuning van IOM in gang zet en is voortduring van de maatregel om haar de toegang tot Nederland te beletten nog gerechtvaardigd. Dat eiseres tot heden nog geen stappen in die richting heeft ondernomen, moet in de belangenafweging voor haar risico komen.

2.10 Ook overigens zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken die meebrengen dat voortzetting van de maatregel niet gerechtvaardigd is te achten.

2.11 Het beroep is derhalve ongegrond.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2002, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Muller als griffier.

Afschrift verzonden op: 18 februari 2002

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.