Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AE1387

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-02-2002
Datum publicatie
12-04-2002
Zaaknummer
AWB 00/63329
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum vtv / voorwaarden.

Verweerder heeft eiseres, een Surinaamse, een verblijfsvergunning verleend met ingang van de datum waarop zij is gehoord, aangezien zij naar het oordeel van verweerder pas op deze datum heeft aangetoond dat zij aan de voorwaarden voor toelating voldoet. Uit artikel 24, lid 1, VV volgt echter dat een verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de datum waarop een vreemdeling feitelijk aan de voorwaarden voor toelating voldoet. Met het woord 'aantoonbaar' in dit artikel is bedoeld aan te geven dat de vreemdeling dient aan te tonen op welk moment aan de voorwaarden werd voldaan, en niet dat de verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de datum van aantonen. Deze lezing is ook in overeenstemming met de wijze waarop verweerder in de praktijk verblijfsvergunningen verleent. Nu verweerder heeft aangegeven dat de omstandigheden op grond waarvan eiseres is toegelaten reeds ten tijde van de aanvraag aanwezig waren, is de ingangsdatum van de verblijfsvergunning ten onrechte niet op datum van aanvraag gesteld. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Voorschrift Vreemdelingen 2000 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te ‘s-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 00/63329 VRWET

inzake: A, geboren op [...] 1964, van Surinaamse nationaliteit, wonende te B, eiseres,

gemachtigde: mr. M.P. Lettinga, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. L.J.J. Stams, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 23 maart 1998 heeft eiseres bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel „verblijf bij Nederlandse kinderen“, mede namens haar minderjarige zoon C, geboren op [...] 1988. Bij besluit van 13 november 1998 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd. Bij bezwaarschrift van 2 december 1998 heeft eiseres tegen dit besluit gemotiveerd bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn nader aangevuld bij brieven van 22 januari 1999, 8 februari 1999 en 23 maart 1999. Op 5 juli 2000 is eiseres gehoord door een ambtelijke commissie. Het bezwaar is bij besluit van 15 augustus 2000 gegrond verklaard, en aan eiseres is een vergunningen tot verblijf zonder beperking verleend met ingang van 5 juli 2000.

2. Bij beroepschrift van 12 september 2000 heeft eiseres tegen dit besluit beroep voorzover het de ingangsdatum van de aan haar verleende vergunningen tot verblijf betreft ingesteld bij de rechtbank. Eiseres heeft tevens verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden schade. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 23 oktober 2000. Op 18 juli 2001 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 16 oktober 2001 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en afwijzing van het verzoek om schadevergoeding. Eiseres heeft haar standpunt nog nader onderbouwd bij brief van 8 januari 2002.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2002. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. FEITEN

1. In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eiseres is op 20 mei 1994 naar Nederland gekomen. Eiseres heeft vier kinderen. Ten tijde van het bestreden besluit hadden, afgezien van C, alle kinderen de Nederlandse nationaliteit. Ten tijde van het bestreden besluit woonde eiseres samen met drie van haar kinderen. Haar zoon D verbleef op dat moment in de jeugdinrichting „De Hunnenberg“. Hij is diverse malen met justitie in aanraking geweest. Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 10 juni 1997 is hij onder toezicht gesteld. Bij beschikking van 6 november 1998 van de rechtbank is hij uit huis geplaatst. Bij vonnis van 21 december 1998 van de Meervoudige Kamer van de Arrondissementsrechtbank Amsterdam is hij veroordeeld tot 6 maanden jeugddetentie en is hem de maatregel van plaatsing in een jeugdinrichting opgelegd, wegens straatroof. Sinds 8 februari 1999 verbleef hij in „De Hunnenberg“.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Eiseres is van mening dat de ingangsdatum van haar vergunningen tot verblijf ten onrechte is gesteld op 5 juli 2000, in plaats van op datum aanvraag. Verweerder dient de schade te vergoeden die eiseres heeft geleden door het niet tijdig verlenen van de vergunningen tot verblijf.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres pas ten overstaan van de ambtelijke commissie heeft aangetoond dat aan haar en haar zoon op grond van zeer individuele en bijzondere omstandigheden een vergunningen tot verblijf moest worden verleend. In artikel 24, lid 1, Voorschrift Vreemdelingen (oud) is bepaald dat een vergunningen tot verblijf wordt verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling aantoonbaar aan alle voorwaarden voldoet, zodat de vergunning pas met ingang van datum hoorzitting diende te worden verleend. Eiseres komt niet in aanmerking voor schadevergoeding.

