Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE1423

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-03-2002
Datum publicatie
12-04-2002
Zaaknummer
AWB 02/198, e.v.
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Opvang / bevoegdheid rechter / onderzoeksplicht indicaties.

Verzoekers, Bosniërs, hebben een woning geweigerd. Het COA heeft vervolgens de opvang in het AZC beëindigd. Daartegen hebben verzoekers bezwaar gemaakt en hebben ze een voorlopige voorziening ingediend bij de (algemene) bestuursrechter. De rechter acht zich niet bevoegd en wijst op artikel 3a Wet COA. De uitspraak van de rechtbank Groningen d.d. 15 november 2001 wordt gevolgd. Gezien de duidelijke wettekst komt aan analogieën en aan de bedoeling van de wetgever geen gewicht toe bij de uitleg van artikel 3a Wet COA. De zaak wordt naar de vreemdelingenrechter verwezen.

De vreemdelingenrechter wijst het verzoek toe. Verweerder heeft onvoldoende onderzocht welke van de opgegeven criteria (familie, bijzonder onderwijs, werk) zwaarder voor verzoekers weegt. Omdat het bezwaar nog niet is doorgestuurd aan de rechtbank als beroepschrift wordt artikel 8:86 Awb niet toegepast. Toewijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers 3a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Rechtbank ’s-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Voorzieningenrechter

Registratienummers:

sector bestuursrecht : Awb 02/198

vreemdelingenkamer: Awb 02/16675 en Awb 02/16676

Datum uitspraak: 14 maart 2002

Uitspraken

ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1966,

B,

geboren op 4 november 1969,

mede namens hun twee minderjarige kinderen,

van Bosnische nationaliteit,

verzoekers,

gemachtigde mr. W.M. Hompe,

tegen

HET CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS (COA),

gevestigd te Rijswijk,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. C.A.M. Rijnen,

ambtenaar in dienst van het Coa.

De vaststaande feiten en het procesverloop

Verzoekers, van Bosnische nationaliteit, zijn sinds 14 september 2001 in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het driejarenbeleid.

Op 9 oktober 2001 hebben verzoekers het „bijlage 6 formulier“ ondertekend waarin twee indicaties waren aangegeven waarmee bij het toekennen van woonruimte rekening diende te worden gehouden.

De eerste indicatie is dat de ouders van verzoekster woonachtig zijn in de gemeente C en de tweede indicatie dat verzoeker werkzaam is in de gemeente D.

Bij beschikking van 3 december 2001 heeft verweerder op grond van artikel 8 lid 1 sub a van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (Rva 1997) de verstrekkingen beëindigd omdat verzoekers een aan hen in de gemeente Buren aangeboden woning hebben geweigerd. Verzoekers hebben daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft vervolgens op 2 januari 2002 meegedeeld dat de beschikking ten onrechte was uitgereikt omdat de gemeente Buren de woning inmiddels had teruggetrokken.

Vervolgens is aan verzoekers op 10 januari 2002 een woningaanbod gedaan in de gemeente Lochem aan de [...]laan 84. Verzoekers hebben deze woning geweigerd.

Op 15 januari 2002 zijn zij naar aanleiding van die weigering gehoord.

Vervolgens heeft verweerder bij beschikking van 17 januari 2002 op grond van artikel 8 lid 1 sub a van de Rva 1997 de verstrekkingen met onmiddellijke ingang beëindigd.

Tegen dit besluit is namens verzoekers op 21 januari 2002 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Bij brief van gelijke datum is tevens de voorzieningenrechter van de Sector Bestuursrecht van de rechtbank Arnhem verzocht de voorlopige voorziening te treffen om het besluit van 17 januari 2002 te schorsen en verweerder te verbieden om verzoekers uit het AZC te doen verwijderen totdat verweerder op het bezwaarschrift zal hebben beslist, subsidiair een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 21 februari 2002. Verzoekers zijn verschenen in persoon, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Op 27 februari 2002 heeft de rechter het onderzoek met toepassing van artikel 8:84 juncto artikel 8:68 van de Awb heropend.