3. Eiseres heeft ter zitting aangegeven dat het beroep gegrond dient te worden verklaard omdat de bijzondere omstandigheden die aanleiding hebben gegeven eiseres alsnog verblijf toe te staan al aanwezig waren ten tijde van de aanvraag. De schade is met name gelegen in het feit dat zij geen kinderbijslag heeft kunnen ontvangen. Voorts heeft zij niet kunnen werken. De schade dient minimaal ter hoogte van het bijstandsniveau gesteld te worden.

3. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting aangegeven dat de bijzondere omstandigheden die hebben geleid tot toelating van eiseres vooral waren gelegen in de situatie van de zoon van eiseres, Ray. Deze omstandigheden waren reeds ten tijde van de aanvraag aanwezig, maar pas tijdens de hoorzitting is bij verweerder de overtuiging ontstaan dat eiseres op grond van haar bijzondere omstandigheden diende te worden toegelaten. Pas op dat moment was derhalve aangetoond dat eiseres aan de voorwaarden voldeed. Op grond van artikel 24, lid 1, Voorschrift Vreemdelingen (oud) gaat een vergunning tot verblijf in op het moment waarop een vreemdeling heeft aangetoond dat aan de voorwaarden voor toelating wordt voldaan. De ingangsdatum van de vergunning tot verblijf is daarom terecht gesteld op datum hoorzitting. Eiseres heeft voorts niet aangetoond dat zij schade heeft geleden. Het verzoek om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding dient dan ook te worden afgewezen.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Het bestreden besluit dateert van 15 augustus 2000. Het is derhalve genomen vóór inwerkingtreding van de Vw 2000 (Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, 495) op basis van de Vw 1965 (Wet van 13 januari 1965, Stb. 40) en aanverwante regelingen. De rechtbank zal zich, ex tunc toetsend, moeten uitlaten over de rechtmatigheid van dit besluit. Derhalve worden bij de toetsing van het bestreden besluit de Vw 1965 (Vw) en aanverwante regelingen toegepast.

3. De rechtbank stelt vast dat enkel de ingangsdatum van de vergunning tot verblijf en het verzoek om schadevergoeding nog in het geding zijn.

4. Ten aanzien van de ingangsdatum van de vergunning tot verblijf overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 24, lid 1, Voorschrift Vreemdelingen (oud) luidt:

„De duur waarvoor een vergunning tot verblijf wordt verleend bedraagt ten hoogste een jaar. De vergunning gaat in op de datum waarop de vreemdeling aantoonbaar aan alle voorwaarden voldoet, doch niet eerder dan de datum van aanvraag van de vergunning.“

Anders dan verweerder leest de rechtbank deze bepaling zo, dat de ingangsdatum van een vergunning tot verblijf is gelegen op het moment waarop feitelijk aan de voorwaarden voor toelating wordt voldaan. Met het woord „aantoonbaar“ is bedoeld aan te geven dat de vreemdeling dient aan te tonen op welk moment aan de voorwaarden werd voldaan, en niet dat de vergunning tot verblijf wordt verleend met ingang van de datum van aantonen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze lezing ook in overeenstemming met de wijze waarop verweerder in de praktijk vergunningen tot verblijf verleent.

5. Voor de ingangsdatum van de vergunningen tot verblijf van eiseres is derhalve beslissend op welk moment zij aan de voorwaarden voldeed. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat de omstandigheden die uiteindelijk hebben geleid tot toelating van eiseres reeds ten tijde van de aanvraag aanwezig waren, zij het dat pas ten tijde van de hoorzitting bij verweerder de overtuiging ontstond dat er grond voor toelating was. Derhalve is in het bestreden besluit de vergunningen tot verblijf ten onrechte niet verleend met ingang van datum aanvraag.

6. Het bestreden besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met het bepaalde in artikel 24, lid 1, Voorschrift Vreemdelingen (oud). Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

7. Met betrekking tot het door eiseres gedaan verzoek op grond van artikel 8:73 Awb schadevergoeding ten laste van verweerder toe te kennen overweegt de rechtbank het volgende. Het is thans niet mogelijk vast te stellen of er schade is geleden, en zo ja, wat de omvang van de schade is. Eerst bij of na het door verweerder te nemen nieuw besluit op bezwaar kan hieromtrent volledige duidelijkheid worden verkregen. De rechtbank ziet hierin aanleiding het verzoek om schadevergoeding af te wijzen. Het staat eiseres vrij, ongeacht andere mogelijkheden, een verzoek om schadevergoeding bij verweerder in te dienen. Tegen de beslissing van verweerder op dat verzoek staat vervolgens beroep open.

8. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 644,- euro als kosten van verleende rechtsbijstand.

9. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht.

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,- euro (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

6. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad € 102.10 euro (zegge: honderdtwee euro en tien eurocent).

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2002, door mr. M. Lolkema, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Heringa, griffier.

Afschrift verzonden op: 7 maart 2002

Conc: RH

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.