Partijen hebben zich schriftelijk uitgelaten en hebben voorts toestemming verleend om nader onderzoek ter zitting achterwege te laten.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek daarop gesloten.

Standpunten van partijen

1. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat de bestreden beschikking is genomen in strijd met artikel 3:2 en 3:4 van de Awb, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, althans dat de beschikking in redelijkheid niet genomen had kunnen worden. De nadelige gevolgen van het woningaanbod in Lochem zijn voor verzoekers niet afgewogen en zijn onevenredig zwaar in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aan verzoekers aangeboden woonruimte passende woonruimte is en dat verweerder, gezien de hier te lande heersende woningschaarste bij het aanbieden van woonruimte geen rekening kan houden met de persoonlijke woonwensen van de te huisvesten personen. De woning in Lochem is gelegen op geringe afstand van de woonplaats van de ouders van verzoekster, en derhalve is rekening gehouden met de door verzoekers opgegeven indicatie.

De beoordeling van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem

3. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4. De bestreden beschikking dateert van 17 januari 2002, derhalve na het tijdstip van de inwerkingtreding van de Invoeringswet Vw 2000, waarbij artikel 3a van de Wet Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (Wet Coa) is ingevoerd.

5. Volgens de uitspraak van de Rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen van 15 november 2001, (JV 2002/1) is de tekst van artikel 3a van de Wet Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (Wet Coa) duidelijk en kan niet anders worden geoordeeld dan dat de vreemdelingenrechter bevoegd is kennis te nemen van geschillen ten aanzien van besluiten of handelingen van het Coa.

Hetgeen in deze procedure door partijen is aangevoerd geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Gezien de duidelijke wettekst komen aan analogie-redeneringen en de mogelijke bedoeling van de wetgever geen gewicht toe bij de uitleg van voornoemde bepaling.

6. Derhalve acht de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem, sector Bestuursrecht zich onbevoegd om het onderhavige verzoek te behandelen en zal dit ter afdoening verwijzen naar de voorzieningenrechter van de Vreemdelingenkamer van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingplaats Arnhem.

7. Ingevolge artikel 71 van de Vw 2000 dient het door verzoeker ingediende bezwaarschrift te worden aangemerkt als beroepschrift tegen de beslissing van het Coa van 17 januari 2002.

Ingevolge artikel 6:15 eerste en tweede lid van de Awb dient verweerder het ontvangen bezwaarschrift naar de vreemdelingenkamer van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingplaats Arnhem, ter afdoening door te sturen.

8. Nu de voorzieningenrechter zich onbevoegd zal verklaren bestaat aanleiding het door verzoekers betaalde griffierecht te restitueren;

De beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem:

verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek;

verwijst het verzoek naar de voorzieningenrechter van de Vreemdelingenkamer van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem;

bepaalt dat het door verzoekers betaalde griffierecht ad € 109 aan verzoekers zal worden gerestitueerd;

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.M. van Hoof en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.

de griffier de voorzieningenrechter

De beoordeling van de voorzieningenrechter van de Vreemdelingenkamer

9. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

10. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Coa is het Coa belast met het plaatsen van asielzoekers in opvangcentra. Ingevolge artikel 12 van de Wet Coa is de Minister van Justitie bevoegd regels te stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen. Van die bevoegdheid is gebruik gemaakt door de vaststelling van de Rva 1997.

11. Volgens bestendige bestuurspraktijk wijst het Coa woningen toe die binnen een straal van vijftig kilometer gelegen zijn van de door de vreemdelingen op het formulier „bijlage 6“ aangegeven indicaties.

12. De aanvankelijk aangeboden woning in Buren voldeed aan de indicatie dat die woning gelegen was binnen een straal van 50 kilometer van de plaats waar verzoeker werkzaam was. Door de te trage besluitvorming bij verweerder was het voor verzoekers niet mogelijk meer om na bekendmaking van het besluit van 3 december 2000 toch nog voor die woning te opteren, hetgeen wel de gebruikelijke gang van zaken is bij verweerder. Dientengevolge kan verzoekers, (ook) volgens het Coa, niet tegengeworpen worden dat zij deze woning geweigerd hebben, hoe ergerniswekkend hun weigering ook is geweest.

13. De woning in Lochem is gelegen binnen een straal van vijftig kilometer van de woonplaats van de ouders van verzoekster, maar is ruim 100 kilometer gelegen van D, de plaats waar verzoeker zijn werkzaamheden verricht. Bij verweerder was reeds per november 2001 bekend dat verzoeker werkte in D, gezien het aanbod van de woning in Buren en het feit dat de aan verzoekers verstrekte zakgeldregeling werd beëindigd en zij vanaf die datum ook dienden te betalen voor de woonruimte in het asielzoekerscentrum.

Dat het mede ging om verschillende afdelingen van de organisatie van verweerder is niet relevant.

14. Verweerder heeft niet, voordat de woning in Lochem werd aangeboden, onderzocht welke van de twee opgegeven criteria voor verzoekers zwaarder zou wegen en of de indicatie familie nog wel relevant was. Uit de brief van hun gemachtigde van 24 december 2001 aan verweerder, had verweerder behoren af te leiden dat er naar het oordeel van verzoekers indicatoren waren voor huisvesting in (de omgeving van) D en Wageningen (in verband met bijzonder onderwijs voor hun zoon) en aanleiding moeten zien nadere inlichtingen in te winnen over de relevantie van de indicatie familie in C, alvorens naar aanleiding van laatstgenoemde indicatie met een aanbod te komen. Dat verzoekers geen nieuw formulier „bijlage 6“ hadden ingediend, is een formaliteit die daaraan niet afdoet.

15. Het door verzoekers ingediende, als beroep aan te merken, bezwaar heeft een redelijke kans van slagen, nu naar het voorlopig oordeel van de rechter de nadelige gevolgen van het woningaanbod in Lochem voor verzoekers onevenredig zwaar zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

16. Het belang van verzoekers weegts bij de gevraagde voorziening, waarvan toewijzing verzoekers in ieder geval zekerheid biedt over hun positie gedurende de periode tot op beroep is beslist, onmiskenbaar zwaarder dan het belang van verweerder bij het eerder kunnen beëindigen van de opvang van verzoekers. Temeer nu verzoekers ook maandelijks betalen voor de hun aangeboden ruimte. De gevraagde voorziening zal daarom worden toegewezen.

17. Gelet op het spoedeisende karakter van de gevraagde voorziening zal de rechter het verzoek in die zin toewijzen dat bepaald wordt dat verweerder wordt verboden verzoekers uit de opvang te (doen) verwijderen tot dat is beslist.

18. Omdat verweerder het bezwaarschrift (nog) niet heeft doorgezonden om als beroepschrift te worden behandeld, bestaat geen grond voor toepassing van artikel 8:86 van de Awb.

19. De rechter acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:84, vierde lid, j artikel 8:75, eerste lid van de Awb en verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Stb. 1993, 763) begroot op € 644,- aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Deze vergoeding dient betaald te worden aan de griffier.

De beslissing

De voorzieningenrechter van de Vreemdelingenkamer,

wijst het verzoek om voorziening toe;

schorst het besluit van 17 januari 2002 tot in het beroep is beslist en verbiedt verweerder verzoekers uit de opvang te (doen) verwijderen tot in beroep is beslist:

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers ten bedrage van € 644, onder aanwijzing van de rechtspersoon het Centraal Orgaan opvang asielzoekers die deze kosten dient te voldoen aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.M. van Hoof en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.

de griffier de voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraken staan geen rechtsmiddelen open

Afschrift verzonden: